— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
Terwijl lord Lister bij den lord-mayor zich bevond, was Baxter naar
Scotland Yard teruggekeerd—het was tegen negen uur des avonds—om den
nachtdienst over te geven aan zijn collega Thomas. Daar ging de
telefoon over en Marholm nam den hoorn van het toestel.
„Hier Baxter, Scotland Yard!”
„Hier Hittner, de secretaris van lord Abercron.”
„Wat belieft u?”
„Lord Abercron beveelt, dadelijk mr. Pigott, Regent-Park 12, te
arresteeren en naar Scotland Yard te brengen om verhoord te worden.
Zijn lordschap zal daar zelf komen.”
„Uitstekend,” zei Marholm en hij legde den hoorn weer neer.
„Wat is er?” vroeg Baxter, die haast had om naar huis te komen.
„De lord-mayor verzoekt u, inspecteur Baxter, om mr. Pigott hier te
brengen, opdat zijne lordschap hem persoonlijk in verhoor kan nemen.”
„Alle duivels! Wat moet dat beteekenen?”
Marholm haalde de schouders op.
„Ga mee, Marholm, het bevel luidt immers, dat Pigott direct moet
gearresteerd worden? Wat ter wereld heeft lord Abercron met dien Pigott
te maken? ’t Is vreemd!”
Het tweetal spoedde zich naar Pigott. Verschrikt sprong deze op, toen
Marholm en Baxter zijn eetkamer binnentraden en hem meedeelden, dat hij
dadelijk naar Scotland Yard moest komen.
„Wat is er? Wat moet ik? Hebt ge Raffles misschien uit de Theems
gehaald?”
Over het gelaat van Marholm vloog een spotlach en om Pigott tot wat
spoed aan te drijven sprak hij:
„Ja, wij hebben hem er uit gehaald.”
Die woorden hielpen. Hij kleedde zich haastig en verliet met Baxter en
Marholm de villa. De lord-mayor was nog niet verschenen.
Daar ging de deur open.
Een heer in pelsjas kwam binnen, fixeerde Baxter eenigen tijd en vroeg:
„Inspecteur Baxter?”
„Jawel! Met wien heb ik het genoegen?”
Daar weerklonk een vreeselijke gil en Pigott schreeuwde:
„Raffles! Raffles! Een spook! Help!—”
Die woorden werkten als een bom.
Allen, behalve Marholm, wilden vluchten. Glimlachend keek Raffles toe
en zei:
„Die man heeft gelijk. Ik ben Raffles!”
Nu brulde Baxter:
„Sluit hem in boeien! Vooruit! Het is Raffles!”
En terwijl allen, behalve „de vloo”, zich op Raffles wierpen, riep
Baxter maar uit:
„We hebben hem! Gelukkig! Eindelijk! Nu zal hij op water en brood
zitten, totdat hij alles heeft teruggegeven, wat hij gestolen heeft.”
Daar ging de deur nogmaals open en een onder-officier van de Iersche
garde meldde met luider stemme:
„De lord-mayor van Londen, lord Abercron”.
Deze trad binnen met een vriendelijk „goeden avond”, klopte toen
Raffles eens joviaal op den schouder en zei:
„Goeden avond, waarde lord. Ik zie, dat ze u een paar ijzeren
handschoenen hebben aangetrokken.”
„Ja”, lachte Raffles, „aan beleefdheid heeft het mij hier niet
ontbroken.”
Als een bliksemstraal troffen deze woorden al de omstanders en hun
verbazing kende geen grenzen, toen Abercron gelastte:
„Neem den lord de handboeien af!”
Marholm haastte zich, het bevel op te volgen.
„En doe dien heer de boeien aan”, beval de lord-mayor en hij wees naar
mr. Pigott.
Deze brulde als een stier, toen hij die woorden hoorde en stevig werd
beetgepakt.
In een oogwenk was hij geboeid.
„Ga met uw beambten”, beval thans de lord-mayor, „naar de villa van
dezen man, waarheen ge hem moet meenemen. Lord Lister zal in dit proces
optreden als getuige en als zoodanig staat hij ook onder de speciale
bescherming van de Kroon. Ge moogt hem dus niet het minste aandoen.”
Baxter en alle detectives bogen diep en de heele stoet van Scotland
Yard, met mr. Pigott in hun midden, trok erop uit, terwijl zich nog
eenige doktoren bij hen hadden gevoegd. Zoo trok men, met lord Lister
aan het hoofd, naar de villa in Regent-Park.
Marholm, die naast den geboeiden Pigott in de auto zat, merkte op, dat
deze, toen men voor zijn villa was aangekomen, eensklaps een luiden
schreeuw wilde slaken om zijn medeplichtigen te waarschuwen. Maar dit
geschiedde niet, want toen Marholm zag, wat Pigott wilde beginnen,
drukte hij hem bliksemsnel de hand op den mond en de schreeuw werd
gesmoord. Zijn hand nam Marholm eerst weer weg, toen de deur der villa
geopend was.
Jackson stond op den drempel en te laat zag deze, dat men gesnapt was,
want reeds werd hij gegrepen en geboeid.
Het viel nu niet zoo heel moeilijk om ook de derde medeplichtige en het
wijf te arresteeren. Lord Lister ging nu de anderen voor naar den
kelder. Het gelukte hem nu al heel spoedig om de geheime deur te
openen, waarvan hij het mechanisme kende, en de heeren belandden dus
vrij spoedig in de kelderruimte, waar zich zulke afgrijzelijke
tooneelen voor hun oogen afspeelden, dat zij meenden in de hel te zijn
verplaatst.
