De vos, in 't rijk kasteel eens edelmans, aanschouwde
't Hoofd, dat een beeldenaar[379] zeer schoon na 't leven bouwde[380]:
Zoo dat in 't aanzien eerst hij vastlijk heeft geloofd,
't Was geen gegoten beeld, maar een natuurlijk hoofd;
Het welk hij om de kunst geloofd[381] heeft en verheven,
En sprak: "Wat ooge zag ooit schoonder beeld zijn leven?
Maar niettemin wat ligt hier aan bedreven nu?
O, schoon gebootste[382] kop! ik vinde niet in u,
Noch reden, noch verstand, noch hersenen, noch zinnen:
Uitwendig schijndy wat, maar niets en is er binnen."
Een welgeschapen lijf, en treffelijk gestalt,
Uitwendig menigmaal den mensche wel gevalt:
Maar ziet men op den geest, waar in alleen den prijs leît,
Zoo vindt men hem ontbloot van reden en van wijsheid.