XLIX.

'T HART EN DE OSSEN.

Des jagers koppels 't hart gezamentlijk besprongen.

't Hart vond zich van alzins[266] vervolgd en stijf gedrongen;

En, mat en afgejaagd langs beemd, bosch, berg, en dal,

Verbergt zich onverziens in eenen ossen-stal.

"O stieren! (roept het wild, beangst en half verslonden)

Beschermt hem, die bijna een prooye is voor de honden.

Het leven ben ik kwijt: den adem mij begeeft;

Der brakken honger mij bijna verbeten[267] heeft."

"Ellendige!" zegt d' os, "wat koomdy hier geronnen

Tot zulken, die helaas! u niet beschermen konnen?

Versteekt u hier in 't hooi, verbergt u, niet te min."

De meester juist op 't slag, die koomt ter stallen[268] in,

En vangt 't gehorend hart, dat, nat van 't zweet bedropen,

Den jager nu vergeefs ontvlucht was en ontloopen.

Wie hulp en troost verzoekt aan zulk een teder man,

Die zwak en weerloos is, en niemand helpen kan,

Van 't eene lijfsgevaar in 't ander zal geraken.

Voorzichtig zijn de geen, die in 't perikel[269] waken.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 111 / 258 题