Riverside Drive 1490

Beste, trouwe Vriend!

Hier is dan m'n eerste brief! Och, kerel, wat is er veel gebeurd

in den tijd, sinds ik jou en al de lieve vrienden van de Vroolijke

Bende achterliet! Ik heb in die paar maanden zooveel doorgemaakt,

Piet, dat ik er een boek mee zou kunnen vullen. Wat heb ik vaak

terugverlangd naar den goeden tijd, toen ik nog temidden van

al mijn vrienden was! Zijn jullie allen nog gezond en wel, en

je beste ouders ook? Elken dag weer denk ik aan Holland en de

goeie Hollanders! Niet, dat ik spijt heb over mijn reis, verre

van daar. Nu is alles weer goed, maar de eerste tijd hier was

dan ook meer dan erg.

Toen ik van de boot na een stormachtige reis aan land stapte, ging

ik met slechts een paar uren verlof. Ik was koksjongen geweest,

waar ik achteraf beschouwd, blij om ben, want een bediende heeft

het veel harder te verantwoorden. Maar omdat het zeeleven en de

nederige betrekking niet naar mijn zin waren, besloot ik, niet aan

boord terug te keeren. Ik had zoowat vijftig Hollandsche guldens in

mijn zak en toen ik die tegen Amerikaansch geld ingewisseld had,

bezat ik twintig Dollars. Nu doe je met een Dollar in Amerika

evenveel als met een gulden in Holland, dus je begrijpt dat mijn

middelen zeer beperkt waren.

Na twee weken was ik dan ook zoo goed als door mijn geld heen, en

den heelen dag liep ik maar door de stad te dwalen, niet wetend,

wat ik moest beginnen. Ik had nog één dollar over en dien dorst

ik niet uit te geven. Het is mij toen zoo hoog in de keel gaan

zitten, ik was zoo wanhopig, dat ik in een der stadsparken op

een bank aan het huilen raakte. Stel je voor, zoo'n groote kerel

als ik, als een klein kind aan het huilen.--Wel Piet, en na die

huilpartij voelde ik me opgelucht en m'n angst was verdwenen.--Wat

drommel, ik moest toch eten? Nu liep er een schoenpoetsersjongen

door het park en ik vroeg hem, wat hij voor zijn schoenbak met

gereedschappen hebben moest. "Een dollar," zegt hij--en ik betaalde

hem twee gulden vijftig voor een vies kistje met wat borstels,

lappen en smeer. Ik ging er mee op een druk punt van de stad

staan en verdiende dien eersten dag anderhalven dollar.

Piet, en nu mag je mij gelooven of niet, ik heb nog nooit

zoo lekker gegeten als dien avond voor 50 cent in een klein

restaurant. Slapen deed ik op een kamertje, waarvoor ik twee

dollar per week betaalde en na een paar dagen maakte ik bijna

drie dollars per dag.

Op zekeren middag poetste ik de schoenen van een heer, die

doodbedaard de Morgenpost uit zijn zak haalde en begon te

lezen. Wel, zoolang ik hier was, had ik geen Hollandsch gehoord

of gelezen, en stel je mijn blijdschap voor, Piet, toen ik boven

een feuilleton de woorden las: Schets van P. Bell.--Opeens zeg

ik: Is u Hollander, meneer?--Nou, en toen had je hem moeten

zien.--Welzeker, zegt hij, jij ook? En hij vroeg me, of ik niet

wat anders kon dan schoenen poetsen, maar toen heb ik hem eens

gauw mijn wedervaren verteld en gedeeltelijk ook de reden van

mijn vertrek uit Holland. De naam van dien heer is Wortelman en

hij scheen veel belang te stellen in mijn geschiedenis.--Hoe heet

je Grootvader? vroeg hij. David Mantel, zei ik.--David Mantel,

de groote suikerfirma uit Amsterdam? Maar jongen, dan ben je de

kleinzoon van mijn besten vriend.

