RAFFLES AAN HET WERK.

In de prachtig gemeubelde eetkamer van den millionnair Pigott zat deze

met zijn beide bedienden en een bejaarde vrouw met afzichtig uiterlijk

aan tafel. Er heerschte een uitgelaten stemming.

„Hahaha” lachte de millionnair met vette stem, „die kerel hebben we er

goed van langs gegeven.”

„Het had voor ons wel eens slecht kunnen afloopen,” antwoordde een der

bedienden. „Wij moeten er op passen, dat we niet weer visite ontvangen

van iemand, die wel eens in deze zaak zou kunnen neuzen!”

„Daar moeten we zeker voor oppassen”, antwoordde Pigott, „we zijn

verloren als ons zaakje door iemand wordt ontdekt.”

„Proost”, riep het leelijke wijf, dat tegenover Pigott zat, „niemand

zal ooit iets ontdekken. Welke spitsboef zou er ooit aan denken om in

den kelder van een huis naar rijkdommen te zoeken? Ons zaakje bloeit

veilig in ’t verborgen.”

„Ha!”, lachte Pigott, „wie zou ons nu iets kunnen bewijzen. Ik sta

bekend als een weldoener en als de politie op het dozijn verminkte

kinderen, die wij in den kelder verplegen, opmerkzaam gemaakt zou

worden, dan zou ik ze vertellen, dat ik die arme schepseltjes uit

louter menschlievendheid opvoed.”

„Leve de weldoener”, krijschte het wijf, haar wijnglas opnieuw vullend

en de anderen tot drinken aanmoedigend.

In hun uitgelaten stemming sloegen zij er geen acht op, dat een zwarte

schaduw geluidloos achter de portière van de deur gleed.

Het was John Raffles, die door een openstaand venster onbemerkt was

binnengeklommen en nu het gesprek afluisterde.

Terstond begreep de Groote Onbekende, dat hij zich niet vergist had en

dat de zoogenaamde bedienden niet anders waren dan de medeplichtigen

van een schurk. Hij was er nog niet achter gekomen, welke misdaden hier

werden bedreven en waarom de millionnair die verminkte kinderen in den

kelder hield opgesloten. Hij moest zich naar het verblijf onder de

straat begeven om daar ter plaatse zijn onderzoekingen voort te zetten.

Geruischloos sloop hij weg en ging langs de spaarzaam verlichte trappen

naar den kelder. Een ijzeren deur sloot de benedenwoning van het

overige gedeelte af. Tevergeefs zocht Raffles naar een slot; er was

niets dergelijks te ontdekken en toch moest de deur geopend kunnen

worden.

Lord Lister wendde al het mogelijke aan doch de zware deur week niet.

Hij besloot toen van buitenaf door het keldervenster zijn weg te

zoeken. Toen hij echter langs de trappen naar boven wilde terugkeeren,

hoorde hij, dat het wijf met een der bedienden van boven kwam. Hij

moest het tweetal dus ontmoeten. De trap was, zooals gezegd, slechts

matig verlicht en in het halfdonker smeedde Raffles een plan. Zijn

elasticiteit stelde hem in staat vier trappen te gelijk op te gaan en

als een bliksemstraal vloog hij langs het tweetal. In het volgend

oogenblik reeds was hij verdwenen.

De oude begon luidkeels te gillen en greep in doodsangst den arm van

den knecht beet.

„Wat was dat José?” riep zij uit, „heb je dat spook gezien, dat ons

voorbijvloog?”

„Och, je bent dronken, Mary en ik zal ook te veel brandy gedronken

hebben. We hebben ons vergist, het was onze eigen schaduw, die het

licht van boven afwierp.”

„Neen, neen, het was geen vergissing, het was een spook, want het

stootte mij op zij, ’t was de zwart verbrande duivel.”

„Je bent zóó dronken, Mary, dat je de maan houdt voor een

zonsverduistering. Maar ga nu mee aan ’t werk.”

Het wijf liep met knikkende knieën de trappen af en toen zij onder aan

de deur stond en naar boven keek, gilde zij opnieuw ut doodsangst en

riep uit:

„Daar is het weer, José.”

