NIEUW RIJWIELMAGAZIJN.

Aan de Hoogstraat no. 186 heeft de heer Wielerman een geheel

naar de eischen des tijds ingericht Rijwielmagazijn geopend,

dat een sieraad voor den winkelstand mag heeten. Licht, lucht

en ruimte schijnen het doel bij de verbouwing geweest te zijn

en des avonds, wanneer alle electrische lampen ontstoken zijn,

is het geen wonder, dat drommen voorbijgangers zich verdringen

voor de prachtige uitstallingen. Het is aan alles te zien, dat

de heer Wielerman getracht heeft het beste brengen en daarvoor

zij hem van harte succès gewenscht.

Natuurlijk vond Pietje zijn stuk veel mooier, maar de stadsredacteur

bracht hem aan het verstand, dat de berichten, welke niet om de een

of andere reden zeer belangrijk waren, altijd in beknopten vorm,

kort en krachtig moesten worden opgesteld.

Want als ieder reporter zijn berichten inzond op dezelfde manier

als Pietje, dan zou iedere Morgenpost wel uit tien bladen en vijf

bijbladen moeten bestaan. Maar Piet was vlug van aannemen.

Hij leerde iederen dag meer in zijn nieuwen werkkring en was na enkele

dagen al aardig bruikbaar geworden.

O ja, werken was het, en als hij des avonds na zes uur het bureau

verliet, was hij heusch niet altijd vrij tot den volgenden morgen,

maar werd vaak nog gestuurd naar een of andere vereeniging, die een

vergadering hield of een uitvoering gaf.

Nu eens was het een bal-masqué, dan een tooneeluitvoering, een

liefhebberij-concert of een erg droge werklieden-vergadering.

Bijna iedere avond bracht wat anders.

In het eerst--toen het nog een nieuwtje was--vond Piet dat bijwonen

van al die uitvoeringen, gezellige avondjes en vergaderingen wel leuk,

maar toen het nieuwtje er af was, bleef er ook niet veel aardigs meer

over en werd het louter plicht.

Maar--het moet gezegd--Piet deed die plicht steeds met opgewektheid

en middernacht vond hem nog vaak op zijn kamer aan de werktafel,

bezig met het opmaken zijner verslagen.

O ja, Piet vervulde zijn plicht getrouw!

Op één keer na!

Die eene keer was op een Zaterdagavond.

Dien namiddag vijf uur waren de werkzaamheden op het bureau afgeloopen.

Juist wilde Pietje naar huis gaan, toen hem Konijn, een der andere

jonge verslaggevers, op den schouder tikte.

"Zeg Piet," sprak Konijn, "heb jij vanavond wat?"

"Neen," was 't antwoord, "ik ben vrij."

"Och, als je er geen bezwaar tegen hebt, neem dan voor mij die

uitvoering waar van de vereeniging: De Oranjevlag. Ze hebben vanavond

een feestelijke jaarvergadering in de Nutszaal, en ik was juist van

plan tot morgenavond naar den Haag te gaan op familiebezoek. Hier is

programma en kaart."

"All right... 'k zal 't wel voor je opknappen, Knaagdier."

"Bell... je bent 'n swell," riep Konijn dankbaar uit.

Blij, van het baantje af te zijn, gaf Konijn het programma aan Piet,

benevens de perskaart en een welgemeenden slag op z'n rug. Nou,

Bell was een reuzekerel hoor, dee altijd wat voor je als je 't vroeg,

'n lollig type ook. Geen wonder dat-ie altijd vrienden bij tientallen

maakte.

Acht uur dien avond begaf Pietje zich op weg naar de Nutszaal, die

hoogstens tien minuten van zijn woning verwijderd was.

Maar nauwelijks had hij drie minuten geloopen, toen hij een in de

puntjes gekleed jongmensch ontmoette, die plotseling hem beide handen

toestak en hartelijk uitriep:

"Pietje Bell! Wel heb je ooit van je leven!!... Ben je het of ben je

het niet?"

"Ik ben het," zei Piet verbaasd, maar nog zonder de uitgestoken handen

te grijpen, "maarre... wie is u?..."

"Wel Piet... ken je Frans Basters niet meer.... Weet jij niet meer,

hoe jij vroeger circus-directeur speelde in 't straatje en je mij

clown wou maken met een oud karpet aan mijn lijf gebonden? Ik moest

hard schreeuwen als je mij een imitatie-oorvijg gaf, maar je gaf mij

zoo'n heuschen oplawaai, dat ik vierkant tegen den muur smakte en

moord en brand gilde."

"Ja... verdraaid!!... ik weet het!... Frans... Frans... beste kerel,

we hebben mekaar in geen jaren meer gezien!"