En toen, Piet, heb ik de schoenpoets-affaire cadeau gegeven aan

een armen stakker en ben met den heer Wortelman mee gegaan. Hij

nam mij op in zijn woning en nu ben ik zijn secretaris, weet

je? En ik denk, dat door zijn toedoen Oom Karel nog wel meer

van de zaak zal hooren. Ik ben zoo gezond als een visch en heel

gelukkig. Als je lust hebt, naar Amerika te komen, zal je door

ons hartelijk ontvangen worden. In mijn volgenden brief schrijf

ik wel wat over New-York, enz.

Wel kerel, voorloopig dit krabbeltje. Hartelijke groeten aan je

brave ouders. Geef je lieve moeder een extra zoen van mij en dat

mag je mijnentwege ook doen aan Marie, Mien, Jeanne en Spinnetje.

Met beste groeten en 'n stevigen handdruk,

Je vriend,

Jacob Mantel.

Piet liep met den brief naar beneden, waar zijn Moeder het avondeten

gereed maakte. Hij hield haar den brief voor, gaf haar een klinkenden

zoen en zei:

"Van Jacob."

Moeder lachte.

"Wat bedoel je, den brief of den zoen?"

"Beide, moedertje. Lees maar."

Ze zette haar bril op en las met prevelende lippen.

"Wel, wel, die is goed af, Piet. Maar jij mag ons nog niet verlaten,

hoor."

"O neen, zoover zijn we nog niet. Later ... misschien ..."

"Ik moet er niet aan denken, Piet, dat jij ons nog eens zult verlaten."

"Wat is dat? Piet ons verlaten?" klonk Vaders stem.

Bell was binnengekomen en had juist Moeders laatste woorden opgevangen.

"Geen sprake nog van," lachte Piet. "We hadden het over Jacob

Mantel. Hier is een brief van hem uit New-York".

"Wel, die is goed te land gekomen. De arme jongen verdient het dubbel

en dwars. Maar wat moet jij daar nu gaan doen, Piet? Wou je daar ook

gaan schoenpoetsen?"

"Dat zal niet noodig zijn," zei Piet.

Moeder stonden de tranen in de oogen.

"Wat nou, moeder?" vroeg vader, haar op den rug kloppend. "Wat ga je

nou doen?"

"Piet moet niet weggaan ..." snikte ze.

"Wel, er is geen haar op mijn hoofd, dat eraan denkt," zei

Piet. "Voorloopig heb ik het best naar mijn zin."

"Och," beweerde Vader, rustig zijn pijp stoppend, "ik weet nog niet,

wat ik zou doen, als ik in Piets plaats was. Hij is op het oogenblik

nog wat jong en onervaren voor zulk een groote onderneming en daarbij

heeft hij ons nog, om voor hem te zorgen."

"Toen ik echter zoo oud was als hij, miste ik reeds m'n beide ouders

en stond ik vrijwel alleen.

"Ik had een oudere zuster, Cato, en die deed mij in de leer bij een

schoenmaker. Sinds heb ik al mijn leven schoenen gemaakt en heb er

mij met een vroolijk liedje doorheen geslagen. Maar als ik het nog

eens mocht doen ... wel ... ik denk ... dat ik de wereld eens ging

bekijken en als Piet daar later lust in heeft, dan zal ik wel de

laatste wezen, om hem tegen te houden. Wij beginnen zoetjesaan een

dagje ouder te worden, Moeder, en tot nog toe is ons leven niets

anders dan werken geweest. En daarom heb ik er eens over gedacht,

de zaken aan kant te doen en een aardig huisje in Bussum of Hilversum

te huren. Piet zou dan Zondags bij ons kunnen komen."

Moeder had wel lust om buiten te gaan wonen, maar dat ze haar jongen

zou moeten afstaan ... neen ... daar moest ze niet aan denken.

Drie weken later werden de deuren van den Tivoli-Schouwburg geopend

voor de Soirée van de Vroolijke Bende.

Pietje had herhaalde malen door een berichtje in de courant de aandacht

op het feit gevestigd en aangezien in de laatste maanden meer dan

eens grappige verhalen omtrent dat lustige clubje in de Morgenpost

voorkwamen, was het publiek nieuwsgierig geworden en wilde graag de

Vroolijke Bende eens leeren kennen.

Geen wonder, dat dan ook reeds twee dagen voor de uitvoering alle

kaarten waren uitgegeven en des avonds aan de cassa het bordje:

UITVERKOCHT prijkte.

