DE IJSCLUB EN DE SOIRÉE VAN DE VROOLIJKE BENDE.

De winter, die tot half Januari het menschdom vergast had op de eene

regenbui na de andere, soms afgewisseld met wat natte sneeuw, begon

zich op den zestienden van een anderen kant te laten zien.

Den avond te voren waren de straten nog nat en modderig van de

aanhoudende regens, maar des nachts draaide de wind naar het noorden en

begon het opeens zoo sterk te vriezen, dat de straten weldra ijsbanen

leken en het verkeer groote moeilijkheden opleverde.

Het was Zaterdag en dus wat drukker dan gewoonlijk, wat nog meer

verwarring gaf.

Het was zoo glad, dat Piet--die bovendien zich dien morgen nog

verslapen had en zeer gehaast was--twee stappen achteruit gleed als

hij er één voorwaarts deed.

Hij draaide zich dus om en liep weer naar huis en bereikte op die

manier de Morgenpost-bureaux.

Een paar dagen vroor het buitengewoon en Piet vertelde aan zijn ouders,

dat het zoo koud was, dat de ijskegels aan zijn vulpenhouder hingen,

als hij er mee schrijven wou.

Het duurde dan ook niet lang, of de groote plassen buiten de stad

openden hun ijsbanen en weldra wapperde de driekleur van de vele

rieten tentjes, waar heete anijsmelk, korstjes en polkabrokken

verkocht werden.

Waar er maar een gelegenheid van openbaar vermaak was, kon men de

Vroolijke Bende vinden.

De jongelui van de club hadden "gezelligheid" tot een van hun grootste

deugden gemaakt en ze zochten elkaar dan ook altijd weer op.

Zelfs wanneer een hunner een apart uitgaanspartijtje had, noodigde

hij altijd een der anderen uit, met hem mee te gaan en zoo was het

niet meer dan vanzelfsprekend, dat Piet den volgenden Woensdagmorgen

Mien Kuijer opbelde.

Mien was thuis en nam bij het weerklinken van de schel de telefoon

van den haak.

"Hallo ... wie daar?"

Piet hoorde dadelijk aan de stem, dat Mien het was.

"Hallo Mientje ... Pietje Bell!"

"O ben jij 't, Piet? Wat scheelt er aan?"

"'n Heeleboel, kind. Ik heb vanmiddag vrij en ga naar de ijsclub. Heb

je zin om mee te gaan?"

"Nou, asjeblieft ... Dolletjes ... Wacht even, 'k zal Moes vragen."

Piet wachtte even, maar gauw kwam ze weer terug.

"Hallo Piet ... ben je daar?"

"Heelemaal. Wat zei Hare Majesteit?"

"'t Is goed, Piet, kom je me halen?"

"Met de stafmuziek. Kan je zwieren?"

"Beter dan jij?"

"Dat doe ik met je. Nou, om twee uur dan. Dag zwierbol!"

"Dag idioot, kom niet te laat hoor. Anders ga 'k met Harry."

"Moest je 't hart eens hebben ... Dag wurm!"

Precies twee uur was Piet present.

Hij had zijn blinkende kunstrijders-schaatsen over den schouder,

'n pet en 'n wit wollen sporthemd stonden hem flink bij de korte

pofbroek en de sportkousen. Met z'n gezond, door de kou frisch-rood

gekleurd gezicht was hij het type van den fikschen, kerngezonden

Hollandschen jongen.

Mien had een witte baret en een wit manteltje, waarover haar kastanje

bruine lokken met 'n witten strik bijeengebonden, neerhingen.

"Wel Piet," zei Miens moeder, "dat is nu eens aardig van je, om

Mientje te komen halen."

"Och," zei Piet, "alleen heb je er weinig aan, en wij leden van de

Vroolijke Bende houden van gezelligheid."

"Misschien zien we de rest van de Bende ook nog op de ijsclub,"

giste Mien.

"Daar heb je kans op. Ik hoop het."

"Waarom? Heb je aan mijn gezelschap niet genoeg?" pruilde ze.