En toen greep Piet de twee handen en drukte ze zoo hartelijk en

langdurig, dat de voorbijgangers lachend keken naar de twee vrienden

en Frans riep:

"Au-au... Piet... dank je... au!"

"Wat ben jij 'n reus geworden," vond Piet.

"Ja, we zijn allebei een beetje grooter geworden sinds dien tijd,"

zei Frans. "Wat doe jij voor den kost?"

"Journalist," zei Piet, "en wat maak jij voor rommel?"

"Prentjes," zei Frans. "Ze noemen mij een illustrator, geloof ik."

"Zoo, teeken jij? Vaste betrekking?"

"Nee, 'k studeer nog. M'n ouders zijn beiden gestorven."

"Maar..." begon Piet. Hij eindigde den zin echter niet, omdat hij

niet onbeleefd wilde schijnen. Er was namelijk iets raadselachtigs

in het geval.

De ouders van Frans Basters waren eigenlijk maar arme stumpers geweest,

wat Piet zeer goed wist.

Nu waren ze dood en hier was hun zoon, nauwelijks zeventien jaar,

keurig gekleed en... had niet eens een betrekking.

Frans keek Piet even aan.

"O, zeg het maar," zei hij lachend. "Je wou me vragen hoe het mogelijk

is, dat je mij hier in dezen toestand voor je ziet, na de armoede van

vroeger? Gauw gezegd. Mijn moeder was afkomstig van rijke familie,

maar trouwde tegen den wil van haar ouders, broers en zusters met

mijn vader, die wel arm, maar een knap werkman was.

"Een ongeluk met zijn been maakte verder werken onmogelijk en vanaf

dien tijd gingen ze achteruit.

"De familie wilde niets meer met moeder te doen hebben, maar toen

eerst zij en daarna vader gestorven was, werd ik door mijn Grootvader

in huis opgenomen.

"Grootvader is een op en top gentleman en laat mij studeeren. Vandaar

de verandering, Piet."

"Je bent 'n geluksvogel," vond Pietje.

"Jij moet beslist met mij meekomen," inviteerde Frans. "We hebben

een klein verjaringspartijtje aan huis en ik zal je wel introduceeren."

"Wel," zei Piet, "ik moet vanavond ook nog even naar de Nutszaal, maar

daar kan ik later in den avond wel even aanloopen, daar er bal na is."

"Aangenomen," besloot Frans, "laten we hier de tram nemen."

De bijzonderheden van het verjaringspartijtje hebben weinig met den

loop van Piets avontuur te maken.

Alleen dient vermeld, dat er door den gullen gastheer een overvloed

van zoeten wijn geschonken werd, waarvan ook Pietje een weinig

gebruikt had.

Het fuifje was zoo geanimeerd en gezellig, dat Piet langzamerhand

begon te vergeten, dat er nog een Morgenpost bestond, die op een

zeker verslag wachtte.

Om kort te gaan, het was twaalf uur, toen Piet in vroolijke stemming

de laatste tram huiswaarts nam.

Het was in den laatsten tijd volstrekt niets ongewoons, dat Piet soms

zeer laat thuis kwam van de een of andere uitvoering.

Om niet altijd genoodzaakt te zijn, laat op te zitten tot hij

thuiskwam, hadden zijn ouders hem een huissleutel gegeven en lieten

hem kalm zijn gang gaan.

Op zijn kamer stak Piet de lamp aan.

Toen hij zijn jasje over den stoel wou hangen, viel het programma

van de vereeniging "De Oranjevlag" eruit.

Hij raapte het op... en schrikte!!

Drommels... die jaarvergadering... glad vergeten... Ja, het was nu

veel te laat, om er nog heen te gaan, dat stond doodeenvoudig niet.

Sapperloot... dat was me nu ook een mooie geschiedenis...

En Piet bedacht, wat voor excuus hij nu Maandagmorgen zou maken, totdat

hem opeens een plan te binnenschoot, dat het heele probleem oploste!

Hij had immers het programma van de vereeniging?

Wel, dáárop stond immers, wat er dien avond gebeurd was?

Een klein kunstje dus, om volgens dat programma een verslag te

fantaseeren! Komaan, hier was het.

Maar dadelijk doen, dat was het beste.

Nou... Feestelijke jaarvergadering van de

Buurtvereeniging... enz... enz... Programma... Opening door den

Voorzitter.. Jaarverslag... Vioolsolo... Voordracht... Tooneelstukje...

enz.... enz... enz... Vijftien gevarieerde artiesten-nummers. O hee,

Pietje kende dat soort feestelijke jaarvergaderingen. De meeste dames

en heeren, die aan zoo'n programma meewerken, hadden in 't geheel

geen of bitter weinig talent voor muziek of letteren.