Uit vieze, vuile hokken, op hoopen stroo, dat maanden lang reeds lag te
rotten en waarin het ongedierte hoogtij vierde, haalden de doctoren
schepseltjes te voorschijn, die men op de meest wreedaardige wijze
kunstmatig had verminkt.
Het waren kinderen, jongens en meisjes tot drie-jarigen leeftijd, die
men alle opzettelijk verminkt en van hun ledematen beroofd had. Met
gloeiende ijzers werden de stompen afgebrand en dan weer zoo goed en
zoo kwaad als het ging genezen. Bleef het ongelukkige kind leven dan
werd het, zooals wij dat bij Raffles en mr. Thomson zagen, verkocht aan
den een of anderen bedelaar uit Londen, stierf het, tengevolge van de
vreeselijke pijnen, dan werd het in een onderaardschen put geworpen. De
aanwezige doctoren bemoeiden zich terstond met de arme stumperdjes en
lieten ze naar de ziekenhuizen brengen.
Uit het onderaardsche kerkhof haalden de doktoren zeventig geraamten of
in verregaanden staat van ontbinding verkeerende lijkjes te voorschijn.
Verscheiden detectives vielen flauw, toen zij al die ellende zagen en
Raffles beweerde, dat hij zelfs niet op de slagvelden van Egypte of
Zuid-Afrika zulke vreeselijke tooneelen had bijgewoond als de aanblik
gaf van deze onschuldig vermoorde wezentjes.
Terwijl de doktoren en eenige detectives den kelder ontruimden, begaven
de lord-mayor en Raffles zich naar de slaapkamer van mr. Pigott, die
zij doorzochten. In een jaszak van den millionnair vonden zij de krant,
waarin de arme naaister Mary Grant haar zoontje te koop aanbood. Deze
advertentie had Pigott met blauw potlood aangehaald.
Raffles nam deze krant en verzocht toen den lord-mayor en Baxter om hem
te volgen naar de naastbij gelegen woning.
Charly Brand, die met het grootste ongeduld wachtte op de terugkomst
van lord Lister en in de grootste zenuwachtigheid verkeerde, schrikte
niet weinig, toen hij plotseling de huisbel hoorde overgaan en vreemde
stemmen vernam. Hij was op het punt om zich opnieuw te verbergen in den
door Raffles aangeduiden schuilhoek, toen hij lord Lister’s stem
hoorde, die zei:
„Hierheen, heeren, deze trap op!”
Eenige minuten later werd de deur geopend en lord Lister trad binnen,
vergezeld van lord Abercron en detective Marholm.
Vol verbazing en bewondering keek lord Abercron om zich heen. Dat was
dus het veel beruchte dievenhol, waar het zoo echt gezellig en
gemakkelijk uitzag.
Maar Raffles liet hem niet al te lang den tijd. Hij bracht hem naar de
slaapkamer en toonde hem daar het blonde knaapje. Rustig sluimerde het
kind, en een lachje speelde om zijn lippen.
„Hier is de kleine,” zei Raffles, „dien ik den schurk heb ontstolen en
bovendien—hij wendde zich tot Charly Brand—heb ik dien man voor 60,000
pond sterling beroofd, die ik thans aan u overdraag met het vriendelijk
verzoek, deze geldsom te besteden in het belang van de ongelukkige
slachtoffers, de verminkte kinderen.”
Hij liet Charly de geldsom uitbetalen.
Lord Abercron nam het geld, keek er eenige seconden naar en toen keek
hij naar Raffles. Daarop reikte hij dezen de hand en zei:
„Ik benijd u om uw sport, lord Lister en, te oordeelen naar het
resultaat, dat ge mij vandaag van uw werken hebt gegeven, zou ik
wenschen een Raffles te zijn.”— —
Daarmee gaf hij hem nogmaals de hand.
„Ik moet gaan, het is al laat geworden!”
„Toch nog niet te laat om iemand groote vreugde te bereiden. Ik zal de
moeder van dit kind gaan opzoeken en haar het knaapje terugbrengen.”
„Ik zal voor moeder en kind zorgen,” zei lord Abercron. „Kom morgen bij
mij en zeg mij, wat ik doen kan.”
Lord Lister boog.
„Staat ge mij toe,” vroeg hij, „dat ik u nog één verlangen van mij
kenbaar maak?”
„En dat is?”
„Ik heb hier in huis nog een paar uitstekende touwen. Ik geloof, dat
inspecteur Baxter ze indertijd heeft gekocht bij een touwslager, met de
bedoeling om er mij aan op te hangen en ze hier thuis heeft
achtergelaten. Dat voornemen van Baxter is tot nog toe niet ten uitvoer
gebracht. Zoudt gij die touwen misschien willen meenemen als geschenk
van mij voor mr. Pigott en zijn collega’s?”—
Lord Abercron lachte. Het was zijn eerste glimlach op dezen avond en
ook detective Marholm lachte, toen lord Lister een verwarde kluwen touw
te voorschijn haalde.
Hij gaf ze den lord-mayor van Londen met de woorden:
„Een echte Rafflesstrop voor Pigott en zijn medeplichtigen.”