PER HONDENKAR.

Dat wij met dankbaar gemoed den lof verheffen van de hondenkar!

Op den vreemdeling, die ons groene land bezoekt, maakt vooral indruk de

stoffage, die aan onze wijde vlakte verleend wordt door de molens, welke

er hun lange wieken boven zwaaien, of ook wel door de schepen, welke hun

uitgespannen zeilen over onze vaarten laten scheren. Maar ik zeg u, de

hondenkar stoffeert ons landschap veel karakteristieker.

Een Noord-Hollandsche polderweg is in de allereerste plaats: een weg,

waarlangs een hondenkar schommelt, en een Noord-Hollandsche dijk

bovenal: een dijk, op welks kruin zich de silhouette van een hondenwagen

afteekent. In vergelijking van dit kenmerk zijn alle andere

eigenschappen slechts bijkomstige factoren, om van een weg een

Noord-Hollandschen weg en van een dijk een Noord-Hollandschen dijk te

maken.

Gelijk bij ons het leven binnenshuis zich concentreert in de koffiekan,

zoo wordt ons verkeersleven buiten de huiselijke muren beheerscht door

de hondenkar. Het rijwiel, dat zich indringt, slaagt er hoogstens in

een tweede plaats te overmeesteren, en tegenover den auto handhaaft

onze hondenkar haar heerschappij tot op den huidigen dag toe als een

uitsluitende. Ja, de rechtgeaarde hondenkar-bestuurder onderwerpt zich

zelfs rijwiel en auto tot zijn hondenwagen-rit dienende machten. Zij

strekken hem tot wit, waarachter en waarop hij zijn voorthijgenden

trekhond aanhitst, zoodoende vol verwonderlijk-practischen zin deze

nieuwere vindingen van snelvervoer nuttig makend aan de opvoering van

het snelheidsvermogen van _zijn_ aloud en voorvaderlijk vervoermiddel.

Maar ook zelfs zonder behulp van zulke gangmaking door auto of

rijwiel is het voertuig, dat onze Noord-Hollandsche buitenwegen

kenmerkt, in staat, een snelheid te ontwikkelen, die aan onze hondenkar

minstens een plaats van gelijkwaardigheid verschaft nevens de modernste

middelen van spoedvervoer dezes vooruitstrevenden tijds. O, gij, die

ten deze nog ondeskundig mocht wezen, moge het in den schoot uws

lots voor u zijn weggelegd, nog eenmaal deel te hebben aan een

echten hondenwagen-rit! Dat zal u voor het eerst in uw leven geven te

ondervinden, wat waarlijk emotie is. In suizelende en duizelende vaart

snijdt gij de lucht. Tegelijk daarmede is uw lichaamsbeweging een

wispelturig-zigzagsche dwars over, en een wild-op-en-nederwaartsche

hoog boven den weg. Een zenuwen-oefening, ik verzeker het u, die u

later--mocht ook deze bestemming u beschoren zijn--met de hooghartigste

door-de-wol-geverfdheid in een vliegmachine zal doen klimmen! Ik spreek

hier, gij begrijpt het, van een rit per eerste-klas-hondenkar en per

eerste-klas-trekhonden.

Want er bestaat onder onze hondenwagens een aristocratie en een plebs.

Of gij onzen venter met schuurzand tegenkomt op zijn wrakke vehikel,

waaronder een behaard geraamte voortkruipt, dan wel onzen slager op zijn

geel-geschilderden en glimmend-gelakten char-à-bancs, met het glanzende

driespan ervoor, daar is verschil tusschen. De slager maakt 's Zondags

dan ook met zijn fraai uitgedoste vrouw en kinderen pleizierritten op

den hondenwagen. Doch de schuurzand-koopman zit zich elken weekdag op

zijn waggelenden bok te bekommeren met de vraag, wat van langeren duur

zal zijn: de tijd, dien zijn uit- en thuisreis nog vordert, of de

levensadem, die aan het veege wezen onder de kar nog is toegerekend.

Maar trots dat verschil tusschen hondenwagen en hondenwagen, betaamt het

ons, den hondenwagen in het algemeen, dat ons zoo nuttige en voordeelige

dagelijksche gebruiksvoorwerp, te prijzen en te loven.

Of ook onze honden mede-instemmen in dien lof en prijs, is natuurlijk

een onzinnige vraag. Wij zouden ook den wielrijder voor verbijsterd van

verstand verklaren, die zich ophield met de overdenking, of zijn

gummi-banden het prettig vinden, door de straatkiezels te worden

gejudast, en of zijn fietsketting erin juicht, door de vinnige

raderpunten te worden geknauwd.

