Grootvader vertelde--maar grootmoeder moest, om hem te verstaan, haar
oor haast op zijn mond leggen, zoo gedempt was grootvaders stem,--dat
bij den barbier een vreemdeling, wiens knevel werd ingekort, inmiddels
zwaar had zitten schimpen op het dorp. Het was "een nest" en "een gat",
had de vreemdeling gezegd. En ook nog andere verachtelijke dingen. Maar
die wist grootvader niet alle meer. Grootvader was van het aanhooren
zeer zenuwachtig geworden. Hij had het mes van den barbier even van zijn
wang weggeduwd, om tot den vreemden zwetser te zeggen: "In deze plaats
heb ik meer dan eenenzeventig jaar gewoond." Maar de vreemde, die zijn
knevel liet inkorten, had schamper gelachen, en uitgeroepen: "Nu, dan
hebt ge meer dan eenenzeventig jaar gewoond in "een nest" en "een
gat"!" Grootvader beefde hoe langer hoe heviger, terwijl hij dit aan
grootmoeder vertelde. Het was aan het eind niet om aan te zien, hoe hij
beefde. Vooral zijn beenen en zijn lippen.