I.

Na de table-d'hôte in het Brittania-Hotel te Drontheim, gingen de

vrienden door de breede, stille straten, met hare lage, houten huizen,

de stad uit in de richting van den Gjeitfjeld, toen zij in de voorstad

Ihlen een ouden heer inhaalden, die, van een jong meisje vergezeld,

blijkbaar dezelfde wandeling meende te maken. Aan de table-d'hôte hadden

zij eenige plaatsen van elkaâr afgezeten en daar deze zweem van

bekendheid op den eenzamen weg een groet billijkten, namen Frank en

Bertie hunne hoeden af. De oude heer, in het Engelsch, vroeg hun haastig

of zij den weg wisten naar den Gjeitfjeld: hij was het met zijne

dochter, die halsstarrig bij de uitspraak van haar Baedeker bleef, niet

eens. Een gesprek vloeide uit dit verschil van meening; de beide

jongelui vroegen verlof zich te mogen aansluiten: Frank meende dat

Baedeker gelijk had.

--Papa vertrouwt nooit op Baedeker! sprak het jonge meisje met een

rustigen glimlach, terwijl zij haar roode deeltje, waarin zij den weg

had gezocht, sloot. En papa wil me nooit gelooven, als ik zeg, dat ik

er hem wel brengen zal....

--Is u altijd zoo zeker van uw weg? vroeg Frank schertsend.

--Altijd, sprak ze overmoedig, met een helder lachje.

Bertie vroeg naar den duur van de wandeling en wat men er zien zoû; dat

eeuwige wandelen van Frank kwam hem zeer vermoeiend voor! Hij had zich

gedurende zijn verblijf bij Frank zoo vertroeteld om zijne vorige

ellende te vergeten, dat hij nu geen grooter genot kende dan met een

cigarette of een glas port op eene bank te liggen, en zich vooràl niet

te vermoeien. Maar nu, in den vreemde.... op reis kon men toch niet

altijd in zijn hotel blijven soezen; daarbij: van rijden in karriolen

werd hij stijf; eigenlijk was het allemachtig dwaas zich zoo noodeloos

te verplaatsen, en White-Rose nog zoo kwaad niet! Frank echter genoot

volop van de ijle, opstijvende lucht van dien zuiveren zomermiddag en

hij dronk den zachten zonneschijn, als waren die gouden wijn, gekoeld

door een frisschen bergwind: zijn stap was elastisch, zijne stem

vroolijk.

--Is u een Engelschman? vroeg de oude heer.

Frank vertelde, dat zij Hollanders waren, dat zij in Londen woonden en

hun gesprek klonk dadelijk in dien gulgauwen toon, dien men tegen

medereizigers, als lotgenooten, bezigt, wanneer het weêr helder is en

het landschap mooi. Opgewekt hunne bewondering over Noorwegens natuur

elkaar mededeelend, gingen zij naast elkander voort: de oude heer kras

meêstijgend, het jonge meisje zeer recht, met haar fier figuurtje, dat

zich modelleerde in haar eenvoudig, glad, blauw lakensch toilet, waaraan

de pelerine, met verschillende neêrslagen, eene pittigheid van sport

gaf: iets van een jolig koetsiertje; terwijl het blauw jockeypetje

jongensachtig luchtig stond op heur dik opgewrongen, rossig gouden haar.

Bertie alleen begreep niet, dat dit alles nu plezier heette, maar hij

klaagde niet; hij sprak weinig, het niet noodig oordeelend zich

aangenaam te maken bij die menschen, die zij morgen denkelijk al uit het

oog zouden verloren hebben. Hij sleepte zich dus meê, verwonderd, dat

Frank aanstonds in een levendig gesprek met het jonge meisje was, en

eensklaps duidelijk inziende, dat zijne eigene gemakkelijkheid en tact

slechts vernis waren, bij Franks innigere beschaving. Hij voelde zich,

niettegenstaande zijn fijn gezicht, zijn elegant reiskostuum, op eens

zóó de mindere van Frank, dat eene ergernis, zweem van haat, hem

doortrilde; en die minderheid niet kunnende uitstaan, voegde hij zich

aan de zijde van den ouden heer en dwong zich tot eene respectueuze

beminlijkheid. Bij het kronkelen van den, zich versmallenden, weg

geraakten zij een weinig achter bij het jonge meisje en Frank, en zij

bleven zoo voortklimmen, twee aan twee.

--U woont in Londen? Hoe is uw naam? vroeg het jonge meisje, kalm

vrijmoedig.

--Frank Westhove....

--Ik heet Eve Rhodes; mijn vader is Sir Archibald Rhodes van

Rhodes-Grove. En uw vriend?

--Hij heet Robert van Maeren.

--Ik hoû meer van den klank van uw naam; ik geloof, dat ik hem op zijn

Engelsch kan uitspreken; hoe zei u ook weêr?

Hij herhaalde zijn naam, en zij sprak dien daarna uit, met haar Engelsch

mondje. Het was een spel, zij lachten er om: Frànk, Frank Westhove....

Maar zij zagen om.

--Is u moê, papa? riep Eve.

De oude heer werkte zich mopperend met zijne breede schouders de hoogte

in; zijn gelaat was rood onder zijn, achterop gezette, geruiten reispet,

en hij blies als een triton. Bertie poogde lieftallig te glimlachen,

innerlijk in hooge mate woedend over die onzinnige stijgpartij. Het

duurde nog een half uur, toen zij op het smalle paadje, dat als een

grijze arabesk den berg overkronkelde, bleven stil staan en zich

neêrzetten op een rotsblok, om te rusten.

