XXI.

'T SERPENT EN 'T AAMBEELD.

't Scherptandige serpent belust was te vermalen

Een aambeeld, herd van staal en ijzer t'eenemalen,

Maar kon verwinnen niet[160] op zulken ijz'ren romp;

En maakte 't aambeeld niet, maar al zijn tanden stomp.

Als nu des diers gebit ten leste was bedorven,

Heeft het van 't aambeeld tot een antwoord dit verworven:

"Wat dolheid gaat u aan, dat, met een scherp gebit,

Gij om mijn herdheid te verbrijzlen zijt verhit!

Laat af, laat af in tijds, al waren uwe tanden

Van koper en van staal, ik maakte ze ter schanden."

Dees fabel wil de zulke aan-spreken zonderlingen,

Die zich aanmeten meer als menschelijke dingen.

Gelijk dat zotte volk, dat, met een ijdel hoop,

Een vaart langs 't Noorden zoekt, spijt der naturen loop:

Dat met een eiken plank, o stoute zee-gezellen!

Drijft door 't bergachtig ijs, gelijk als na der Hellen,

En blijfter al een schip in 't Noorden voor den tol,

Gelijk een toren, staan, zij varen even dol[161].

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 58 / 258 题