'T JONGE PEERD EN DEN EZEL.
Het wulpsche en jonge ros was 't hert van rouw benepen,
Omdat het daaglijks most zijns heeren wagen slepen,
En of zijn meester schoon droeg een beleefd[278] gemoed,
En boven maten niet den wagen overloed,
Noch met veel slagen was gewoon den guil[279] te groeten,
Zoo kon zulks nog 's peerds rouw vermindren noch verzoeten,
Vermits het liever los in vrijheid waar gesteld.
Maar, als 't nu bij geval ontmoetten op het veld,
Een ezel, krom en stijf van ouderdom gebogen,
En ziende, dat een ker[280] van d' ezel werd getogen,
Met overgroot gewicht en voeder overlaân:
"Nu staat mij mijne staat," sprak 't ros, "nog beter aan."
Gij murmereerders, wendt uw aanschijn hier en ginder,
Ziet naar de meerdre niet, maar na haar[281], die veel minder
En lager zijn als gij: ik wedde voor gewis,
Gij vonnist[282], dat uw staat, hoe klein, gelukkig is.