De bediende keek achter zich, maar hij kon niets ontdekken, want

Raffles, die een oogenblik over de trapleuning had gezien, had zich

bliksemsnel teruggetrokken.

„Als je nog eens zoo schreeuwt, Mary, dat iemand hooren en zien

vergaat, dan word ik grof tegen je. Ik zal het zeker aan mr. Pigott

vertellen, opdat hij je ’s avonds geen brandy meer geeft.”

John Raffles keek opnieuw heel voorzichtig over de trapleuning en zag

nu, hoe José op een knop drukte, die op een trede was aangebracht en

die naar een electrische geleiding voerde, waardoor de deur geopend

werd.

Toen José dat had gedaan, zakte de ijzeren deur in den grond en werd

een tweede deur zichtbaar, die het wijf met een sleutel opende.

Zij kwamen nu in een donkere gang. Raffles zag, hoe zij de deur sloten

en toen verrees ook weer de ijzeren deur uit den bodem en sloot zich

weer op dezelfde plaats.

Geruischloos vloog de Groote Onbekende nu weer naar beneden en

probeerde voorzichtig de deur te openen.

Zonderling!

Hoewel hij den knop neerdrukte, scheen de electrische geleiding niet te

werken en bleef de deur boven. Na verscheiden vergeefsche pogingen kwam

hij tot de conclusie dat het onmogelijk was, zich toegang te

verschaffen, daar het tweetal aan den anderen kant de batterij had

uitgeschakeld. Hij moest dus probeeren om van buiten af zich toegang te

verschaffen tot de kelderruimte.

Ongemerkt verliet hij het huis en sloop er omheen, maar hij zocht

tevergeefs naar een keldervenster. De openingen, die vroeger daarvoor

hadden bestaan, waren toegemetseld. Raffles begreep dit uit de nieuwe

kalk, die in de openingen was gesmeerd en begreep, dat deze maatregel

was genomen om een misdaad voor de wereld te verbergen.

Uit zijn tasch nam hij nu eenige instrumenten en zette een draaiboor op

de toegemetselde plaats en als een vlijmscherpe diamant vloog het staal

door de kalk alsof dit weeke boter was. Hij had eenigen tijd noodig,

voordat de boor het werk gedaan had en nu kon John Raffles door een

kleine opening in het keldergewelf zien. Hij ontdekte een zwak

lichtschijnsel. De misdaden werden naar alle waarschijnlijkheid in een

ander gedeelte bedreven.

Een walgelijke lucht kwam Raffles door de kleine opening tegemoet. In

een lijkenkelder kon de lucht niet verpestender zijn.

Nu hoorde hij duidelijk de stem van het wijf:

„Breng de blaag hier, José, ik kan daar zoo slecht zien en bij het

uitsteken van de oogen komt het er precies op aan, anders krepeert het

wurm dadelijk!”

Als door een adder gestoken tuimelde lord Lister achteruit.

Wat voerde dat wijf daar uit. Hij kon zich het vreeselijke niet

voorstellen. Zijn zoo algemeen bekende koelbloedigheid liet hem in den

steek, toen hij er aan dacht, dat men op slechts eenige meters afstand

van hem verwijderd een kind het beste ontnam, dat het bezat, het licht

der oogen.

Hij spande zich nu opnieuw in om door de kleine opening in het

keldergewelf te kunnen zien en nu ontwaarde hij duidelijk het wijf en

den bediende, die José genoemd werd en die een kind, in lompen gehuld,

en hoogstens één jaar oud, op den arm droeg.

„Houd het hoofd vast,” riep het wijf, „het wurm verzet zich!”

Het hart stond Raffles bijna stil. Wat daar gebeurde was te erg.

Het wijf maakte in een lamp, die zij in de hand hield, een breinaald

gloeiend en stak het kind de oogen uit.

Bijna gelijktijdig met het kind stiet John Raffles, de man met de

stalen zenuwen, een kreet van ontzetting uit en deinsde hij terug,

alsof hij zelf de gloeiende breinaald in zijn gelaat had gevoeld.

