DE VOS EN DE KATTEN.

De schalke vos op 't veld de katten vast verzelde,

En van zijn listigheid veel snorkende vertelde,

Dat aller katten doen en hand-werk (hoe men 't acht)

Was muize-vangerij en enkel ratten-jacht.

Terwijl zij onderlinge aldus in 't twisten rezen,

En Reinert[157] boven haar de uitnemendste woû wezen,

Een koppel honden haar te schielijk overkoomt;

De simmen[158] klavren[159] in de takken van 't geboomt;

Maar Reintjen, in gevaar, niet wetende waar vluchten,

Is fluks der brakken roof, en spreekt met diep verzuchten:

"Hoe ijdel is de roem desgenen voor gewis,

Die op de katten smaalde en nu haar schouwspel is;

Wanneer hij in gevaar, ja, hoop en troost ten ende,

Haar vlijtigheid aanschouwt en zelfs blijft in ellende!"

Die schier vergodet schijnt en alles hier toelacht,

Zich voor 't beroemen hoed' en voor 't bespotten wacht';

't Geluk is wankelbaar; wel hem, die wijs beraden

Zorgvuldelijk zich wacht van andre te versmaden.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 57 / 258 题