XXXV.

Geschiedenis van Joe.--Het eiland der Biddiomahs.--De

aanbidding.--Het verzwolgen eiland.--De oever van het meer.--De

slangenboom.--Voetreis.--Lijden.--Muskieten en mieren.--De

honger.--Voorbijgang van den Victoria.--Verdwijning van den

Victoria.--Wanhoop.--Het moeras.--Een laatste kreet.

Wat was er van Joe geworden gedurende de vergeefsche nasporingen

van zijn meester? Toen hij zich in het meer had geworpen was zijne

eerste beweging, nadat hij op de oppervlakte was gekomen, de oogen

omhoog te slaan; hij zag den Victoria, reeds zeer hoog boven het

meer, snel stijgen, langzamerhand kleiner worden en eindelijk door

een snellen luchtstroom medegevoerd in het noorden verdwijnen. Zijn

meester, zijne vrienden waren gered.--"Het is gelukkig," zeide hij

tot zich zelven, "dat ik het denkbeeld heb gehad mij in het meer

Tchad te werpen, het zou zeker ook bij mijnheer Kennedy opgekomen

zijn en hij zou zeker niet geaarzeld hebben te doen zoo als ik, want

het is zeer natuurlijk dat één mensch zich opoffert om twee anderen

te redden." Hieromtrent gerustgesteld, begon Joe om zich zelven

te denken; hij was in een onmetelijk meer, omringd door onbekende

volkeren waarschijnlijk woeste stammen. Dit was eene reden te meer

om zich uit de verlegenheid te redden door slechts op zich zelven

te rekenen, hij maakte zich dus niet beangst. Voor den aanval der

roofvogels, die volgens hem zich als ware condors hadden gedragen,

had hij een eiland aan den horizon gezien; hij besloot dus zich

daarheen te richten en al zijne zwemkunst in het werk te stellen, na

zich van de kleederen ontdaan te hebben die hem het meest hinderden;

eene wandeling van vijf of zes mijlen hinderde hem niet, daarom dacht

hij, zoolang hij in het volle meer was, nergens anders aan dan om te

zwemmen. Na een anderhalf uur was de afstand die hem van het eiland

scheidde, zeer verminderd. Maar naarmate hij het land naderde, maakte

zich eene eerst vluchtige, daarna ernstige gedachte van zijn geest

meester. Hij wist dat de oevers van het meer bezocht werden door

ontzaglijke alligators, hij kende de vraatzucht dezer dieren. Hoe

natuurlijk hij ook alles in deze wereld mocht vinden, gevoelde de

waardige jongen zich echter levendig ontroerd; hij vreesde dat het

blanke vleesch bijzonder naar den smaak der krokodillen zou zijn en

ging dus slechts met de grootste voorzorgen voorwaarts, steeds een oog

in het zeil houdende. Hij was slechts honderd vademen verwijderd van

het met groene boomen overschaduwde strand, toen een sterke lucht van

muskus zijne reukzenuwen aandeed. "Mooi!" zeide hij bij zichzelven,

"dat is het juist wat ik vreesde, de kaaiman is niet ver meer." En hij

dompelde zich snel onder, maar niet spoedig genoeg om de aanraking

van een groot lichaam te ontgaan, wiens schubbige huid hem in het

voorbijgaan schampte. Hij achtte zich verloren en begon met wanhopige

snelheid te zwemmen; hij kwam boven water om adem te halen en verdween

weder. Daar stond hij een kwartier lang een onuitsprekelijken angst

uit, dien hij met al zijne koelbloedigheid niet kon verdrijven; hij

meende achter zich het geluid te hooren van dien grooten muil gereed

om hem te verslinden. Nu zwom hij, zoo stil mogelijk, onder water, toen

hij zich eerst bij een arm, vervolgens om zijn middel voelde grijpen.

Arme Joe! hij dacht voor de laatste maal aan zijn meester en begon

wanhopig te worstelen, daar hij zich niet naar den bodem van het

meer voelde trekken, zooals de krokodillen doen om hunne prooi te

verslinden, maar naar de oppervlakte. Nauwelijks had hij kunnen

ademhalen en de oogen openen, of hij zag zich tusschen twee negers,

zwart als ebbenhout, die hem stevig vasthielden en vreemde kreten

slaakten.--"Welnu, komaan!" riep Joe uit, "negers in plaats van

kaaimans! Ik heb dit waarachtig liever! Maar hoe durven die kerels zich

hier baden?" Joe wist niet dat de inwoners van de eilanden van het

meer Tchad, even als vele negers, straffeloos zich baden in wateren

waar zich alligators bevinden, zonder zich om hunne tegenwoordigheid

te bekommeren; de tweeslachtige dieren van dit meer staan algemeen

bekend als onschadelijk. Was Joe dus nu het eene gevaar ontkomen, om

in het andere te vervallen? Dit liet hij aan de toekomst over, en daar

hij niet anders kon doen, liet hij zich zonder eenige vrees te toonen

naar den oever slepen.--"Klaarblijkelijk," zeide hij in zich zelven,

"hebben deze menschen den Victoria over de wateren van het meer zien

gaan even als een monster uit de lucht, en zij moeten eerbied hebben

voor een man, die uit den hemel is gevallen. Laat hen dus begaan!"

