De kranke vogel Gier bad ernstig een gezonden,
Hij wilde' hem in 's doods nood zijns krankheids diepe wonden
Doch helpen heelen nu, met goed en heelzaam[542] kruid,
"Of anders is 't met mij (sprak de arme zuchter) uit;
't Is heel met mij gedaan, zal 't lijf niet houden mogen."
"Neen (sprak zijn makker) 'k heb met u geen mededoogen,
Gij hebt mij dik gebracht in al te veel gevaars,
'k En maak zoo licht geen roê voor mijnen eigen aars.
Mijn hulp is u ontzeîd; kont gij u zelf niet helpen,
Ik zal in dezen nood uw lijden geenzins stelpen."
De erfvijand in den angst belooft al 't geen hij mag,
Vermits hij in zijn kruis zich geern geholpen zag;
Maar waar hij eens verlost uit al zijn ongevallen,
Van al 't geen hij beloofde, en hield hij niets met allen.