EEN UITSTAPJE NAAR SCHEVENINGEN.

Zoo had Piet dus nog een week den tijd.

Hij hield het echter voorloopig nog geheim, zou ze later wel allemaal

verrassen met het feit, dat hij "redacteur" was, wat blieft u?

Intusschen deed hij trouw mee aan de oefeningen van de club en als

Pietje er was, wel dan was het altijd feest.

Flip Buitenhuis, die altijd vol vroolijke plannen zat, had het

idee geopperd, om met de heele club een uitstapje te maken naar

Scheveningen, en wel op den eerstvolgenden Zaterdag.

Het plan was met algemeene stemmen aangenomen, en ook Eduard Pijpers,

die inmiddels, zonder Nero, lid van de club was geworden, zou meegaan.

Flip, die daartoe van allen het meest geschikt was, zou

ceremonie-meester gedurende den tocht zijn en tevens kassier voor de

algemeene onkosten.

Natuurlijk bleef ieder vrij om voor eigen rekening meerdere of mindere

uitgaven te doen.

Om kort te gaan, dien Zaterdagmorgen--het weer was, wat men maar

wenschen kon--was de gansche Vroolijke Bende aan het station van de

Electrische present.

Kwart voor negen wees de klok en over een kwartier zou de trein

vertrekken. Hun vroolijk gepraat en gelach vervulde de hooge hal,

waar de loketten waren. Ze waren met hun negenen, een nog zomersch

gekleed clubje van pretmakers, die er eens een ongegeneerd-fijnen

dag van gingen nemen.

Pietje ging met Flip de kaartjes halen.

"Negen retours Scheveningen--vier vooruit--en vijf achteruitrijden,"

zei Piet.

"Denkt u soms, dat ik hier voor mal sta?" vroeg de beambte geprikkeld,

hem de kaartjes toeschuivend.

"Groote hemel, wat kunt u goed gedachtenlezen," zei Flip.

Grinnekend schoof de troep langs de controle, waar de kaartjes geknipt

werden, en dan de trappen op naar het perron.

Ze gingen in een groep bij elkander zitten, pakjes en mantels en

taschjes in de netten werpend.

Mien Kuijer hing uit het raam.

"Gut," riep ze uit, zoodat alle overige passagiers naar haar keken,

"kijk me daar eens een regiment aankomen, die moeten we hier niet

hebben, hoor."

't Heele gezelschap leunde nu naar buiten.

"Is deze trein voor Scheveningen?" vroeg een dikke, puffende,

róódgloeiende burgerjuffrouw, die twee karbiezen, drie hengselmandjes

en zeven kinderen met zich voortzeulde.

"Jawel," antwoordde Flip, "maar dan moet u in den volgenden wagen

gaan zitten."

"O juist, dank u wel," was het antwoord en het regiment marcheerde

naar den anderen wagen.

Er werd gefloten en de trein zette zich in beweging.

Over de viaduct kronkelde de wagensliert zich tusschen de huizenrijen

door. Door de openstaande ramen der woningen zag men de huisvrouwen

aan haar ochtendwerkzaamheden.

Of soms lag een minder ijverige dito op de ellebogen uit het raamkozijn

en dan riep de vroolijke bende haar iets vriendelijks toe:

"Dag juf ... overwerk je niet ..."

"Moeder ... je pap staat aan te branden ... heusch waar ... ik ruik

het hier."

"Juf ... juf ... d'r staat een vent achter je met een geladen zakmes!"

Er was een onophoudelijk gelach en gepraat.

De meeste passagiers in den wagen, ook voor een dag uit, hadden

schik in het jonge troepje, behalve een zeer geleerd uitziend man,

die met een barsche uitdrukking op zijn gezicht een ochtendblad poogde

te lezen.

De vroolijke gesprekken en de herhaalde jolige uitroepen van de club

schenen hem geweldig te hinderen.

Piet vertelde weer een grap.

"Kijk," wees hij naar een der ramen, "daar staat zoowaar mijnheer

Paganini viool te spelen. Meneer Paganini had een knecht, die niet

bepaald het buskruit uitgevonden had.

"Op zekeren dag zegt meneer Paganini tot den knecht: Jan, loop eens

gauw naar mijnheer Victrola en vraag om de partituur van Beethoven,

het kwartet van Mozart en het trio van Liszt.--Jan komt bij meneer

Victrola en zegt: Meneer Victrola, complement van meneer Paganini en

of u me wilt geven de paraplu van Beethoven, het karpet van Mozart

en het riool van Liszt."

Alle medereizenden lachten zoo hard, dat genoemde courant-lezende

heer in het naaste compartiment opstond, zich over de leuning van

zijn plaats boog en op minder vriendelijken toon zei:

"Mag men om wat stilte verzoeken? Men kan geen woord verstaan, van

hetgeen men leest."