Buiten dat hebben wij toch nog dikwijls gelegenheid, over den

fiets-mensch ons gemoed vroolijk te maken, terwijl wij langs hem

voortsnellen op onzen hondenwagen. Nietwaar, zelden heeft iemand onzer

een half uur lang de hondenkar bereden, zonder tenminste één vertwijfeld

rijwiel-mensch te zijn gepasseerd, die op den wegkant zat te wurmen aan

zijn defect geworden voertuig. Hoe witjes lacht de voorbijsnorrende

hondenkar-ruiter dien ongelukkige toe! Laat de trekhond eens defect

raken gedurende den rit! Zeker, het kan en het gebeurt, dat hem het

vermogen tot voortjakkeren begeeft op het midden zijns weegs. Maar het

defect aan den trekhond is heelwat sneller en eenvoudiger verholpen

dan dat aan het rijwiel. Sijmen, de hondenkar-voerman, vult een zijner

klompen met water uit de vaart, en laat het omgevallen beest den klomp

leeglekken. De reparatie wordt voltooid door een lustigen slag met den

geledigden klomp op de hondeschonken, en... Heisa, Sijmen rijdt weer!

Een defect aan het hondenspan herstelt men in zestig seconden.

Voorts is het een voortreffelijkheid van den trekhond boven het rijwiel,

dat de trekhond er individueel belang bij heeft, ons thuis te brengen,

en het rijwiel niet. Het eigenbelang, dat de trekhond daarbij heeft,

is er voor hem een van den allereersten rang. Het is het belang van

zijn maag, mijn vrienden. Want vele zijn de hoedanigheden, waaraan

een viervoetig scheppingsvoortbrengsel eerst beantwoorden moet, voordat

het is wat onder een trekhond verstaan wordt. Doch geenszins de laatste

onder die hoedanigheden zijn deze beide: eerstelijk, dat het een

scheppingsding zij, 't welk een maag heeft; en daarna volgend, dat de

maag, die het heeft, een ledige maag zij. Ziethier tot uw aller nuttige

onderrichting dan ook artikel één uit het leerboek der waarachtige

trekhonden-techniek neergeschreven: "De trekhond ontvangt geen voedsel

dan alleen bij zijn thuiskomst van den rit; voor 't overige bestaat een

deskundige verzorging in het waken voor een doorloopenden hongerstaat,

waarin dezelve zich heeft te bevinden." Toelichting van dit artikel

één: "Op deze wijze werkt het tehuis van den hondenkar-rijder op den

trekhond zooals de magneet werkt op het staal; tengevolge van dien:

een onwederstandelijke neiging in den hond vóór de kar, om met zijn

nasleep thuis te komen, en tevens om zoo gezwind mogelijk thuis te

komen." Ik schrijf dit hongervoorschrift uit de "Handleiding voor

Honden-trekkracht" enkel af voor de ter zake nog onbedrevenen. De

vakmensch kent dezen waardenvollen regel (hoewel ik de eenige bezitter

ter wereld van de bovenvermelde "Handleiding" ben) en brengt hem in

bekwame beoefening.

In het algemeen kan gezegd worden, dat een Noord-Hollandsche hond is

een trekhond. Wij, die over het geheel geen landjonkers zijn, zoodat

wij er jachthonden, noch renteniers, zoodat wij er een weeldehond,

noch dames, zoodat wij er een schoothond op na zouden houden, wij

zouden voor ons geweten geen rechtvaardiging weten te vinden van de

kosten, die hondenbelasting en hondenonderhoud vergen, indien niet deze

rechtvaardiging: de hond trekt mij, o, mijn teergevoelig geweten! Was

het niet de goedige poëet Van Alphen, die de hondendankbaarheid heeft

bezongen, en was het niet de evenzeer goedige dichter Tollens, die

gekweeld heeft van de hondentrouw? Nu, dat bewijst boven alwat het

bewijzen mag dit, dat noch dichter Tollens noch dichter Van Alphen

was van Noord-Hollandsch bloed. Waar wij belang in stellen, omdat

wij er belang bij hebben, is evenmin de hondendankbaarheid als de

hondentrouw, maar de hondensnelheid en de hondenkracht. En wie over

de hondensnelheid en -kracht misschien nogeens in verheven verzen

rijmt, liefst met het refrein: "Hopsasa, hopsasa!", hij zal kans hebben,

dat langs Noord-Hollands wegen en paden van menigen voermans-bok zijn

hondenzang wordt geneuried of gefloten. Want zal in ons verstandig

Noord-Hollandsche gemoed iets ingang vinden, zoo moet dat iets zijn,

waaraan wij wat hebben. En waaraan wij wat hebben, het is à propos

van den hond niet zijn trouw--wat wint ge daarmee?--en niet zijn

dankbaarheid--wat trekt ge daaruit?--, maar de kracht en snelheid des

honds, onwaardeerbare behulpsels bij ons dagelijksche zaken drijven.

