Piet wreef eerst zijn oogen een paar malen uit, omdat hij dacht,
dat het Russisch was, maar ten slotte ontcijferde hij het toch.
Een tienjarig meisje in een stijfgestreken jurkje, en met witte, veel
te groote handschoenen, die over de toppen der vingers neerhingen,
opende hem de deur en vroeg:
"Mot u hier weese?"
"Ik denk het wel," zei Piet. "Ik ben van de krant."
Waarop het kind een paar stappen deed in de richting van de trap,
beide handen aan de mond zette, om het geraas van boven te overstemmen
en schreeuwde:
"Oomè!!! ... Oome Hain!! ..."
"Wel, wat mot-je?" klonk het minzaam van boven.
"Oome ... hier is een man voor de krante ..."
"Krante? Me hebbe geen ouwe krante ..."
Piet deed een stap nader.
"Ik ben van de Morgenpost," verklaarde hij.
"O ... da's andere koffie ... 'k Doch dat je 'n krante-jood was."
"Kom maar bove ... kee-je de trap zien?"
"Dat gaat wel," zei Piet, op den tast in het donker naar de eerste
trede zoekend.
"Nee," klonk het weer van boven, "daar is de trap niet ... dan mot-je
nog een beetje verder doorloopen..."
"O..." zei Piet, die vrij dwaas in het donkere portaal met z'n
rechterbeen stond te zwaaien.
Toen klom hij naar boven, waarbij een vettig touw hem als leuning
diende.
Boven, waar het weer lichter was, zag hij een klein kamertje, versierd
met schreeuwend-helle kleuren, benauwd, vòl rook, vòl menschen ...
Flesschen en glazen en kopjes op de tafel.
Twee ouwetjes--beduusd door de ongewone herrie--stil in een
groengemaakt hoekje, waarboven alweer zoo'n schild prijkte,
vermoedelijk door denzelfden artist vervaardigd.
"Kom d'r in, meheer," zei dezelfde stem, die hem aan de trap met
"krantejood" betiteld had.
"Goeiemiddag," zei Piet, "en is dáár het bruidspaar?"
"Ja, 't benne me grootvader en me grootmoeder, vijftig jaar
getrouwd. Hier vader, hij is van de krant."
Dit laatste schreeuwde hij den ouden man toe, die zeer doof bleek te
zijn, en wees op Piet.
Deze drukte de oudjes de hand en kreeg een stoel naast hen.
Ze zeiden niets en keken maar naar de rumoerige familieleden, die
kris-kras door elkaar redeneerden en daarbij den inhoud der flesschen
in de glazen en daarna in hun monden lieten verdwijnen.
De mannen zaten in hun hemdsmouwen en rookten zwarte sigaren, de
vrouwen bespraken familie-zaken en haalden de afwezigen over den hekel,
buiten jengelde het draaiorgel onvermoeid door en er doorheen huilde
een lastige zuigeling.
"Een heele feestdag," zei Piet tot den ouden bruidegom, om maar wat
te zeggen.
"Zoowat twee uur, denk ik," was het antwoord van den man, die het
natuurlijk niet verstaan had.
"Ik zeg ... een heel féést ..." sprak Piet nu wat luider.
"Zoo ... kom je van Weesp?"
Piet gaf het op, bovendien werd zijn aandacht afgeleid door een der
Ooms, die al een merkwaardig aantal malen zijn glas gevuld en weer
geledigd had en met luider stem zijn meening over de familie zei.
"Nou ... en jullie magge 't allemaal hoore ... ik ben van geen mens
bang ... Oom Tinus heit ze allemaal praatjes waisgemaak ... jullie
net zoo goed ... en z'n cente ... z'n cente heit-ie netjes zellef
gehouwe ..."
"Wat weet jai nou van Oome Tinus z'n cente?" krijschte een tante,
met welgevallen haar glaasje uitlikkend.
"Hou jai je d'r nou buiten, Knelia," suste haar buurvrouw.
Maar de Oom sloeg op tafel, dat de glazen en kopjes ervan rinkelden.
"Ik zeg ... asdat Tinus ..."