Alle passagiers waren verbaasd, de club niet het minst.

Een vader met twee jongens, die pret had om Piet, antwoordde:

"Als deze jongelui zich vermaken willen en zich behoorlijk gedragen,

kunnen zij dat doen, zonder eerst daarvoor uw toestemming te vragen."

Piet dacht opeens weer aan zijn voorouders en den tachtigjarigen

oorlog.

"Wel, meneer, laten we er geen ruzie om maken. Als u lezen wilt, leest

u en als wij pretmaken willen, doen wij het ook. Toen ik zes jaar was,

ging ik eens met mijn vader en moeder naar den Haag en in den trein

zat ook iemand, die almaar lezen wou en niet luisterde. Ik herinner

mij nog goed, dat ik tegen hem zei, dat hij zoo'n gekke snor had,

net een kerstboom ..."

Het heele gezelschap schaterde en de man smeet woedend zijn krant

neer en ging brommend naar buiten kijken.

Verschrikkelijk, die jongelui van tegenwoordig!

Toen hij jong was, zat men stil en las een boek of luisterde naar

een verstandig woord.

Na twintig minuten rolde de trein het Haagsche station binnen en een

groot aantal reizigers stapte uit.

Er kwam wat meer ruimte, waarvan Jacob Mantel direct gebruik maakte,

om zijn city-bag uit het net te visschen en er een geduchten stapel

boterhammen uit te halen.

"Ga jij nou al eten?" vroeg Alida Specht. "Heb je dan vanmorgen

niet ontbeten?"

"O, dat was niet veel," zei Jacob. "Alleen maar vier boterhammen met

kaas, twee krentenbroodjes en twee koppen thee."

"Hoe laat was dat?" informeerde Flip.

"Acht uur zoowat."

"Sapperloot, het is nu nog geen half tien. Jij moet een eetlust hebben

als een herkauwend dier!"

"Ik val al weer om van den honger," beweerde Jacob en beet gretig in

een dik-gemeubileerde boterham.

Het traject den Haag-Scheveningen was spoedig afgelegd en weldra had

de Vroolijke Bende de plaats van aankomst bereikt.

Ze beklommen een hoog duin, rechts van het Palace-Hotel en lieten zich

op en top in 't zand neervallen, plannen makend voor het programma

van dien dag.

Diepblauw welfde de hemel zich over de zee, wier groene golven met

witte schuimkoppen rommelend aanrolden, om dan ruischend over 't

strand uit te vloeien.

Naar links was het strand drukker, daar waren de tallooze tenten en

badstoelen met overal oranjevlaggen of het rood-wit-blauw wapperend

in den gouden zonnedag.

"Wel, ceremonie-meester," vroeg Pietje Bell aan Flip, "wat doen

we vandaag?"

"Ik had gedacht, we konden tot één uur aan 't strand blijven, dan

maken we een wandeling door de Scheveningsche boschjes naar de Bataaf,

gaan dáár koffiedrinken, en wandelen langs den Ouden Weg weer terug

naar 't strand. Daar weer blijven tot zes uur. Vervolgens gaan eten

en vanavond om acht uur naar de voorstelling in "Scala"."

"Prachtig, fijn, dat doen we," riep Piet en allen waren het er mee

eens, dat het een uitstekend programma was.

Toen ze daar een kwartier gezeten hadden, holden ze het duin af, maar

vóór ze zoover waren, moest Marie van Zanten even Mien en Alida te

hulp komen, wier lange vlechten door Pietje aan elkaar gebonden waren.

Beneden aan 't strand mengde de club zich onder de vele bezoekers en

ze veroverden een breeden kuil, waarin ze zich rustig neervlijden en

vanwaar ze héél 't gezellige badplaats-gedoe konden waarnemen.

Gansche families trokken langs hen heen, vaders, moeders, gevolgd

door bataljons en regimenten van kinderen, allen beladen met pakken

en tasschen.

"Als zoo'n familie een dag uit is," beweerde Harry, "werken ze nog

harder, dan wanneer ze thuisblijven."

"En ze hebben 't veel slechter dan thuis," voegde Jacob erbij.

"Kijk," riep Eetje Pijpers opeens uit, "dér komt zoowér mijn Oom uit

den Hég èn."

Hij sprong op en de club zag, hoe hij een kort, dikbuikig heertje de

hand schudde, die het verschrikkelijk te kwaad scheen te hebben met

de warmte en daarom met zijn jasje over den arm liep.

Eetje stelde de leden van de Vroolijke Bende aan Oom voor en Oom aan

de leden.

"Oom Hérry Pijpers, lui," zei-die.

