Toen ik het handschrift van bovenstaand vertoog eenigen tijd onbeheerd
had laten liggen, bevond ik bij mijn terugkeer tot mijn schrijftafel,
dat mijn vriend Jan Rechtengoed, die op mijn thuiskomst zat te wachten,
zich den tijd gekort had met de regelen door te lezen.
"Zijn de Noord-Hollandsche trekhond-houders zoo?" vroeg hij gekrenkt,
bij mijn binnenkomen de papieren met ontevreden gezicht uit zijn hand
werpend.
"O, neen, gelukkig niet!" gaf ik ten antwoord.
"Welnu, wat beduidt dit dan?" vraagde hij, wijzend op het handschrift.
Ik deed de wedervraag: "Jan Rechtengoed, zijn _er_ Noord-Hollandsche
trekhond-houders zoo?"
"Ach, ja, ongelukkig wel!" zuchtte hij.
"Welnu, dat beduidt het", aldus ik weer.
[Decoratieve Illustratie]
[Illustratie]