"O jawel, maar hoemeer zieltjes, hoemeer vreugd. En dan heb ik ook nog

een kansje om eens met Marie van Zanten te rijden. Die zwiert fijn."

"En ik met Harry," plaagde Mien. "Die trekt je zoo heerlijk mee!"

"Wel, om te beginnen zal ik je maar meetrekken," lachte Piet, "want

we staan hier mooi onzen tijd te verpraten."

"Dag schàttemoes," riep Mien en ze vloog haar moeder aan, of ze voor

goed op reis ging.

"Dag kinderen, amuseer je. En om zes uur thuis Mien. Zal je ervoor

zorgen, Piet?"

"In orde, mevrouw. Ik zal ze in vloeipapier pakken en niet

kreukelen. Of anders plak ik wel een postzegel op haar gezicht en

stop ze in een brievenbus."

Lachend gingen ze op stap, beiden verlangend naar de heerlijke

ijsbanen.

Vertrouwelijk stak Mien haar arm door dien van Piet en zoo wandelden

ze naar de halte, vanwaar ze de tram namen naar de ijsclub.

De vier banen van de ijsclub waren over de geheele lengte met vlaggen

versierd. Het was koud, maar stil, helder weer en de vroolijke muziek

van het Huzaren-regiment weerklonk over de vlakte, waar reeds honderden

rijders van het mooie ijs genoten.

Zooals het een beleefden en galanten jonkman betaamt, bond Piet de

schaatsen voor Mien aan.

Ze zat op een stoeltje, terwijl hij geknield de schaatsen vastmaakte.

"Au, niet zoo stijf, duvel!" riep ze.

"Kom ze moeten stevig zitten, anders rij je ernaast."

"Nou ... wacht even ... ja, zoo is 't goed."

"Tot uw dienst, Hoogheid."

Daar kwamen zoowaar Flip en Marie aanzwieren.

"Bonjour luidjes," riep Flip hen toe. "Harry en Spinnetje zijn ook aan

't krabbelen. We zijn dus al met ons zessen."

"Is de baan goed?" informeerde Piet, die zijn slachtoffer losliet en

een paar sierlijke krullen maakte, om zijn schaatsen te probeeren.

"Buitengewoon fijn ... geen geultje en geen krasje."

"Kom mee, Mien," inviteerde Piet. "Eerst maar een baantje om!"

Ze kruisten de armen en met breede, krachtige slagen voerde Piet haar

met zich mee.

"Gut, wat zwier jij," riep Mien, "dat kan ik niet."

"Larie ... kan iedereen ... Zet je voeten buitenwaarts neer. Juist

zoo ... zie je nou wel? Rustig aan nou ... fijn."

Zoo zweefden ze over de ijsbaan, naijverig nagekeken door menigeen.

Aan het einde van de baan kwam Harry hen een eindje tegemoet.

"We zullen een lollig stelletje beleven," vertelde hij hun. "Eetje

is op de baan verschenen. Hij heeft een compleet sport-costuum,

maar heeft nog nooit gereden."

"Wat ... heeft hij nog nooit schaatsen gereden?" vroeg Mien verbaasd.

"Neen ... dit is de eerste maal. Hij wou niet voor de anderen onderdoen

en is daarom ook maar gekomen."

"Stil ... daar komt hij."

Als een levende reclame voor zijn Vaders zaak kwam Eduard aankrabbelen.

Zijn lichtgrijs sportkostuum sloot hem nauw om de magere leden, de pet

leek wat te groot, en de handen had hij gestoken in roodbruine glacé

handschoenen, die te meer in 't oog liepen, omdat hij voortdurend

met de armen in het rond zwaaide.

Lachend om zijn eigen armen- en beenengemaai naderde hij de anderen,

slippend, struikelend en cirkels in de lucht teekenend ...

"Dég lui! Ook op de schétsen véndég?"

"Nee, heelemaal niet, we loopen stelten," zei Piet.

"Je rijdt al aardig, Ee," zei Mien.

"O, 'k begin pés ... Mér 't gét best ... 't gét best ... En tegelijk

gleed Eetje onderuit en smakte met z'n zit-vlak een ster in 't ijs.

"Zeker," zei Flip, "'t gaat best."