Allen stonden op, maar 't korte, dikke Oompje zei puffend:

"Blijf zitten ... dames heewen ... te wawm ... te wawm ... pfff

... komt nog meew hitte ... mowgen ... ovewmowgen ..."

't Bleek duidelijk, dat Oom Harry en de letter r besliste vijanden

waren, en de ondeugende Mien Kuijer kneep haar neus dicht, beet zich

op de lippen en gaf Alida Specht een por in de ribben.

"Au ... valsch dier ..." riep Spinnetje ... "stomp je grootmoeder."

"Foei ... da's niet aawdig ..." zei oom Harry glimlachend. "En uw

gwootmoedew zou ook bezwaaw maken."

Maar Oom's opmerking maakte de zenuwachtige lachlust van de heele

club nog veel erger, zoodat het bepaald een benauwd oogenblikje was,

vooral daar men niet onfatsoenlijk wilde zijn en hardop lachen.

"Mag ik de jongedames en heewen twakteewen op een sowbet en wat

taawtjes?" was het vriendelijke aanbod.

"Wel, Oom, niemand zél bezwér méken," zei Eetje.

"Pwachtig! Al ben ik een man van vijf-en-vijftig jaaw ... ik mag

gwaag jongelui zien ... en de lieve meisjes ... zoo chawmant, nietwaaw

... zoo lief en allewaawdigst. Kom eens hiew, jongen ..." sprak hij

tot een passeerenden visschersknaap, "haal jij eens in die gwoote

tent daaw tien sowbets en twintig taawtjes ... vwaag om iets, om

't in te dwagen, hè? Hiew is geld."

"Woont u in den Haag?" vroeg Piet, toen de jongen verdween.

"Juist, juist, in 't Haagje."

"Prettige stad wel," vond Marie, die alle moeite deed, om Mien stil

te houden.

"O heel pwettig, heel pwettig!"

Mien gaf een gilletje en bedekte haar gezicht met haar zakdoek.

"Wat scheelt jou?" vroeg Flip.

"Ze heeft ineens zoo'n kiespijn ..." hielp Marie, "soms krijgt ze

van die steken, hè?"

"Och, hoe jammew op zoo'n dag. Dan moet u maaw geen taawtjes eten

stwaks."

Maar dàt was Mien Kuijer toch te bar.

Het feit, dat anderen zouden smullen aan de heerlijke sorbets en

taartjes ... en zij zou mogen toekijken vanwege de kiespijn, die ze

NIET had ... stelde haar in staat, haar lachen te kunnen bedwingen.

"O," zei ze snel, "zoo erg is het niet ... het zakt al weer."

"Dacht ik wel," lachte Oom Harry. "Kijk, hiew komt de jongen aan."

't Werd een genoeglijke smulpartij.

Piet duwde zijn roomhoorn tegen Miens neus en kreeg van haar als

dankbetuiging een schuimtaartje op zijn oog, waarna beiden de

overblijfselen smakelijk verslonden.

Na de tractatie verdween Oom Harry, wilde niet de plannen der jongelui

"vewstowen" en vertrok onder dankbetuigingen en hartelijke groeten.

Er zat een goeie stemming in en ze hadden allemaal schik in den dag,

die zoo goed begon.

Piet kreeg een dolle bui en ging op zijn handen loopen, maar

toen hij zijn beenen opzwaaide vloog er een bui van zand naar den

naasten kuil, waar een kantoorbediende-met-vacantie een boek las,

en ongelukkigerwijze de zandbui gedeeltelijk in z'n mond kreeg.

Hij sprong nijdig op en naar Piet kijkend, riep hij:

"Is u heelemaal gek geworden?"

"Stapelgek, waarde heer," zei Piet, steeds op zijn handen loopend, "Ik

bekijk de wereld van den onderkant ... ook wel grappig, vind-u niet?"

"U is het toppunt van idiotisme!" bitste de ander terug.

"Wel, ik ben altijd blij, als ik een record kan slaan," juichte Piet

en de heele club gierde.

"U ... u ... heeft in uw heele lijf nog niet zooveel fatsoen als ik

in mijn pink," sputterde de kantoorbediende.

"Is 't waar? Dat moet me dan ook een fatsoenlijke pink wezen, die

u hebt."

"Over pinken gesproken," zei Flip, naar de zee wijzend, "heeft u al

een zeetochtje gemaakt?"

"Och, jullie bent een troep losgelaten gekken," schold de kantoorman,

die zijn kruit verschoten had.

Maar Piet, die juist weer op zijn beenen neerkwam, deed een

paar stappen in de richting van zijn slachtoffer en zei, met z'n

van-ouds-beroemde welbespraaktheid:

"Zeg eres, als je schelden wilt, kun je bij mij les komen nemen,

want daar heb ik een middelbaar diploma in, begrijp je dat, jou

barbaarsch middeleeuwsch-voor-historisch present-exemplaar van een

oneindig-grenzeloos-crimineel-verstokte achterlijkheid!!!! Mijn

achter-over-grootmoeder was sergeant-majoor bij de Volendamsche

landweerstorm, maar man, ze had jou nog niet eens kunnen gebruiken

voor sabelkwast, want daar ben je veel te stijf voor."

