Hij wierp een blik vol gloeienden haat op den slaper en fluisterde:
„Het zou maar het beste zijn om jou en je medeplichtigen de keel af te
snijden, maar ik wensch in dit geval den rechter niet voor te zijn.”
Zachtjes sloot hij de slaapkamer en sloop naar de lagere verdieping,
waar hij een venster opende, naar beneden in den tuin sprong en
verdween.
Het begon reeds te dagen, toen Raffles in zijn kamer terugkwam waar
zijn secretaris hem wachtte.
Verschrikt sprong Charly Brand op toen zijn vriend, nadat deze het
zwarte pak had uitgetrokken, met verstoord gelaat voor den haard ging
zitten en zei:
„Geef me een glas whisky, Charly, ik heb afschuwelijke dingen beleefd.”
Zijn secretaris gaf hem het gevraagde en haastig dronk Raffles, geheel
tegen zijn gewoonte, twee glazen whisky achter elkander leeg. Daarna
stak hij een sigaret aan en bleef, in diep gepeins verzonken, minuten
lang voor zich uitstaren.
„Wat is je overkomen?” Aldus verbrak Charly Brand de stilte.
Lord Lister opende een grooten zijden zak, waarin hij de brillanten en
het geld had meegenomen en antwoordde:
„Ik geef jou de ringen cadeau, die Pigott gisteravond voor je oogen
heeft laten schitteren. Verder heb ik hier ongeveer zestigduizend pond
sterling en ik verzoek je, dit geld eveneens te nemen op een klein
gedeelte na, dat ik zelf moet gebruiken. Het zou kunnen zijn beste
Charly, dat men mij in een der volgende dagen in Scotland Yard
vastzet.”
Charly Brand staarde zijn meester verschrikt aan, die de laatste
woorden had geuit met een eigenaardigen glimlach en die zijn sigaret
zoo kalm rookte, alsof hij vertelde, dat hij een eindje ging wandelen.
De groote onbekende haalde nu uit de tasch een klein zwart boekje te
voorschijn en begon daarin te bladeren.
„Merkwaardig”, fluisterde hij, „wat zouden die namen toch wel
beteekenen. Namen, waarbij niets verder is aangeteekend, dan een zekere
som. Namen, die geen stand en geen woonplaats verraden. Dat is een
vraagstuk, voor mijn beroemden collega Sherlock Holmes om op te lossen.
En wat beteekenen die cijfers achter de namen? Willen die zeggen, dat
den lieden zoo en zooveel is betaald of dat zij deze som gestort
hebben. En hoe heeft dit alles iets te maken, met dat wat ik zag?”
Toen lord Lister eindelijk zweeg vroeg Charly Brand:
„Zou je me niet willen vertellen wat je zoo bezig houdt?”
„Neen, my boy. Ik wil jou hersens niet pijnigen met het vreeselijke dat
mij thans bezig houdt.”
„Wil je me dan misschien vertellen wat die woorden beteekenen,
betreffende je gevangenneming in Scotland Yard?”
„Ook daarover kan ik je thans geen inlichtingen geven beste Charly,
maar misschien morgen reeds. En laat me nu een paar minuten nadenken.”
Bijna een uur zat lord Lister bij den haard in diep gepeins verzonken.
Hij rookte daarbij wel een half dozijn cigaretten en scheen eindelijk
gevonden te hebben wat hij zocht.
Hij stond op en zei:
„Ik ga een half uurtje rusten en dan een bad nemen. Wil je er voor
zorgen dat tegen dien tijd het ontbijt gereed is. Na het ontbijt ga ik
uit.”
Hij verdween in zijn slaapkamer en liet Charly Brand alleen, die nu de
kostbare steenen uit de gouden ringen ging breken en in een taschje
deed, dat hij in zijn borstzak droeg. Toen smolt hij de gouden ringen
in een kleine smeltkroes samen, die hij electrisch verhitte. Daarna
telde hij de banknoten na, stak ze in een portefeuille en deed ook het
goud in het taschje.
Intusschen was Raffles uitgerust en Charly Brand hoorde dat hij naar de
badkamer was gegaan.
De secretaris liet nu het ontbijt door den ouden dienaar opzetten en
juist toen het gereed stond kwam Lister weer binnen, wenschte Charly
goeden morgen en begon met benijdenswaardigen eetlust te ontbijten.
Hierna verdween hij in zijn kleedkamer en bleef daar wel een uur
vertoeven. Charly Brand las intusschen de ochtendbladen en vermaakte
zich met een bericht waarin gezegd werd dat het de redactie speet dat
men niets nieuws kon meedeelen over den Grooten Onbekende en dat deze
zich naar alle waarschijnlijkheid wel op reis had begeven om zich wat
te ontspannen.
Charly Brand had de courant nog niet uit toen zijn vriend weer
binnentrad. Verschrikt sprong de secretaris op. Hij meende een vreemde
voor zich te zien, een oude verwaarloosde bedelaar uit het donkerste
Londen, in lompen gehuld en met afzichtelijk uiterlijk, het type van
een mensch, die in het vuilste slopje in een krot vol ongedierte woont
of die gelukkig is, als hij kan overnachten in het tehuis voor
dakloozen. In zoo’n creatuur had Raffles zich vermomd.
„Ik zal nog een sigaret in je gezelschap rooken, my boy, en dan ga ik
op weg om te trachten het afschuwelijke geheim van dien Pigott op te
lossen. Je kunt tijdens mijn afwezigheid dit huis als het jouwe
beschouwen. Als er gevaar mocht dreigen en de politie huiszoeking doet
heb ik hier een kleine schuilplaats klaar gemaakt waarin je zeker bent
voor elken detective.”
Hij bracht Charly Brand naar een dubbele deur en wees hem, hoe achter
het beschot een geheime veer zat waarop gedrukt moest worden. Dan kwam
een opening te voorschijn die zoo groot was, dat een mensch er
gemakkelijk in staan kon.
De lord sloot de opening weer en zei:
„In deze schuilplaats zal geen mensch je zoeken. Uit de couranten zal
je wel hooren waar ik ben. Laat overigens maar alles aan mij over en
bekommer je om niets.”
Hij reikte zijn secretaris de hand en als deze niet geweten had, dat
dit de hand van zijn vriend en meester was, dan zou hij er voor gerild
hebben deze vieze, met een laag vuil bedekte hand aan te raken. En toch
zat onder dit vuil de slanke voorname, aristocratische hand van Raffles
verborgen.
Charly Brand geleidde zijn vriend tot aan de huisdeur, en keek hem nog
eenige minuten na, totdat hij verdween in den nevel, die Londen zoo
dikwijls in den vroegen morgen geheel bedekt.