Tot zoover was Joe met zijne overdenkingen gevorderd, toen hij

aan land stapte te midden eener huilende menigte van beide seksen

en allerlei leeftijd, maar niet van alle kleuren; hij bevond zich

onder een stam van Biddiomahs van een prachtig zwarte kleur. Hij

behoefde zelfs niet te blozen over de luchtigheid zijner kleeding,

hij was naar de laatste mode van het land "ontkleed." Maar, voordat

hij den tijd had om zich van zijn toestand rekenschap te geven, kon

hij zich niet vergissen in de aanbidding waarvan hij het voorwerp

werd. Dit stelde hem gerust, hoewel de geschiedenis van Kazeh [52]

hem in het geheugen kwam. "Ik heb een voorgevoel dat ik weder een

god, de een of andere Zoon der Maan zal worden! Welnu, dit ambacht is

even goed als een ander, als men geene keus heeft. Het voornaamste is

tijd te winnen. Als de Victoria weder voorbijkomt, zal ik van mijne

nieuwe positie gebruik maken om aan mijne aanbidders het schouwspel

te geven van eene wonderbare hemelvaart." Terwijl Joe aldus nadacht,

verdrong de menigte zich rondom hem, zij viel op de knieën, huilde,

betastte hem en werd zeer gemeenzaam, maar zij was ook zoo goed hem een

prachtig gastmaal aan te bieden, bestaande uit zure melk met gepelde

rijst en honig. De waardige jongen, zich in alles schikkende, deed een

der beste malen van zijn leven en gaf aan het volk een hoog denkbeeld

van de wijze, waarop de goden bij plechtige gelegenheden eten.

Toen de avond gekomen was, namen de toovenaars van het eiland hem

eerbiedig bij de handen en geleidden hem naar eene soort van hut,

door talismans omringd; voordat hij er binnen ging, sloeg Joe een

onrustigen blik op de hoopen beenderen, die rondom dit heiligdom lagen;

overigens had hij al den tijd om over zijn toestand na te denken toen

hij in zijne hut was opgesloten. Gedurende den avond en een gedeelte

van den nacht hoorde hij feestzangen, het geluid van eene soort van

trom en een geraas van ijzer, dat zeer aangenaam is voor afrikaansche

ooren; huilende koren begeleidden eindelooze dansen van de negers, die

de heilige hut met hunne lichaamsverdraaiingen en grimassen omringden.

Joe kon dit waarnemen door de muren van slijk en riet; misschien

zou hij, in andere omstandigheden groot behagen hebben geschept in

deze vreemde plechtigheden, maar eene onaangename gedachte bekroop

hem weldra. Hoewel alles van de goede zijde beschouwende, vond hij

het toch droevig in dit wilde land en bij dergelijke stammen te

zijn. Weinige reizigers, die zich in deze streken hadden gewaagd,

hadden hun vaderland wedergezien. Kon hij zich wel verlaten op de

aanbidding waarvan hij het voorwerp was! Hij had goede redenen om

aan de ijdelheid van aardsche grootheid te gelooven. Hij vroeg

zich af, of de aanbidding in dit land niet zoover ging dat men

den aangebedene opat! Ondanks dit onaangenaam vooruitzicht en na

eenige uren van overdenking, kreeg de vermoeienis de overhand over

de akelige gedachten en Joe viel in een diepen slaap, die zonder

twijfel tot aan het krieken van den dag zou hebben geduurd, als eene

onverwachte vochtigheid den slaper niet had wakker gemaakt. Weldra

werd dit vocht water, dat zoo hoog steeg, dat Joe tot aan zijn

midden daarin stond. "Wat is dat?" zeide hij, "eene overstrooming,

eene hoos, eene nieuwe marteling der negers! Waarachtig, ik zal niet

wachten totdat het mij aan den hals komt." Dit zeggende stootte hij

den muur met zijn schouder in en waar bevond hij zich toen? midden

in het meer. Er was geen spoor meer van het eiland te zien. Het was

in den nacht ondergeloopen.--"Dit is een naar land voor de bewoners,"