Dat een iegelijk dan met ons de waanwijsheid en de bemoeizucht

brandmerke, die in zeker kortelings verschenen proza, genaamd de

"Trekhonden-wet", onze voorouderlijke vrijheid in het gebruik van den

hond tot krachts- en snelheidswerktuig aan beperkingen onderwerpt! In

naam van den nooit volprezen vooruitgang: dat heeft geen wet ons te

zeggen, maar leert elke hond zelf ons wel, of het beest, dat wij vóór

of onder den wagen vastbinden, in staat en bij machte is datgene uit

te voeren, waartoe wij het bestemmen. Verricht de hond het werk, welnu,

zoo is hij er blijkbaar toe in staat. Is hij er niet toe in staat,

welnu, zoo verricht hij het vanzelf niet. Ei, ziet, hoe, zonder oog

voor deze toch slechts kinderlijke levenswijsheid, hoogerhand daar

een veel-artikelige wet maakt met bepalingen op het gebruik van den

trekhond! Gij ontwaart hier weer, gelijk menigmaal, hoe de verstandswaan

der zoogenaamde regeerkunst het oog blind maakt voor den eenvoud der

nuchtere redeneerkunst. En daarvan wordt de rustige hondenkar-koetsier

tot slachtoffer gemaakt.

Er heeft toch niemand in den baard gelachen over deze bezwering:

"in naam van den vooruitgang", temidden van ons pleidooi voor de

onbegrensde vrijheid des hondenkar-verkeers? Die wete: Noord-Holland

is wel degelijk voor den vooruitgang. Wij zijn, spijt wien ook, voor

den vooruitgang. En dat niet _ondanks_, maar juist _blijkens_ onze

hondenkar-zeden en karhond-gewoonten. IJlt niet onze hondenwagen daar

voort zonder stuur of roer, en onze trekhond zonder teugel of toom,

zinnebeeld van de meest volkomen richting-vrijheid? En wedijveren

wij in onze vrije-richting-vaart niet met de snelste vindingen van

voorwaartsbeweging der nieuwere beschaving? O, makkers en gezellen op

het hondenkar-pad, de hondenwagen past bij den Noord-Hollandschen geest!

Ook die geest een geest van vooruitgang, maar van vooruitgang op eigen

hand en op eigen manier, en van vrije richting, zóó vrij, dat er noch

stuur in te ontdekken noch berekening op te bouwen valt! Dit is de

symboliek van de hondenkar. En bedenkt, hoe beslist Noord-Hollandsch

deze hondenkar-symboliek is, teneinde ook daardoor tot de erkenning te

komen, dat de hondenwagen inderdaad onscheidbaar bij ons Noord-Holland

behoort.

Deze lofrede op onze hondenkar moge besloten worden met de volgende

korte beschouwing meer in het bizonder over de honden, welke ervóór

draven.

Al de karhonden van Nieuwediep tot Nieuwendam zijn met elkander

saamverbonden door een opmerkelijk solidariteits-bewustzijn. Wanneer

twee hondenwagens elkaar tegenkomen, groeten de berijders elkander in

het voorbijgaan soms wel en soms niet. Maar de wederzijdsche trekhonden

zullen zelden nalaten elkander te groeten, hetzij luidruchtig, door

een doordringenden blaftoon te wisselen, hetzij stilzwijgend, door

in het voorbijsnellen even de koppen naar elkaar om te wenden. In dien

uitgeblaften groet der hondekelen hoor ik een korte mededeeling der

zwoegers aan elkander van eenzelfde in hen wonende hondenwanhoop, en in

dien zwijgenden groet der hondenoogen zie ik hun klanklooze wederkeerige

klacht over eenzelfde door hen gedragen hondenleed.

Midden in den doodstillen nacht begint op het stikdonkere huiserf een

vastgeketende karhond met langgerekte tonen te huilen. Dra antwoorden

hem al de andere honden in verren omtrek met instemmend gehuil. Dan

kunnen de menschen, op hun legersteden uitgestrekt, niet slapen. En

op hun nachtelijke sponden verwenschen zij de honden.

Ik kan ook niet slapen. Maar ik verwensch het jammerende dierenkoor

niet. Want ik verbeeld mij te weten, waarom in den stillen nacht de

trekhonden huilen.

* * * * *

Bij ons in Noord-Holland · 第 11 / 55 题