"Nau ja, we weten dat jij en Tinus ... jij en Tinus .... dronke
benne ...?"
"Zeg dat nog is," daagde Oom uit, "als je dat nog is zegt, zal 'k je
in me knuisten neme ..."
"Drònke ... drònke," herhaalde de neef, "en dat zeggen wij hier
allemaal."
PATS!!! ... kreeg de neef een haal om zijn ooren.
Dat was het sein tot het hoofdnummer van het feestprogramma!
Ieder nam deel aan het gevecht, de mannen sloegen op elkaar in,
de vrouwen bewerkten elkanders aangezichten met haarspelden.
Het werd Piet een beetje al te geanimeerd en hij zette zijn hoed op
om te vertrekken.
"Jij!" brulde een der gasten hem toe, "wat doe jij hier? Van de krant,
hè? Heb jij 't hart in je falie om ons weer 's in de krant te zette
... wáág het is ... dan sla 'k je hoed over je ooge ... kijk zóó!!"
En bom!! daalde een krachtige vuist op Piets hoed neer, die hem tot
aan den neus over het hoofd zakte.
Hoewel Piet absoluut niet bang was, den hardhandigen geweldenaar een
staaltje van zijn vechtkunst te toonen, vond hij het toch maar beter
te verdwijnen, omdat hij begreep, dat hij in minder dan geen tijd de
heele familie en de heele buurt tegen zich zou hebben.
En Pietje bedankte ervoor, op zulk een jeugdigen leeftijd reeds
"gelijncht" te worden.
Zonder een woord te zeggen, trok hij zich den hoed uit de oogen,
verliet de vechtende feestelingen en herademde eerst weer, toen hij
veilig en wel de hoofdstraat bereikt had ...
In 't steegje klonk nog 't draaiorgel, dansten de buren en vocht de
familie, alles ter eere van bruidegom en bruid!
Een paar weken later vond Piet zijn vader in bezorgde stemming.
Vader Bell liep met groote stappen den winkel op en neer, en bleef
telkens nadenkend staan voor een groote partij doozen, netjes volgens
maat in de muurkast opgestapeld.
Piet kwam fluitend den winkel in en bemerkte al gauw, dat er iets
met vader niet in den haak was.
Hij ging naast hem staan, keek eens naar de rijen doozen en zei:
"Dat zijn er heel wat!"
"Tien vakken vol ... elk vak honderd paar ... duizend paar schoenen
en geen cent waard."
"Geen cent waard?"
"Wel, dit zijn ouderwetsche, grove schoenen, ... maar
ijzersterk. Moeten tien gulden kosten. Maar de menschen koopen
tegenwoordig dit soort schoenen niet meer ... ze willen fijne schoenen
hebben, lakpunten, knoopen, gummihakken en zolen ... Heb ik ook,
meer dan genoeg .... maar hoe kom ik van die oude partij af?"
Piet opende een der doozen en bekeek het stevige schoeisel.
"Ziet er sterk en solide uit," meende hij.
Toen zette hij zich op een stoel neer en dacht na.
"Weet jij er soms wat op?" vroeg Vader.
"Misschien, op 't oogenblik nog niet."
Al maar keek Pietje naar die duizend doozen. Gedurende zijn werken
aan de Morgenpost was hij vaak met handelslui in aanraking gekomen,
had veel geleerd omtrent zakendoen.
Aan vader had hij al lang geleden bewezen, dat geregeld adverteeren in
de courant steeds nieuwe klanten aanbrengt en hij begreep, dat er ook
een middel moest zijn, om Vader van deze partij schoenen af te helpen.
"Wel vader," zei Piet, "ik moet nu naar het bureau, maar ik zal er
goed over denken."
Op den weg naar het kantoor passeerde Pietje verscheidene
schoenwinkels, maar geen ervan deed iets bijzonders.
En toen schoot Piet opeens een verhaal te binnen, dat Flip hem
verteld had.
Het was gebeurd in Flips sigarenwinkel.
Daar was op zekeren dag een heer binnengekomen met de vraag naar
goede Manilla sigaren.