Eve was een en al verrukking. In de diepte rustte Drontheim met zijne

houten huizen, omcirkeld door zijn staalkleurigen Nid en zijn fjord, een

tooverspiegel, waarop krijtwit, het fort Munkenholm dreef. Op de bergen

blauwde het: dichtbij het wazige, donkerviolette blauw van druiven, dan

het stoffige blauw van fluweel, verderop het kristallige, doorglanzige

blauw van saffier, eindelijk het bleeke hemelblauw van turkoois. Het

water was blauw als een blauw zilver, de lucht--blauw als parelen en

parelmoêr. De zon scheen overal zacht egaal, zonder gloed en zonder

schaduw, recht uit de hoogte.

--Het is bijna Italië! sprak Eve opgetogen. En dit is nu toch

Noorwegen! Ik stelde me Noorwegen altijd geheel en al voor, als het

Romsdal is, woest met ruwe gebergten als den Romsdalhorn en den

Trolltinder en met woedende watervallen als de Sletta-fos, en dit is zoo

allerliefst, zoo zacht met al dat blauw! Ik zoû hier op dit punt wel een

kasteel willen bouwen en hier blijven wonen, en dan zoû ik mijn kasteel

Eve-Bower noemen en een heele boel witte duiven houden; die zouden zoo

aardig vliegen in die blauwe lucht....

--Lieve meid! lachte Sir Rhodes. 's Winters zal het hier wel anders

zijn.

--Nu goed, anders maar toch mooi. 's Winters hoû ik ook dol van woeste

stormen en het fjord hier zoû bruisen, onder aan mijn kasteel en er

zouden grijze nevels hangen over die bergen daar! Ik zie het al!

--Kom, je zoû bevriezen! sprak papa nuchter tegen.

--Wel neen, ik zou voor een groot torenraam zitten mijmeren met Dante of

met Spencer.... Houdt u van Dante en van Edmund Spencer?

Het laatste was gericht tegen Frank, die beteuterd naar Eve's extaze had

geluisterd en die nu wat schrikte; ja, ziet u, Dante kende hij bij naam,

maar van dien Spencer had hij zelfs nooit gehoord, nog wel van

Herbert....

Wat, kende hij Edmund Spencer niet? Una en de Redcrossknight niet en

Britomartisch niet, hoe was het mogelijk?

--Lieve meid, wat dweep je toch met die dwaze allegorieën! sprak papa.

--Ze zijn prachtig, papa! ging Eve beslist voort. En dan, ik laat de

allegorie voor wat ze is en bewonder alleen de poëzie er van.

--Opgesmukte taal ... je verdrinkt onder de beelden.

--Dat is de kleur van de Renaissance, wierp Eve tegen. In Elizabeths

tijd spraken ze allemaal aan het hof zoo precieus ... En Spencers

beelden zijn prachtig, ze schitteren als juweelen ...

Bertie meende, dat het gesprek zeer geleerd werd, maar hield zijne

gedachte voor zich en zeide iets, over de Hel van Dante. Zij waren

uitgerust en gingen nu verder, den berg op.

--Mijne dochter is zoo half en half eene esthetische, sprak de oude heer

schertsend tot Frank.

Eve lachte heel helder.

--Ach, het is niet waar, papa. Geloof het toch niet, mr ... mr.

Westhòve, weet u, hoe papa daaraan komt? Een paar jaar geleden, toen ik

pas van kostschool kwam, ben ik met een paar vriendinnen heel dwaas

geweest, een tijdje lang. We friseerden ons haar tot ragebollen,

kleedden ons in slappe gewaden van damast en brokaat met kolossale

pofmouwen en zaten bij elkaar dwaasheden te debiteeren over kunst. We

hielden dan eene zonnebloem of een pauweveêr heel gracieus in onze

blanke vingertjes en waren allerdolst ... Daarom zegt papa dat. Maar nu

ben ik heusch zoo dwaas niet meer: ik hoû alleen veel van lezen en is

dat nu zoo "esthetisch"?

En glimlachend zag zij Frank met hare vrijmoedige, heldergrijze oogen

aan en haar flink, beslist stemmetje klonk als eene apologie, als vroeg

zij vergeving voor hare geleerdheid van zooeven. Hij begreep er uit,

dat er niets van eene blauwkous in haar stak, al scheen dit ook om hare

deftigheid van zooeven, en hij was zeer verstoord op zichzelven, dat hij

had moeten bekennen niets van Spencer te weten; wat zou zij hem dom

vinden!

Maar het was een oogenblik, waarop de bekoorlijkheid hunner omgeving hen

zoo omtooverde, alsof zij zich in een magnetischen cirkel van sympathie

bewogen, waarin vreemde wetten die der gewone natuur overheerschten,

iets electrisch snels en etherisch luchtigs ...

Bij het bestijgen van het kronkelend bergpad, bij het zich doortocht

banen tusschen de lage kreupelsparren, waarvan het loover in de zon

glinsterde als verlakte, groene naalden; bij het inademen dier ijle,

bedwelmende lucht, droomde Frank zich, dat hij haar lang kende, dat hij

járen geleden haar voor het eerst aan een table-d'hôte gezien had, te

Drontheim ... Sir Archibald en Bertie, achter hem, waren ver weg, op

mijlen afstands, louter herinnering ... Eve's stem huwde zich aan de

zijne in eene harmonie van klank, als ware hun telkens hortend gesprek

over wat kunst en letterkunde een tweestemmig lied, dat zij beiden

zuiver zongen, en Frank erkende vrijmoedig, dat hij weinig las en, wat

hij gelezen had, zich nauwlijks heugde. Zij beknorde hem schertsend en

haar helder klinkend geluid verschrikte telkens een vogel, die uit het

hout wegwiekte. Hij voelde iets in zich vernieuwen en gezond worden, en

hij had zijne armen willen openbreiden om de lucht te omhelzen!

Noodlot · 第 14 / 48 题