CXXI.

'T ONVERNOEGDE PEERD EN D' EZEL.

Een fier Deens peerdjen most somwijlen eens braveeren,

Met 't narrensleetjen en speelwagentjen zijns heeren:

Most somwijl over 't ijs, en scheuren 't spiegel-glas

Des Amstels, die alom glad toegevrozen was.

Het dertel kreng[543] werd boos, en wonder ongeduldig,

Want 't waande, 't was zijn heer niet zoo veel arbeids schuldig,

Ter tijd het eens ontmoette een wagen zwaar gelaân,

Daar eenen ezel rank voor was gespannen aan,

Die naauwlijks slepen mocht[544] den zwaar geladen wagen,

En dapper werd gegroet en afgesmeerd met slagen.

Het Dene kopken[545] dacht: "Nu zie ik hoe 't er gaat,

'k Heb oorzaak om vernoegd te zijn met mijnen staat:

Vermids men andren vindt, in steden en in dorpen,

Die veel meer slavernije, als ik, zijn onderworpen."

Wie op zijn minder ziet, wanneer hem 't herte wroegt[546],

Kan lichtlijk in zijn staat zich vinden wel vernoegd:

Om dat men menschen vindt, 't zij waar wij de oogen wenden,

Die onderworpen zijn nog tienmaal meer ellenden.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 249 / 258 题