XXXVI.

'T PEERD ENDE 'T HART.

Geschil was tusschen 't ros en 't vluchtig hart gerezen.

't Ros, om door zoete wraak zijn wonde te genezen,

Een man om hulpe aanriep, die zulks beloofde vroom,

Indien 't zich onderwierp de sporen en den toom.

Het peerd, verhit om 't hart bloed-dorstig te bestrijden,

Liet zich uit lust tot wraak besporen en berijden;

En rent gezadeld heen, met d' opgezeten held,

Die 't hart met schichten kwetst en dood'lijk nedervelt.

Dies 't ros den ridder prijst, en zoekt te zijn ontslagen

Om langer niet den last des zadels meer te dragen.

De meester dit ontzegt, en houdet[223] onder 't juk;

Dus eindet[223] zijnen tijd katijvig[224] in veel druk.

Wie andren hindren wil of leed doet naar vermogen,

Zich zelven op het lest ellendig vindt bedrogen.

Hij werkt zijn eigen kwaad, die kwaad heeft in den zin;

Wie andren netten spant geraakt er zelver in.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 86 / 258 题