De sim, om 't huisgezin afwezig te verrasschen,
En snoepen de gebraân kastanjes uit der asschen,
Nam 's katten linker-poot, hoe zeer zij was vervaard,
En krabde de gebraân kastanjen uit den haard.
De puis[273] heeft luid gemauwd als zij haar klaauw verbrade[274],
En riep: "houd op, houd stil, mijn linker-poot lijdt schade;
Mijn vleesch is niet meer staal en ijzer als het dijn;
Wat tirannie is dit, ik lijde groote pijn."
Maar onze moeder sim niet afliet van verzengen,
Voor z' had de kolk ontbloot van gloeyende karstengen[275];
Belachende de kat in 't midden van 't verdriet,
En riep: "Hoe beerdy[276] dus! uw pijne voele ik niet."
Een koning, die zijn rijk en palen wil vergrooten,
Gebruikt zijn eigen volk en kloeke rijksgenooten;
Hij houdt zich uit 't gevaar, en haalt als met haar[277] hand,
Al 'tgeen zijn herte wenscht, uit 's oorloogs fellen brand.