zeide Joe, en hij begon op nieuw met alle kracht te zwemmen. Een dezer

vrij algemeene verschijnsels op het meer Tchad had den braven jongen

bevrijd; meer dan één eiland, dat vast als een rots scheen, is op

deze wijze verdwenen, en dikwijls moesten de volkeren aan de oevers

de ongelukkigen opnemen, die aan deze verschrikkelijke ramp waren

ontkomen. Joe was onbekend met deze bijzonderheid, maar hij maakte er

gebruik van. Hij bemerkte een dobberend schuitje en begaf zich spoedig

daarheen, het was eene soort van ruw uitgeholde boomstam. Een paar

riemen waren er gelukkig in, en Joe, van een snellen stroom gebruik

makende, liet zich drijven. "Laat ons goed onze stelling opnemen,"

zeide Joe. "De poolster, die als een eerlijk man zijn plicht doet om

iedereen het noorden aan te wijzen, zal mij wel te hulp willen komen."

Hij zag met blijdschap dat de stroom hem naar den noordelijken oever

voerde en liet hem begaan. Tegen twee uur des morgens zette hij voet

aan wal op een voorgebergte, bedekt met doornachtig riet, dat zeer

lastig scheen, maar een boom stond daar juist van pas, om hem een bed

in zijne takken aan te bieden. Joe klom er in voor meerdere veiligheid

en wachtte daar, zonder veel te slapen, de eerste zonnestralen af. Toen

de dag was aangebroken met dien snelheid, eigen aan de landen onder

en bij den evenaar gelegen, sloeg Joe een blik op den boom, die hem

gedurende den nacht had beschut; een onverwacht schouwspel deed hem

schrikken. De takken van dezen boom waren letterlijk geheel bedekt

met slangen en kameleons; de bladeren waren onzichtbaar; men zou het

een boom van eene nieuwe soort hebben genoemd, die kruipend gedierte

voortbracht; onder de stralen der zon kroop dit alles door en over

elkander. Joe ondervond een levendig gevoel van schrik, gemengd

met walging en sprong ter aarde, te midden van het gesis van den

troep. "Dat is iets," zeide hij, "dat men nooit zal willen gelooven."

Hij wist niet dat de laatste brieven van doctor Vogel deze

bijzonderheid van de oevers van het meer Tchad, waar de kruipende

dieren talrijker zijn dan in eenig ander land ter wereld, hadden

doen kennen; na hetgeen hij gezien had, besloot Joe in het vervolg

omzichtiger te zijn en, zich naar de zon richtende, begaf hij zich

op weg naar het noordoosten, hij ontweek zorgvuldig alle mogelijke

hutten en holen, in een woord alles wat tot menschelijke woning zou

hebben kunnen dienen.

Hoe dikmaals zag hij naar de lucht! Hij hoopte den ballon te ontdekken

en, hoewel hij hem dien geheelen dag te vergeefs had gezocht, verzwakte

dit zijn vertrouwen op zijn meester niet; hij had eene groote vastheid

van karakter noodig om zoo koelbloedig te zijn. De honger voegde

zich bij de vermoeienis, want wortelen, merg van heesters, zoo als de

"mélé," of vruchten van den palmboom "doum", versterken iemand niet,

en echter kon hij, volgens zijne schatting ongeveer twintig mijlen

westwaarts gaan. Zijn lichaam droeg op twintig plaatsen de sporen

van duizenden doornen, waarmede het riet van het meer, de acacia's

en de mimosa's bezet zijn, en zijne bebloede voeten maakten zijn gang

uiterst pijnlijk. Maar eindelijk wist hij zijne smarten te overwinnen

en des avonds besloot hij den nacht aan de oevers van het meer Tchad

door te brengen.

Daar had hij de steken door te staan van duizenden insecten; vliegen,

muskieten, mieren van een halve duim lengte, bedekten daar letterlijk

de aarde; na twee uren bleef aan Joe geen stuk over van de weinige

kleederen die hem bedekten; de insecten hadden alles verslonden;

het was een verschrikkelijke nacht, die den vermoeiden reiziger geen

uur slaap veroorloofde; al dien tijd woedden de wilde zwijnen en

buffels, de ajoub, eene soort van lamentyn, die zeer gevaarlijk is,

in de struiken en onder het water van het meer. Joe durfde zich niet

bewegen. Hij had moeite zijn kalmte en geduld te behouden. Eindelijk

brak de dag weer aan; Joe stond spoedig op en men oordeele over zijn

afgrijzen toen hij zag dat een vuil dier zijne legerstede had gedeeld;