Vroeg reeds waren de leden present in de kleedkamers achter het

tooneel.

Piet, die als schrijver van het tooneelstuk ook dienstdeed als

regisseur, had het druk.

Hij liep over het tooneel met al de gewichtigheid van een geroutineerd

tooneelmeester.

"Is Boedels hier?" riep hij. "O ben je daar ... is alles present? De

schemerlamp, de klok, de vaas met bloemen? En het boekenrekje?"

"Piet," riep een stem uit een der kleedkamers, "hier is de kapper."

"Kom direct."

Tooneelknechts plaatsten de coulissen.

"De piano hier," wees Piet aan. "Het tooneelstukje gaat pas voor de

pauze, eerst hebben we muziek en voordrachten."

"Piet, of je even in de zaal komt."

"Wat is er dan?"

"D'r is een dame met twee dochters en die hebben per abuis inplaats

van hun toegangskaarten drie lommerdbriefjes meegebracht ..."

"Dan kunnen ze de voorstelling achter de schuine deur gaan zien

.... roep Harry maar ... ik heb het te druk."

"Piet ... de kapperrrrr!!!"

"Jááá, ik kom ... Hee, leg een paar kleine tapijtjes hier over dit

kleed. D'r zitten zooveel gaten in, dat een vergiettest er jaloersch

van zou worden. Zet die canapé daar in dien hoek, mooi."

Piet haastte zich naar de kleedkamer, waar de kapper zijn ingrediënten

uitpakte.

"Goeien avond, meneer Smalt. Hier is de lijst van uw typen. Hebt u

geschikte pruiken kunnen vinden?"

"Alles in orde, meneer Bell. Wie eerst?"

"Ik eerst!" riep Mien Kuijer.

Ze zette zich in den stoel en de kapper begon haar gezicht te bewerken

met schmink, rood en poeder, maakte haar kastanjebruine haren op,

zoodat ze er spoedig uitzag als de alleraardigste dochter des huizes.

De anderen keken vol belangstelling naar de bewegingen van den kapper

en wachtten hun beurt af.

"Piet, daar zijn de solisten voor vanavond!"

Twee jongedames in witte avondtoiletten, bedekt door hemelsch-blauwe

capes en zware bonten, verschenen in de corridor, gevolgd door een

heer in smoking.

Er werden handjes gegeven, er werd voorgesteld en Piet bracht het

muzikale drietal naar de hun aangewezen kleedkamers.

"Piet, de kapelmeester van het orkest wil je spreken."

"Allright ... een oogenblik."

Zoo was het Piet voor en Piet na!

Maar eindelijk sloeg het acht uur en een vroolijke marsch weerklonk.

De schouwburg was stampvol.

Natuurlijk waren alle ouders en familie-leden van de clubgenooten

present en ook Vader en Moeder Bell, die voor dien avond de zaak

gesloten hadden, namen een eereplaats in, daar had Piet wel voor

gezorgd.

Na den welkomst-marsch rees het scherm.

Het eerste nummer van het programma luidde:

OPENING EN WELKOMSTWOORD door den heer P. BELL.

Door een portière op den achtergrond verscheen Piet op het tooneel

en trad naar voren.

Een hartelijk applaus begroette hem, de menschen stootten elkander aan

en gaven 'n knipoogje, alsof ze zeggen wilden: Nu zal je wat hooren!

Piet maakte lachend een paar buiginkjes links en rechts ... maar

't geklap hield eenigen tijd aan, waarop hij de zaal rondkeek met

een paar oogen, die zeiden: ben ik nou aan 't woord of jullie?

Maar toen het stil werd, begon hij zijn openingsrede, die hij vergeten

had, voor te bereiden.

"Zeer verdachte--ik wil zeggen zeer geachte aanwezigen--het is een

groote onderscheiding voor de korfbalclub De Vroolijke Bende zulk

een groote massa vrienden en belangstellenden hier bijeen te zien en

het is dan ook met een kloppend oog en een traan in 't hart, dat ik

u namens mijn handlangers een gelukkig Nieuwjaar ... een hartelijk

welkom, wil ik zeggen ... toeroep.

