Het anders zoo kalme huishoudentje van schoenmaker Bell stond er van
overeind, dat Pietje "aan de krant" ging. Vooral Moeder was er van
overstuur, omdat ze 't toch wel een héél ding vond, dat haar Piet nu
ging behooren tot dien geheimzinnigen kring van courantenmenschen,
die in haar verbeelding toch allemaal wel heel knappe heeren waren,
om alles, wat ze vertellen, zoo maar met drukletters in de courant
te kunnen zetten.
Vader vond het ook wel gewichtig, maar bekeek de zaak toch niet zoo
angstig als Moeder.
"Doe nou goed je best, Piet," zei Moeder, "wees beleefd en haal in
vredesnaam geen onzin uit."
"Wees gerust, Moedertje," antwoordde Piet, zijn lunch-boterham in
'n zwart zeiltje pakkend, "u zult eens zien, hoe goed het gaat."
"O zoo," bevestigde Vader glimlachend, "en dan zullen we dien drogen
drogist van 'n Geelman eens laten zien, dat onze Piet het nog wel
verder kan brengen dan zijn zoon Jozef."--Piet vertrok.
Het was heerlijk na-zomerweer, de boomen al wat geel en bruin, maar
nog vol genoeg om wat schaduw te geven.
Kwart over acht wees de klok en 't nam Piet maar tien minuten om de
bureaux van de Morgenpost te bereiken.
Hij voelde een zekere gewichtigheid over zich en besefte, dat zijn
nieuwe betrekking een veel grooter verantwoordelijkheid met zich
meebracht, dan wanneer hij bijvoorbeeld naar een gewoon handelskantoor
was gegaan.
Ha-ha, hij was nu een persoon van beteekenis, ... en ... en ... al
de menschen, die hij hier nou op straat tegenkwam ... hij kon ze
allemaal in de courant zetten, als hij dat verkoos, o zoo ... met 'r
naam en d'r adres ... en hij zou feuilletons schrijven en al de lui,
die hier liepen, zouen ze lezen ... en later zouen ze zeggen:
Daar heb je 'm nou...
Die gedachten waren Piet aangenaam, hij neuriede van pure pret en
ambitie op de maat van zijn passen ... tom-tiderom-ta-ta ...
"Gut, wat heb jij 'n schik!" klonk een bekende meisjesstem achter hem.
't Was Mien Kuijer, gewapend met een boekentasch.
"Hallo kleintje," zei Piet genadig.
"Hallo Goliath," pareerde Mien, "vanwaar die vreugd?"
"Nieuwe betrekking, zeer schitterende positie, hoogst verantwoordelijk
ambt ... Raad eens ..."
"Loopjongen in een krentenpakhuis!"
"Loop naar de pomp."
"Nou, dan geef ik het op."
"'k Heb den tijd ... raad nog maar eens ... en als je 't niet raden
kunt, moet je 't maar te weten zien te komen."
"Zeg 't nou, Piet."
"'t Is een geheim voor wie 't niet weet," plaagde Piet, die er plezier
in had, Miens nieuwsgierigheid gaande te maken.
"Gut, ik wil het niet eens meer weten... wat 'n verbeelding... waarom
draai je er zoo omheen?"
"Wel, ik heb nou eens zin om er omheen te draaien, zooals de machinist
zei, die door het vliegwiel van zijn machine gegrepen was."
"O wel, 't is goed, ik zal het heusch toch wel te weten komen."
"Mooi zoo. Waar ga jij heen, Mien?"
"O, veel te gewichtig om te vertellen. Raad eens..."
"Wel er is maar een plaats, waar jij thuishoort."
"Waar is dat dan?"
"In den hemel bij al de andere engeltjes. Dag Mien, 'k ga hier
linksaf. Saluut."
Opgewekt, 't hoofd in den nek, stapte Pietje verder.
Tom-tidera-tom-tom... journalist, wat?... tom-tom-tarara... zouen de
menschen nu aan hem kunnen zien, dat hij... och nee... natuurlijk niet,
he... tom-tom-tidera... een leuke snuit, die Mien Kuijer... razend
zouen ze zijn van nieuwsgierigheid... ha-ha... nou en daar had je
't bureau van de Morgenpost, tom-tidera-pompom.
Piet stapte het hooge bordes op en liep door de vestibule met een
houding, alsof hij al jarenlang aan het blad verbonden was.
"Wèl?" vroeg de portier, die in Piet niets anders dan een bezoeker zag.
"Zeer wel, dank u," antwoordde Piet en wilde verder gaan.
"Halt... waar gaat u heen?"
"Naar boven, zooals je ziet."
"Maar er is hier geen vrije toegang."
"Moet het personeel dan entree betalen, om het kantoor binnen te
gaan? Dat is wat nieuws."
"Natuurlijk niet, maar u behoort ook niet tot het personeel."
"Daar verwed ik op staanden voet tien gulden onder, en als je wilt,
wel honderd en nog meer."
"Maar verleden week nog kwam je hier, om den directeur te spreken,"
zei de portier verbaasd.