"Zal ik een baantje met je rijden?" vroeg Piet, daarbij de anderen

een knipoogje gevend.

"Heel grég, Piet, heel grég."

"Hou vast dan ... nee niet zoo ... bee jij betoeterd!! Armen

gekruist. Nou, sla uit je linkervlerk ... mooi ... nou je rechter

... nee, bee-je gek, niet allebei tegelijk!"

"Ho-ho! ... ik vél...." sidderde Eetje.

"Nee, je valt niet, ik heb je vast ... zet maar niet zoo'n benauwd

gezicht ... Komaan ... een-twéé ... een-twee ..."

Geholpen door Piet ging 't nu vrij goed, maar toen ze bijna aan 't

eind van de baan waren en een stevig vaartje hadden, liet Piet Eetje

opeens los en gaf hem nog een flinken zet, waardoor de hulpelooze

jongeling als een pijl uit den boog voortvloog en met wijd-geopende

armen op de massa toeschouwers afschoot.

Hij werd met een hoera-tje opgevangen en sloeg zijn armen om een

dikke dame, vergeefs een steunpunt op het gladde ijs zoekend.

"Hee-hee, wilt u me wel eens loslaten!" riep de dame, die door Eet

je bijna gewurgd werd.

Alle omstanders gierden het uit.

"Ik ... ik kan niet!" hijgde Eduard en bleef almaar uitglijden en

krabbelen, steeds de dame om den hals hangend.

Maar daar kwam de echtgenoot van de dame te hulp.

"Laat los!" bulderde hij en tegelijk greep hij Eetje in de lenden,

tilde hem op en duwde hem met een flinke vaart over de ijsbaan.

Eetje gleed op één schaats voort, 't andere been omhoog houdend

en weer met beide armen wijd uitgestrekt, totdat hij wat teveel

achter-overhelde en met een duidelijk hoorbaren smak een tweeden ster

op het ijs maakte.

Eduards zitdeelen waren door deze athletische toeren zóó beschadigd,

dat hij van verdere pogingen afzag, en op dezelfde plek zijn schaatsen

afbond. Daarna voegde hij zich maar bij de toeschouwers.

De Vroolijke Bende bleef rijden, tot het donker begon te worden en

ging toen in een groepje huiswaarts.

"Wanneer wordt onze Soirée nu gehouden?" vroeg Mien.

"Over drie weken," zei Harry, "ik heb vanmorgen den Schouwburg

gehuurd."

"Dan mogen we wel voortmaken met ons programma."

"Wel, het tooneelstukje zit er al bijna in en voor de rest hebben we

de aparte nummers maar in te vullen."

Pietje had voor de winter-soirée van de club een tooneelstukje

geschreven, een klucht in twee bedrijven.

Gedurende de laatste vier weken hadden de leden het ijverig onder

zijn leiding ingestudeerd en het beloofde wel een succes te worden.

Hij had het speciaal voor de leden van de club ineengezet en voor

ieder een geschikte rol geschreven.

Harry zou de huisheer zijn en Marie de huisvrouw, Mien hun groote,

kattige dochter, Jannetje de Boog een voorname huurster, Eetje

een verwaand kostganger, Flip een reiziger in wijn en hijzelf een

Engelschman, terwijl voor Spinnetje, die weinig speeltalent bezat,

de rol van dienstmeisje was bestemd.

"Vergeet niet de repetitie van morgenavond," zei Piet.

Vroolijk babbelend over de komende soirée kuierden ze gezellig naast

elkander voort, tot ze weer de tram konden nemen naar huis.

Galant bracht Piet zijn dame weer thuis.

"Wel bedankt Piet," zei Mien. "Gaan we morgen weer?"

"Op je kattenoogen! Wat denk je, dat ik wel ben ... Millionair? 'k

Moet werken hoor. Dag garnaal!"

Toen Piet dien avond thuiskwam, lag er een brief voor hem.

Een brief uit Amerika! Van Jacob natuurlijk!

Haastig verbrak hij het couvert en las:

New-York, 2 Januari 19....

De vlegeljaren van Pietje Bell · 第 36 / 43 题