"Zooals u op het programma ziet (en hier begon Piet eerst goed

den draak te steken met de verschillende nummers) hebben we

ons de medewerking verzekerd van de dames De Bruijn, sopraan

en alt van de Koninklijke Hofopera in Noord-Siberië en het

dubbelschroef-conservatorium in Delfzijl. De heer Kramp zal de

schoone liederen der dames op de piano begeleiden en heeft daarin

een wereldberoemde vaardigheid verkregen.

"De heer Kramp is opgetreden voor de voornaamste gekroonde

en ontkroonde hoofden van Europa ... den hertog van Luxemburg,

Middelburg, Limburg, Uilenburg en Vlooien burg. Hij is bekleed met

de orde van den Witten Olifant, Den Zwarten Stier, het Roode Hert en

de Cypersche Kat. Wanneer de heer Kramp al zijn ridderorden draagt,

heeft hij een heele diergaarde aan zijn borst hangen."

De zaal daverde van het gelach, maar Pietje vervolgde met een leuk

gezicht, zelf af en toe meegrinnekend:

"Verder zal ondergeteekende u eenige malen vervelen met zijn flauwe

voordrachten, gedurende welke u evengoed de zaal uit kunt gaan en

een kop koffie kunt drinken, en ook nog prijkt op ons program een

tooneelstukje in twee bedrijven, waarin de leden van de Vroolijke

Bende u blijken van hun onbedrevenheid in het Tooneelspel zullen geven.

"En met dit korte, ernstige woord, waarvan ik hoop, dat ge er dezen

avond bij het huis gaan iets van zult meedragen ter overdenking,

verklaar ik dezen feestavond geopend."

Een vroolijk, langdurig handgeklap dankte Piet voor zijn schoone

woorden.

Naast Piets vader zat toevallig de vader van Jannetje de Boog, die

zijn boerderij voor dien avond verlaten had om de Soirée van zijn

dochter bij te wonen.

De man was zoo goedlachs, dat hij bij iederen zet van Piet diens

vader een stomp in de zij gaf.

Vader Bell lachte eerst maar mee, maar toen de stompen al harder en

harder werden, nam hij maatregelen en onder een schaterend "Ha-ha-ha"

gaf hij den buurman zulk een geweldigen por in de ribben, dat deze

verbaasd zijn lachen inhield en van verdere stompen afzag.

De dames de Bruijn en heer Kramp waren te goed in de stad bekend,

dan dat Piets grappenmakerij hun eenige schade kon doen.

Bovendien, men kende Piet ook maar al te goed en zijn onschuldige

ironie werd dan ook door de optredenden zelf met hartelijk lachen

als een grap opgenomen. Iedereen wist, dat de Vroolijke Bende steeds

zijn naam eer aandeed en niet van vormelijkheid hield of van droge,

stijve redevoeringen.

Men kwam hier voor zijn plezier en, wel... men hád het!

Dat nam niet weg, dat de liederen van de zangeressen met stille

bewondering werden aangehoord en allen een dankbaar applaus oogstten.

Maar toen het tooneelstukje aan de beurt was, kwamen de lachspieren

weer in werking.

Mientje Kuijer veroverde stormenderhand aller harten door haar lieve

verschijning, haar welluidende stem en haar alleraardigst spel.

Alida Specht was een echt Spinnetje en had heel wat lachsucces,

terwijl de anderen uitstekend hunne rollen vervulden.

En Piet, die een Engelschman voorstelde, deed met zijn gebroken

Hollandsch zóó herhaaldelijk de zaal in schaterlachen uitbarsten,

dat hij telkens even moest wachten tot het gegier bedaard was eer

hij weer verder kon gaan.

Na het zakken van het scherm was er een aanhoudend geroep om den

schrijver van het stukje en de zaal weergalmde van het geroep:

"Pietje Bell!! ... Pietje Bell!!! ..."

En weer rees het scherm en kwam de held van den avond naar voren

... lachend en buigend ... en daverend weerklonk het applaus uit den

stampvollen schouwburg.

Vader en Moeder Bell straalden van trots en genoegen, want, nietwaar,

dat was hùn zoon, hùn Piet!

De vlegeljaren van Pietje Bell · 第 37 / 43 题