"Precies, juist, mooi, krek zoo," lachte Piet. "Maar de directeur
heeft mij bij Koninklijk besluit aangesteld tot HOOFDREDACTEUR... wat
blief je?..."
"Nou... je begint al jong... ik ben hier al twintig jaar portier... en
elke reporter beweert hier de Hoofdredacteur te zijn... maar jij
slaat het record. Afijn, 't zal mij 'n zorg zijn... waar moet u wezen?"
"Bij den stadsredacteur."
"Dacht ik wel... schaar en lijmpot... kamer 15... tweede trap op."
De stadsredacteur, de heer van Dalen, was een zeer vriendelijk man,
die zelf hard werkte en dat ook van zijn helpers eischte. Hij hield
niet van veel praten en wie in zijn afdeeling kwam werken, werd
verondersteld dat werk te kénnen.
"Ziehier jonge vriend," sprak hij, "er is hier werk van den vroegen
morgen tot in den nacht toe en zelfs de kleintjes moeten dikwijls groot
werk doen. De verslaggever van de Rechtbank is ziek en ik denk jou om
te beginnen naar de Rechtszaal te sturen voor de strafzitting. Maak
dat je er om tien uur bent. Kan je stenografeeren?"
"Zeker, meneer."
"Mooi, het kan te pas komen, maar is niet altijd noodig. Onderweg in
de tram lees je maar in het blad van gisteren, hoe je voorganger het
deed. Om twaalf uur stuur ik Jantje om copie... om drie uur Kees
voor de rest. Meld je hier vanmiddag na de zitting voor verdere
orders. Schrijfmateriaal vindt je in je lessenaar."
De orders waren duidelijk, kort en krachtig.
"Begrepen, meneer," zei Piet, die van aanpakken hield. Het is nu half
negen, ik kan in een half uurtje aan het Gerechtsgebouw zijn... wat
doe ik in dat uur?
"'k Zal een persdiploma voor je invullen," sprak de heer van Dalen,
"hoe was je naam ook weer?"
"Pieter Bell... meestal genoemd Pietje Bell, meneer."
"Pietje Bell?... Pietje Bell?... drommels... waar heb ik dien naam meer
gehoord... Komt me zoo bekend voor... net of ik jaren geleden... Wacht
eens... ik geloof, dat ik er ben! Voor jaren terug zond iemand mij
geregeld berichten over een zekeren Pietje Bell... een kwajongen,
die telkens de heele buurt overeind zette. Was jij dat soms?
"Was het Pietje Bell uit de Breestraat, meneer?"
"Ja juist, Pietje Bell uit de Breestraat!"
"Dan was ik het. Maar als ik u vragen mag, wie stuurde u die berichten
over mij?"
"Laat eens zien, als ik mij goed herinner, was het een zeker
jongmensch, genaamd Geelman."
"Jozef Geelman, de zoon van den Drogist... dus de wind waaide uit
dien hoek! Dat heb ik nooit geweten..."
"Wel, we hebben al genoeg gepraat nu," hernam de stadsredacteur,
"en we zitten tot over de ooren in het werk. Je kunt hier mijnentwege
de boel opvroolijken, zooveel je maar wilt. Maar denk er in de eerste
plaats aan, dat er hier gewerkt moet worden. Maak nu tot nader order
maar even kennis met je lessenaar."
Maar Piet zou, voor dien dag althans, de rechtbank niet te zien
krijgen.
Op het oogenblik wist hij daar nog niets van en zette zich aan zijn
schrijftafel met de gewichtigheid van een President.
Pietje voelde nu ten volle de ernstige beteekenis van zijn ambt,
en het feit, dat hij straks zou plaatsnemen aan de perstafel in de
rechtszaal, maakte diepen indruk op hem.
Nu zou hij dus in aanraking komen met het geheimzinnige leven der
misdadigers, hij zou hun leven leeren kennen en de menschen mogen
vertellen van hun avontuurlijke, nachtelijke rooftochten.
O, het zouden verhalen worden van gemaskerde inbrekers, gewapend
met revolvers, gevechten met de politie...pistoolschoten
in nachtdonker... vlucht over daken... en door donkere
achtertuinen. Dan... de arrestatie... de rechtszaal... en hij... Pietje
Bell... die vroeger als kleine jongen elken politie-agent op straat
een hand ging geven, zou daar zitten als man van de pers... ahem!
Piets overpeinzingen werden gestoord door de komst van den directeur.
De heer Peters was altijd vroeg present, controleerde iedere afdeeling
in het gebouw van de Morgenpost, inspecteerde ieder departement
en had voor àl zijn werkers, vanaf den krantenbezorger tot aan den
hoofdredacteur, een vriendelijken groet en een aanmoedigend woordje.
Toen hij Pietje bemerkte, knipoogde hij tegen den heer van Dalen.
Pietje stond op en boog.
"Jonge vriend," sprak de directeur, "ik heb om te beginnen een mooi
stukje werk voor je. Aan de Hoogstraat nummer 186 wordt een nieuw
Rijwielmagazijn geopend. De winkelier heeft een flink contract gesloten
voor advertenties en heeft recht op een stukje onder Stadsnieuws. Geef
een goede beschrijving van den winkel en recommandeer de zaak."