Flip gaf hem de beste, die er maar te krijgen waren, merk: Bouquet.
De klant nam een kistje mee op proef, maar bracht het den volgenden
dag weer terug met de boodschap, dat ze niet naar genoegen waren en
hij betere verlangde.
"Best meneer," had Flip gezegd, het kistje weer aannemend. Maar Flip
had geen betere, en wist, dat er ook geen betere te koop waren. En
daarop had hij dezelfde sigaren in een nieuw kistje gedaan en ze
heetten nu: Perfectos.
Toen de klant dit kistje mee naar huis genomen had, kwam hij denzelfden
dag nog zeggen, dat deze Manilla's veel beter waren en bijzonder naar
zijn genoegen.
Piet dacht, als dat met sigaren gebeurd is, kan het ook wel met
schoenen.
En op het verhaal van Flip baseerde hij zijn plan.
Wat drommel, daar had zijn vader duizend paar schoenen, niet bijzonder
fraai en fijn, dat is waar, maar ijzersterk en mooi genoeg voor
de werkdagen!
En wat je de menschen voorzei, dat zeien ze na, vooral wanneer het
in de krant stond.
De krant!!... een idee!!
Al zoovele malen had hij verslag gegeven van de opening eener nieuwe
zaak, van het aan de markt brengen van een nieuw artikel.
Een nieuw artikel!
Dáár had je 't.
Vaders duizend schoenen waren het nieuwe artikel. Wel, veel erger,
ze waren een nieuwe uitvinding!
Een nieuw soort leer... NIJLPAARDEN leer!!!!!
Pas uitgevonden... Als dat niet werkte!!!
Piet verhaastte zijn schreden en op het kantoor aangekomen, meldde
hij zich bij den directeur.
"Wel, jonge vriend, wat kan ik voor u doen?" was de vriendelijke
begroeting.
"Mijnheer," begon hij, "mijn vader heeft een zeer belangrijke
uitvinding gedaan. Een uitvinding, die een geheele omwenteling teweeg
zal brengen op het gebied der schoen-industrie."
"Komaan, en waarin bestaat dat?"
"Wel meneer, verleden jaar bracht een kennis van vader, die op de
Middellandsche Zee vaart, de huid van een nijlpaard mee en gaf die
aan ons cadeau.
"Eerst liet vader het ding aan een spijker hangen, maar later kwam
hij op de gedachte de huid te looien en als leer te bewerken."
"Ja... en toen?"
"Het leer viel een beetje grof uit, maar door herhaalde bewerkingen
slaagde mijn vader er in, het zacht en buigzaam te maken en ten slotte
maakte hij er een paar schoenen van, zoo sterk, dat ze maanden gedragen
kunnen worden."
"Wel, die uitvinding is goud waard!"
"Goud meneer? Diamant, radium! Toen heeft Vader driehonderd nijlpaarden
laten vangen en villen en uit die driehonderd huiden heeft hij precies
duizend schoenen gemaakt. Ze zijn een wonder!
"Wel, wel," lachte de heer Peters. "Wat kan jij ze vertellen! Maar
wat wou u nu eigenlijk? Mij 'n paar ervan verkoopen?"
"O, u kunt er zooveel van koopen, als u maar wilt. Maar dat bedoel
ik nu niet."
"Wat dan?"
"Och, vader adverteert geregeld in de Morgenpost en nu wou ik een
stukje in de kolommen zetten."
"Wel, daar is niets tegen ... ga je gang ... Bell."
Daar was het Piet alleen om te doen en na den directeur bedankt te
hebben, verliet hij het vertrek.
Dien avond luidde de advertentie van vader Bell aldus:
GROOTE UITVINDING
op het gebied der
SCHOEN-INDUSTRIE.
Machinaal bewerkt NIJLPAARDEN-LEER
De STERKSTE schoen ter wereld.
Alleen Zaterdag a. s.--Verkoop begint twaalf uur v.m.
10 gulden--10 gulden--10 gulden--10 gulden
Alle maten voorhanden.--Let wel.--Alleen Zaterdag.