D' EXTER MET PAAUWEN-VEÊREN.

Een exter, om in 't koor der paauwen, als de vrije[261],

Te komen, en met haar te houden maatschappije[262],

Van paauwe-pluimen heeft een heelen bos vergaard,

En heerlijk haar vercierd met eenen paauwenstaart,

Verschijnende in een dal, daar leeg en diep gezonken

De paauwen zijn gewoon haar[263] cierlijk op te pronken;

Die (speurende terstond, dat de exter, schoon voor 't oog,

In eenen paauwe-schijn haar listelijk bedroog,)

Haar vlogen op het lijf, en haalden elk zijn pluimen,

En dedenze met schande en smaad het lust-dal ruimen.

Wie zich bij heeren voegt, en niet van 't hooge bloed

Des adels dalen koomt, al is hij rijk van goed,

Zoo haalt hij niet dan smaad, dan schande en onbenoegen[264].

Wijs, die bij zijns gelijk zich schiklijk[265] weet te voegen.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 110 / 258 题