"En de rechtszaal?" vroeg Pietje.
"Gaat hij naar de rechtszaal?" vroeg de heer Peters.
"Ik had hem daarvoor aangewezen," sprak de stadsredacteur, "omdat
Konijn vandaag ziek is."
"Laat Willemse dan vandaag naar het gerechtsgebouw gaan. Ik zal onzen
jeugdigen vriend voorloopig werk geven, om hem wat te wennen aan zijn
nieuwen arbeid. Dit dus maar eerst, Bell. Hier is het adres. Heeft
hij al een perskaart?"
"Ik heb er juist een voor hem ingevuld," was het antwoord. "Als u
even wilt teekenen?"
Dit was spoedig gebeurd en kort daarop verliet Pietje het bureau en
was op weg naar het nieuwe magazijn, dat voor hem de stof zou leveren
voor zijn eerste courantenbericht.
Het adres was spoedig bereikt en niet zonder trots vertoonde Piet
zijn gloed-nieuwe perskaart aan den beleefden winkelier.
"O, is u van de Morgenpost? Gaat u zitten. Hoe vindt u de nieuwe
zaak? Ja, er zijn kosten noch moeiten aan gespaard. En de beste
rijwielen, die er in de wereld te krijgen zijn. Alles Hollandsch
fabrikaat, want meneer, 'n Hollandsch karretje, dat is je karretje,
dat is HET karretje..."
Piet was er van overtuigd, je hoefde die pracht-uitstalling van
schitterende dames- en heerenrijwielen maar aan te zien om je hart
te voelen opengaan.
Piet maakte wat aanteekeningen, noodige en heel wat onnoodige ook,
omtrent het nieuw geopende magazijn en begaf zich weer naar het bureau,
teneinde zijn verslag op te maken.
Hij zette zich aan zijn lessenaar en begon vlug te werken.
Maar omdat hij nog geen ervaring had in het beknopt weergeven van
zijn gedachten, maakte hij het stuk veel te groot en te omslachtig.
Het leek dan ook meer op een verhaaltje dan op een stadsbericht.
En op een hutspotje.
Piets eerste courantenbericht luidde aldus:
Nieuw Rijwielmagazijn aan de Hoogstraat.
O hoe schoon is het, wanneer men des zomers zeer vroeg opstaat
en zijn fonkelnieuw Burgers-rijwiel uit het Magazijn van den Heer
Wielerman aan de Hoogstraat no. 186 ter hand neemt. Hoe heerlijk,
als men rustig voortpeddelt door Holland's schoone dreven.
Men hoort het lieflijk zingen der vogelijns en geniet van het
frissche groen der groene buitenwegen.
Helaas.... zoo menigmaal wordt zulk een schoon natuurtafereel
niet naar waarde genoten, omdat men vaak rijdt op een hard zadel,
een zeer zwaar trappende fiets, slechte banden... etcetera.... enz.
Maar wanneer men een rijwiel berijdt uit het naar de hoogste
eischen des tijds ingerichte magazijn van den heer Wielerman,
kan men de schoonste panorama's op het land genieten, zonder
onaangenaam gestoord te worden door knarsende wielen of moeilijk
gaande pedalen.
De nieuwe winkel is van electrisch licht voorzien en geheel in
wit en goud geschilderd.
Ook zijn er motorrijwielen voorhanden.
Langs den eenen muur is een wandschildering aangebracht,
voorstellende een gezelschap dames en heeren op rijwielen.
Zij bevinden zich op een schoonen landweg, omgeven door het rijke
zomernatuurschoon.
Welvarende boerderijen passeeren zij op hunnen tocht en men ziet
aan de vroolijke gezichten, hoe zij genieten van den heerlijken
plezierrit op de fonkelnieuwe fietsen uit het magazijn van den
heer Wielerman, waar ook alle onderdeelen tegen vaste prijzen
verkrijgbaar zijn.
Licht, lucht en ruimte schijnt het doel van den heer Wielerman
geweest te zijn bij het verbouwen en de winkel maakt dan ook een
aangenamen, royalen indruk.
En des avonds, wanneer alle electrische lampen ontstoken zijn en
de blinkende rijwielen schitteren in dien gouden gloed, is het
dan een wonder, dat tienduizenden voorbijgangers zich verdringen
voor de prachtige uitstallingen??
Ik wensch den heer Wielerman van harte succès toe met zijn nieuwe
zaak en ik hoop, dat hij aan onze stadgenooten vele rijwielen mag
verkoopen, opdat steeds meerderen de gelegenheid zullen hebben,
voortsnellende op het stalen ros de schoonheid van de Hollandsche
natuur te leeren kennen en dan beter beseffen de heerlijke woorden
van den dichter Poot:
Hoe genoeglijk rolt het leven
Des gerusten landmans heen,
Die zijn zalig lot--hoe kleen--
Voor geen koningskroon zou geven.