En Piet, die naast het vele knoeierige geliefhebber ook al heel veel

goeds gehoord en gezien had, zag maar al te goed en al te vaak het

belachelijke van dergelijke avonden.

Om niet te zeggen ongenietbaar.

Wel, zooals gezegd, 't was een klein kunstje om aan de hand van dit

programma een flink verslag te fantaseeren.

Kort en goed... Piet schreef het verslag en ging met een in slaap

gesust geweten onder zeil.

Des Maandagavonds lazen de lezers van de Morgenpost het volgende

verslag onder Stadsnieuws:

Buurtvereeniging: De Oranjevlag.

Genoemde vereeniging hield Zaterdagavond in de Nutszaal haar

gewone feestelijke jaarvergadering. Nadat de Voorzitter,

de heer Spreekteveel, met een woord van welkom de aanwezigen

had begroet, werd door den Secretaris Pennewip het jaarverslag

uitgebracht. Spreker constateerde het uitbreidende aantal leden

en ook den toenemenden vooruitgang van de vereeniging.

Mejuffrouw Krasmaar speelde een zeer schoone vioolsolo, waarna

de heer Spriethaar zeer veel succes behaalde met zijn dramatische

voordracht: De ontvluchte Zuigeling.

Een stormachtigen bijval oogstten eenige dames en heerenleden

met de opvoering van het kluchtige stukje: Het wanhopige Paard.

Het is ondoenlijk het rijk voorziene programma in alle onderdeelen

te bespreken, maar het dient gezegd, alle optredenden hadden

een dankbaar succes. Alles en alles bij elkaar genomen, kan de

Vereeniging met genoegen en tevredenheid op dezen welgeslaagden

feestavond terugzien.

"Ziezoo," zei Piet lachend, toen hij des Maandagavonds zijn verslag

in de krant over las, "dat is alweer goed afgeloopen."

Maar Dinsdagmorgen werd hij bij den directeur in het privé-kantoor

geroepen.

"Luister eens, vriend Bell," sprak de heer Peters, en keek daarbij

Pietje onderzoekend aan. "Is het waar, dat Konijn u Zaterdag gevraagd

heeft, voor hem naar de vereeniging "De Oranjevlag" te gaan?"

"Jawel, mijnheer."

"Dus ù heeft dit verslag uitgebracht?"--De heer Peters sprak steeds

zijn ondergeschikten met u aan, nimmer het woord jij gebruikend.

"Jawel, mijnheer, op Konijns verzoek heb ik dien avond bijgewoond."

"Hm... bijgewoond, zegt u?"

"Zeker..."

"En was het een welgeslaagde feestavond?"

"O jawel... natuurlijk..."

"Zijn er dan geen bloemen aan de dames gegeven?"

"Niet dat ik weet."

"Wel... het is een grappige geschiedenis."

"Wat bedoelt u?"

"Ik bedoel, vriend Bell, dat u heelemaal niet naar de Nutszaal is

geweest en ik bedoel ook, dat de bewuste feestelijke jaarvergadering

in het geheel niet is doorgegaan.

"Het bestuur heeft mij vanmorgen opgebeld en gevraagd, wat deze flauwe

aardigheid beteekende, aangezien de avond wegens sterfgeval van een der

bestuursleden uitgesteld was. Wel, wat heeft u als verontschuldiging

in te brengen?"

Piet wenschte zichzelf ergens in Rusland.

Hij voelde, dat hij een belachelijk figuur maakte en vond het ten

slotte maar het beste, alles aan den heer Peters te vertellen.

Na Piets biecht moest de heer Peters toch inwendig lachen, maar dat

liet hij natuurlijk niet merken.

"Jongmensch," sprak hij, "een der eerste vereischten van een

verslaggever is accuratesse. Gelukkig is de zaak in dit geval niet zoo

heel ernstig, hoewel de courant door uw schuld een mal figuur maakt. Ik

zal de zaak aan het bestuur van de vereeniging uitleggen en namens u

excuus vragen. Zorg echter voortaan, u op de hoogte te stellen van zulk

een gelegenheid, als ge om de een of andere reden verhinderd zijt, er

persoonlijk heen te gaan. Even de vereeniging opbellen is voldoende."

Piet wist weinig te zeggen en boog.

Terwijl hij de kamer van den directeur verliet, voelde hij zich als

een schooljongen, die door den meester op bedrog betrapt is.

Hij had tot nog toe nimmer een standje of maar zelfs een vermaning

gehad, dit was de eerste maal.

Hij verwenschte Frans Basters, diens rijken Grootvader en het zoete

wijntje en zwoer bij hoog en laag, dat dit de laatste maal zou zijn,

dat hij zulk een domheid begaan had.

De vlegeljaren van Pietje Bell · 第 22 / 43 题