De achtbare leden van de Vroolijke Bende rolden van het lachen tegen

elkaar aan en zelfs een troepje omstanders proestte het uit.

De kantoorman wilde nog iets zeggen, maar zijn woordenboek bevatte

niets meer, dat hij hier met eenig succès gebruiken kon, en juist wilde

hij weer in het zand gaan zitten, toen een talrijke familie zich van

zijn kuil meester maakte en er zich zonder complimenten in neerzette.

"Hee, hee ... dat is mijn kuil!" riep hij.

"Wel," zei lachend de vader van het talrijke huisgezin, "U kunt een

advocaat nemen en ons een proces aandoen. Maar omdat niemand hier zit,

gaan wij hier zitten."

Opnieuw weerklonk het gelach van alle kanten en de kantoorman wist niet

beter te doen, dan in vredesnaam zijn heil maar verderop te zoeken.

Pietje Bell en zijn gezelschap bleven nog wat vroolijk napraten met

de nieuwe bewoners van den zandkuil en toen gaf Flip het sein tot

voortzetting van den tocht.

Jongelui aan het strand zijn altijd dorstig en het eerste het beste

limonadetentje werd al bestormd.

Jacob verbaasde de Bende door het drinken van vier groote glazen

ijslimonade, terwijl Pietje aan het vechten raakte met een geweldig

stuk Turksche noga, dat hij met geen mogelijkheid tusschen zijn tanden

en kiezen uit kon krijgen.

Toen verlieten ze het strand, sloegen den weg naar de Scheveningsche

boschjes in en hadden weldra de bekende speeltuin en uitspanning

"De Bataaf" bereikt. Zij zetten zich onder het lommer van een grooten

kastanjeboom neer en begonnen hun proviand voor den dag te halen.

Weldra verscheen de kellner.

De man keek met een minachtenden blik naar de pakjes en tasschen

en zei:

"U kunt dat hier niet opeten!"

"Hoeveel?" vroeg Piet.

"Ik zeg, u kunt dat hier niet opeten."

"Daar verwed ik wat onder," zei Piet en maakte zijn pakje open.

Maar de man wees op een bord, dat tegen een der boomen gespijkerd was:

+----------------------+

| VERBODEN |

| Consumptie mede te |

| Brengen. |

+----------------------+

"Gut, mag je hier niet eens eten?" vroeg Mien Kuijer, "ik rammel."

"U kunt alles hier bestellen... biefstuk... gebakken

aardappelen... broodjes met vleesch... kaas... ei... gehakt... wat

u maar wil. Maar geen eigen consumptie hier."

"Wel, dan zullen we eerst maar een kop koffie nemen," zei Piet.

Weldra bracht de kellner negen koppen koffie.

Flip betaalde, gaf den man een fooi en zei met 'n knipoogje:

"Vergeet nou voor 'n oogenblik dezen kant uit te kijken, hè?"

"Ja meneer, 't kan mij natuurlijk niet schelen... maar de patroon..."

"Wel, de patroon éét toch ook."

"Als u maar weet, dat ik u gewaarschuwd heb."

"Doe ons nou de vreugde aan van te verdwijnen, hè?"

Zoo gebruikte dus de Bende, tegen den regel van 't huis, de

meegebrachte consumptie tot er geen kruimel meer van overbleef--alleen

de papiertjes. Pietje stapelde ze zorgvuldig op en schreef op het

bovenste, vettige velletje:

Als ik het had geweten,

Had ik hier niet gegeten;

Maar toen 'k vandaag hier kwam,

Had ik mijn boterham,

M'n vleeschje en m'n eitje,

M'n heele eetgereitje

Gewikkeld in een pak,

Heel netjes in mijn zak.

Ik heb toen met geweld

Wat koffie hier besteld,

Daarop werd mij verteld,

Ik stond er van versteld:

Dat men hier niet mag eten

Wat hier niet is gekocht.

'k Heb toen het bord gelezen,

Herlezen zelfs.--Mij docht

Gij zegt wel: 't Is verboden

Consumptie mee te brengen,

Maar niet het op te eten,

Dus waarde Batavier,

Ik zeg het eerlijk hier:

Gij maakte wel deez' wet

Maar 't is precies een net

Je vangt er wellicht mee de allergrootste dwazen,

Maar slimmerds zooals wij, die kruipen door de mazen.

De vlegeljaren van Pietje Bell · 第 17 / 43 题