DEN AAP EN DE KATTE.

De sim, om 't huisgezin afwezig te verrasschen,

En snoepen de gebraân kastanjes uit der asschen,

Nam 's katten linker-poot, hoe zeer zij was vervaard,

En krabde de gebraân kastanjen uit den haard.

De puis[273] heeft luid gemauwd als zij haar klaauw verbrade[274],

En riep: "houd op, houd stil, mijn linker-poot lijdt schade;

Mijn vleesch is niet meer staal en ijzer als het dijn;

Wat tirannie is dit, ik lijde groote pijn."

Maar onze moeder sim niet afliet van verzengen,

Voor z' had de kolk ontbloot van gloeyende karstengen[275];

Belachende de kat in 't midden van 't verdriet,

En riep: "Hoe beerdy[276] dus! uw pijne voele ik niet."

Een koning, die zijn rijk en palen wil vergrooten,

Gebruikt zijn eigen volk en kloeke rijksgenooten;

Hij houdt zich uit 't gevaar, en haalt als met haar[277] hand,

Al 'tgeen zijn herte wenscht, uit 's oorloogs fellen brand.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 115 / 258 题