LXXXII.

'T HERT, 'T SCHAAP EN WOLF.

Het rank gehorend hart 't onnoozel schaap beklaagde,

En voor den wreeden wolf vergramd ter vierschaar daagde,

Opdat het van de terwe en 't graan mocht zijn betaald,

De welk hem kwam van ouds en had tot nog gefaald.

De wolf, als rechter, heeft verhoord haar beider zeggen,

En heeft het weerloos schaap wel ernstig op gaan leggen,

Dat het aan 't klachtig hart het koren zou voldoen,

En op gezetten dag zich tot voldoening spoên.

't Onnoozel bevend schaap heeft alles aangenomen.

Maar als nu 't hart is ter gezetter tijd gekomen,

Heeft 't schaapken 't hart belacht[383] om 't vast beloofde graan,

En zeide: "Ik dede uit vreeze al 'tgene ik heb gedaan."

De onnoozle moet uit schrik in der tirannen hoven,

't Geen hij niet schuldig is, uit angst en vrees beloven;

Want wie te schaffen heeft met eenig wreed tyran,

Opdat hij hem ontga, belooft al wat hij kan.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 174 / 258 题