De sperwer overviel al meer de onnoozle duiven,
En wist geen zoeter aas noch vogelen te kluiven;
De duifkens, om te ontgaan zijn hongerige krop,
Den valk tot haren voogd en koning wierpen op.
Maar 't ging haar als de geen, die om d' een klip te ontglijden,
Verzeild, weêr schipbreuk op een andre droogte lijden.
Want, in beschermens plaats, heeft haar de valk geplaagd,
En tot 't gebeente d' een na d' ander opgeknaagd.
Veeltijds, wanneer men om d' een tyrannij te ontvlieden
Een koning d' hulde opdraagt en schepter van gebieden,
Men onder 't juk geraakt van eenen strengen vorst,
Die naar het bloed zijns volks en onderdanen dorst.
Veel princen zweren veel, en houden niet met allen,
En leven met haar volk naar eigen welgevallen.