II.

Dien avond, teruggekomen van hunne wandeling, na het souper, onder een

kop koffie, in den tuin van het hôtel, bespraken zij hunne reisplannen.

--Wij gaan naar Molde! zeide Sir Archibald.

--O, wij ook! sprak Frank.

De oude heer hoopte, dat de jongelui zijne dochter en hem verder zouden

gezelschap houden. Frank viel zeer in zijn smaak en ook Bertie vond hij

gentlemanlike en onderhoudend: Bertie had veel van Amerika verteld, want

hij verheelde niet zijn farmersleven in the Far West, hoewel hij het een

weinig idealizeerde en steeds van "zijn farm" sprak. Frank logenstrafte

hem nooit.

Nog twee dagen te Drontheim en zij waren geheel en al goede vrienden,

met die vertrouwlijke intimiteit, welke op reis, vrij van etiquette,

soms met een tooverslag ontstaat; zonder eenige kennis van elkanders

karakter, slechts ontspruitend uit een klein beetje onderlinge sympathie

en wat toeschietelijkheid: een oppervlakkig gevoel van tijdelijke

bekoring, die de leêgte om een reiziger vult. De dag op zee met den

stoomer naar Molde was als een pleiziertochtje, niettegenstaande den

regen, die hen van boven wegjoeg en, onder een glas champagne, Eve met

hare drie heeren in de kajuit een whistje deed slaan.

Maar daarna, in wat doorbrekend, bleek licht, de eindelooze wandeling op

het natte dek, steeds op en neêr. De lage rotsen trokken aan weêrszijden

langzaam voorbij, telkens van lijnen veranderend, nu op elkaâr

sluitend, dan zich openend, mossig bruin dichtbij en verderop zich

vergrijzend met flets-roze en flauw-paarse tintspelingen. Na

Christiansand weken ze en de, nu hooger op dansende oceaan bloedde in

eene glorie der zinkende zon, rood en kogelrond aan de kim. Iedere golf

had daar een kam van rood schuim, als stond er de zee in een brand van

rood. Terwijl zij wandelden, op en neêr, lachten Frank en Eve om hunne

roode gezichten, twee pioenen gelijk, twee vroolijke maskers, gefardeerd

met dat rood van de zon, als grimassen van clowns.

In den nacht kwamen zij te Molde aan en zij zagen het niet, het mooie

fjord. Maar den volgenden morgen, daar lag het vóór hen, lang en rank,

met een snoer van, aan de toppen besneeuwde, bergen: een gedicht van

bergen, een zang van bergen, rein, edel, mooi, streng, verheven, zonder

eenig schril effect. De lucht er boven was stil grijs, als een kalme

weemoed, en de rust van geheel die atmosfeer klonk als een emotieloos

andante.

Noodlot · 第 15 / 48 题