eene pad, maar eene van vijf duim breed, met een monsterachtigen,

afschuwelijken kop, die hem met groote oogen aanstaarde. Joe voelde

zich het hart in het lijf omdraaien, en door walging voortgedreven,

liep hij met groote stappen naar het meer, om zich te baden. Dit

bad deed het jeuken dat hem kwelde een weinig bedaren en, na eenige

bladeren te hebben gekauwd, ging hij weder op weg met eene volharding,

waarvan hij zich geene rekenschap wist te geven; hij had geen gevoel

meer van hetgeen hij deed en desniettemin voelde hij dat zijne kracht

sterker was dan zijne wanhoop. Echter deed een verschrikkelijke honger

zich bij hem voelen; zijne maag, minder geduldig dan hij, klaagde;

hij was verplicht eene klimplant stevig om zijn lichaam te binden;

gelukkig kon hij zijn dorst bij iedere schrede lesschen en, zich het

lijden in de woestijn herinnerende, vond hij het betrekkelijk gelukkig

dat hij de kwellingen van den dorst niet had te doorstaan.--"Waar

kan de Victoria zijn?" vroeg hij zich af..... "De wind is noord,

hij moest naar het meer terugkeeren. Zonder twijfel zal mijnheer

Samuel het evenwicht hebben moeten herstellen; maar de dag van

gisteren zal daarvoor wel voldoende zijn geweest, het zou dus niet

onmogelijk zijn dat heden.... Maar laat ons doen als of ik hem nooit

moest wederzien. Alles wel bezien, als ik eene der groote steden van

het meer bereik, zou ik in het geval verkeeren van de reizigers,

van welke mijn meester ons heeft gesproken. Waarom zou ik er niet

even goed afkomen als zij? Er zijn er die terug zijn gekomen. Komaan,

moed!" Aldus sprekende en steeds voortgaande, kwam de onverschrokken

Joe in het midden van het bosch nabij een troep wilden terecht. Hij

bleef bij tijds staan en werd niet gezien. De negers hielden zich

bezig hunne pijlen te vergiftigen met het sap der wolfsmelk, hetgeen

eene voorname bezigheid is voor de stammen dezer streek, en dat met

zekere plechtigheid geschiedt.

Joe verbergde zich en bleef onbeweeglijk, zijn adem inhoudende, in

eene dicht begroeide plaats, toen hij, de oogen opheffende, door de

bladeren heen den Victoria bemerkte, die zich naar het meer richtte,

nauwelijks honderd voet boven hem. Maar het was onmogelijk zich te

doen hooren of te laten zien. Tranen kwamen hem in de oogen, niet van

wanhoop, maar van dankbaarheid; zijn meester zocht hem! Zijn meester

verliet hem niet! Hij moest het vertrek der zwarten afwachten, dan

kon hij zijne schuilplaats verlaten en naar de oevers van het meer

loopen. Maar de ballon verdween toen in het blauw des hemels. Joe

besloot hem te wachten, hij zou zeker wel weder voorbijkomen! Hij

kwam inderdaad weder voorbij, maar meer naar het oosten. Joe liep,

maakte gebaren, schreeuwde.--Te vergeefs! Een hevige wind voerde

den ballon mede met eene snelheid, die hem alle hoop ontnam. Voor de

eerste maal verlieten de kracht en de hoop den ongelukkige; hij zag

zich verloren, hij geloofde dat zijn meester was vertrokken zonder

terug te keeren, hij durfde niet meer denken. Als een krankzinnige

liep hij met bloedende voeten en een gewond lichaam den geheelen

dag en een gedeelte van den nacht. Hij sleepte zich nu eens op de

knieën, dan eens op de handen voort, hij zag het oogenblik nabij dat

de kracht hem zou ontbreken, dat hij ging sterven. Dus voortgaande

bevond hij zich eindelijk bij een moeras, hij viel onverwachts in een

taai slijk; ondanks zijne pogingen, ondanks zijn wanhopigen tegenstand,

voelde hij zich langzamerhand in dien modderigen grond zuigen, eenige

minuten later stak hij er tot zijn midden in.--"Daar is dan de dood,"

zeide hij tot zich zelven, "en welk een dood!...."

Hij worstelde woedend, maar dit deed hem nog dieper zinken in

dit graf, dat de ongelukkige zich zelven groef! Er was geen enkel

stuk hout, dat hem kon tegenhouden, geen riet om zich aan vast te

houden!--Hij begreep dat het met hem gedaan was!... Zijne oogen sloten

zich.--"Meester! meester!... help!" riep hij uit. En die wanhopige

stem, reeds half versmoord, verloor zich in den nacht.

Vijf weken in een luchtballon · 第 38 / 56 题