BIJ DEN LORD-MAYOR.

Voor het huis van den lord-mayor van Londen liepen twee schildwachten

der Iersche garde op en neer.

De groote berenmutsen hadden zij wegens de koude iets dieper dan

gewoonlijk over de oogen getrokken en zij surveilleerden bijna in

looppas.

Plotseling bleef een van hen staan en riep:

„Halt!”

Twee heeren in elegante pelsjassen stonden voor hen en verlangden te

worden binnengelaten.

Het waren lord Lister en Charly Brand.

„Wij wenschen den lord-mayor te spreken,” zei Raffles.

„Voor zaken of particulier?”

„Voor zaken”, antwoordde Raffles.

„De werkuren van den lord-mayor zijn om vijf uur des middags

afgeloopen”, antwoordde de schildwacht.

„Dien mij dan als particulier aan”, zei de lord.

„Ook dat is onmogelijk”, zei de schildwacht, „de lord ontvangt vandaag

niet, omdat hij nog te werken heeft.”

„Het is goed”, zei lord Lister, en hij ging met Charly Brand verder.

Aan den overkant der straat bleef hij staan en keek eens naar het

groote gebouw, waarin de lord-mayor van Londen woonde en een licht op

de eerste verdieping verried Raffles de kamer, waar naar alle

waarschijnlijkheid de lord-mayor zat te werken.

Eenige oogenblikken later zei hij tot Charly Brand:

„Ga jij nu naar huis, mijn jongen! Goeden nacht!”

„En wat ben jij van plan?” vroeg Charly Brand.

„Ik wil den lord-mayor van Londen spreken.”

„Maar dat is toch niet mogelijk naar je gehoord hebt.”

„Niets is onmogelijk.”

Hij reikte Charly Brand nog eens de hand en deze zag, hoe Lister met

elastischen tred over het plaveisel liep, een lucifer aanstak en

daarmee een sigaret ontgloeide.

Daarna zag Charly, dat hij het huis van den lord-mayor voorbijging en

daarna het huis er naast binnentrad.

Charly ging heen. Hij kon maar niet begrijpen, wat Raffles daar in dat

gebouw had te zoeken.— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

Lord Abercron, lord-mayor van Londen, zat met zijn secretaris in zijn

studeerkamer te werken. Hij was verdiept in de stukken, die voor hem

lagen, zoodat hij er niet op lette, toen zijn kamerdeur werd geopend en

eerst verschrikt opkeek, toen zijn secretaris plotseling opsprong en

met luider stem uitriep:

„Wie zijt ge, wat wilt ge?”

Lord Abercron stond eveneens op en keek naar de deur.

Daar stond de slanke gestalte van een vreemdeling, het type van een

gentleman.

„Wat verlangt ge?” vroeg Abercron, „en hoe is het mogelijk, dat men u

heeft binnengelaten?”

De vreemdeling naderde en zei:

„Pardon. Maar als ik den koning wensch te spreken, dan ook word ik

toegelaten. Ik kom overal binnen, waar ik wil en geen wacht of beambte

kan mij daarin den weg versperren.”

Deze woorden bezorgden lord Abercron een lichte rilling.—„Was dat een

gek of een spook?”

„Ik begrijp u niet,” sprak hij, „maar daar ik het bewijs van uwe

bewering voor mij zie, wilt ge zeker wel de goedheid hebben, mij nader

te verklaren, wien ik de eer heb te spreken.”

De vreemdeling boog met een vriendelijk lachje en zei:

„Mijn naam is John C. Raffles.”

De lord-mayor en zijn secretaris vlogen van schrik achteruit. Een

bovenaardsche verschijning had op hen geen schrikkelijker uitwerking

kunnen hebben.

De lord kreeg het eerst zijn tegenwoordigheid van geest terug en zei:

„Schertst ge of wat praat ge anders voor onzin?”

„Geen onzin,” antwoordde Raffles, „of denkt ge, dat ik voor mijn

pleizier over de daken naar hier ben geklauterd?”

„Over de daken?” herhaalde lord Abercron.

„Ja,” antwoordde Raffles, „ik ben van hiernaast bij u overgesprongen.

Dat was een heele waaghalzerij.”

„Als ge geen slechte bedoeling hebt,” sprak Abercron, „al zijt ge ook

de veelbesproken Raffles, waarom komt ge dan midden in den nacht bij

mij?”

„Omdat mijn boodschap geen uitstel kan lijden,” antwoordde de Groote

Onbekende, „ik kom om met de hulp van uwe lordschap het vreeselijke

lijden van ongelukkige schepsels te verzachten. Ik kom zelfs, op gevaar

af, dat ge mij laat arresteeren en in de gevangenis werpen.”

Nu keek lord Abercron in gespannen aandacht naar Raffles en zich

herinnerend dat lord Lister, voordat hij zich aan de inbrekerssport

wijdde, zijn standgenoot was, zei hij:

„Ga zitten, lord Lister. Het moet wel een belangrijk iets zijn, dat u

er toe drijft, u te wagen in het hol van den leeuw.— —Zal ik mijn

secretaris wegzenden?”

„Dat laat ik geheel aan u over, sta mij toe, dat ik u thans mijn

verhaal doe.”

Lord Lister No. 0018: Het geheim van de verminkte kinderen · 第 18 / 19 题