John Raffles dacht eenige seconden na.

Dat was wel het vreeselijkste, wat hij ooit beleefd had. Wat zou hij

doen? De politie waarschuwen? Die zou Pigott niets kunnen bewijzen,

want hij zou doodgewoon verklaren, dat hij de ongelukkige, verminkte

kinderen alleen uit weldadigheid had opgenomen.

Zijn kreet moest in huis zijn gehoord, want op de eerste etage werd een

venster geopend en Pigott’s tronie verscheen naast dat van den tweeden

bediende.

„Ik heb al zoo vaak gezegd,” hoorde de Groote Onbekende de stem van

Pigott, „dat wij honden moeten houden.”

Voor de eerste maal vervloekte Raffles zijn baantje. Als hij nog lord

Lister was geweest, zou een enkel woord van hem voldoende zijn geweest

om dit misdadigersnest uit te roeien.

Maar nu?

Men zou hem niet gelooven en hem bovendien arresteeren. Maar

desondanks—de misdaad was zoo vreeselijk en het lijden der onbekende

slachtoffers zoo afschuwelijk, dat hij besloot, als hij zijn doel niet

bereikte, om de misdadigers te straffen, naar den eersten den besten

rechter te gaan en daar te vertellen, wat er in de villa geschiedde, al

zou men hem ook arresteeren. Voor alles echter besloot hij persoonlijk

naar Pigott toe te gaan.

Opnieuw sloop hij het huis binnen en verborg zich in den salon, daar

Pigott nog niet naar zijn slaapkamer was gegaan. Bijna twee uren bleef

hij er achter een gordijn verborgen staan, totdat in huis allen zich

ter ruste hadden begeven. Toen kwam hij te voorschijn.

De slaapkamer van den millionnair lag op de bovenste verdieping en met

groote handigheid gelukte het Raffles, de sloten geruischloos te openen

en binnen te treden.

In de kamer brandde een blauwachtig licht, dat een spookachtig

schijnsel over het vertrek wierp. In een kostbaar bed sliep de

millionnair en aan het hoofdeinde van de legerstede zag Raffles een in

den muur gemetselde geldkast. Met een tevreden lachje op zijn gelaat

lag de halfdronken deugniet in de zijden dekens, terwijl in zijn

onmiddellijke nabijheid onschuldige kinderen de ondragelijkste smarten

verduurden. Nog wist de Groote Onbekende niet, waarom die kinderen

verminkt werden; hij moest het geheim oplossen, voordat de millionnair

zijn rechtmatige straf kreeg.

Lord Lister opende nu het taschje, nam daaruit een stuk verbandgaas en

drenkte dit met chloroform. Daarna legde hij het verdoovingsmiddel op

het gelaat van den slapende, waardoor van dezen mond en neus werden

bedekt.

Aandachtig luisterde Raffles naar de ademhaling van den slapende om te

hooren, wanneer deze onder narcose zich bevond. Toen hij er zich van

overtuigd had, dat Pigott onder zware verdooving lag, nam hij hem het

gaas van het gelaat en wierp het op het tapijt. Hij trok na verscheiden

diamanten ringen van de vingers van den slapende en ging daarop voor de

geldkast, die hij met zijn loopers opende. Een bedrag van 60,000 pond

sterling in bankpapier en goud viel hem in handen, maar tevergeefs

doorzocht hij de brandkast om papieren te vinden, die eenige

opheldering konden geven over die ontzettende misdaden.

Slechts een klein briefje viel hem in handen, waarin eenige honderden

namen waren genoteerd en achter deze namen stonden sommen van 1000–2000

pond vermeld. Ook dit briefje nam de Groote Onbekende met zich mee.

Toen ging hij naar een klein tafeltje, dat voor het bed stond, nam een

blad papier, pen en inkt en schreef:

„Mr. Pigott, ge zijt de grootste schurk, die er op aarde rondloopt.

Ik ben u op het spoor. Neem u in acht.

Lord Lister No. 0018: Het geheim van de verminkte kinderen · 第 6 / 19 题