Dien avond, teruggekomen van hunne wandeling, na het souper, onder een
kop koffie, in den tuin van het hôtel, bespraken zij hunne reisplannen.
--Wij gaan naar Molde! zeide Sir Archibald.
--O, wij ook! sprak Frank.
De oude heer hoopte, dat de jongelui zijne dochter en hem verder zouden
gezelschap houden. Frank viel zeer in zijn smaak en ook Bertie vond hij
gentlemanlike en onderhoudend: Bertie had veel van Amerika verteld, want
hij verheelde niet zijn farmersleven in the Far West, hoewel hij het een
weinig idealizeerde en steeds van "zijn farm" sprak. Frank logenstrafte
hem nooit.
Nog twee dagen te Drontheim en zij waren geheel en al goede vrienden,
met die vertrouwlijke intimiteit, welke op reis, vrij van etiquette,
soms met een tooverslag ontstaat; zonder eenige kennis van elkanders
karakter, slechts ontspruitend uit een klein beetje onderlinge sympathie
en wat toeschietelijkheid: een oppervlakkig gevoel van tijdelijke
bekoring, die de leêgte om een reiziger vult. De dag op zee met den
stoomer naar Molde was als een pleiziertochtje, niettegenstaande den
regen, die hen van boven wegjoeg en, onder een glas champagne, Eve met
hare drie heeren in de kajuit een whistje deed slaan.
Maar daarna, in wat doorbrekend, bleek licht, de eindelooze wandeling op
het natte dek, steeds op en neêr. De lage rotsen trokken aan weêrszijden
langzaam voorbij, telkens van lijnen veranderend, nu op elkaâr
sluitend, dan zich openend, mossig bruin dichtbij en verderop zich
vergrijzend met flets-roze en flauw-paarse tintspelingen. Na
Christiansand weken ze en de, nu hooger op dansende oceaan bloedde in
eene glorie der zinkende zon, rood en kogelrond aan de kim. Iedere golf
had daar een kam van rood schuim, als stond er de zee in een brand van
rood. Terwijl zij wandelden, op en neêr, lachten Frank en Eve om hunne
roode gezichten, twee pioenen gelijk, twee vroolijke maskers, gefardeerd
met dat rood van de zon, als grimassen van clowns.
In den nacht kwamen zij te Molde aan en zij zagen het niet, het mooie
fjord. Maar den volgenden morgen, daar lag het vóór hen, lang en rank,
met een snoer van, aan de toppen besneeuwde, bergen: een gedicht van
bergen, een zang van bergen, rein, edel, mooi, streng, verheven, zonder
eenig schril effect. De lucht er boven was stil grijs, als een kalme
weemoed, en de rust van geheel die atmosfeer klonk als een emotieloos
andante.