Geschiedenis van Joe.--Het eiland der Biddiomahs.--De
aanbidding.--Het verzwolgen eiland.--De oever van het meer.--De
slangenboom.--Voetreis.--Lijden.--Muskieten en mieren.--De
honger.--Voorbijgang van den Victoria.--Verdwijning van den
Victoria.--Wanhoop.--Het moeras.--Een laatste kreet.
Wat was er van Joe geworden gedurende de vergeefsche nasporingen
van zijn meester? Toen hij zich in het meer had geworpen was zijne
eerste beweging, nadat hij op de oppervlakte was gekomen, de oogen
omhoog te slaan; hij zag den Victoria, reeds zeer hoog boven het
meer, snel stijgen, langzamerhand kleiner worden en eindelijk door
een snellen luchtstroom medegevoerd in het noorden verdwijnen. Zijn
meester, zijne vrienden waren gered.--"Het is gelukkig," zeide hij
tot zich zelven, "dat ik het denkbeeld heb gehad mij in het meer
Tchad te werpen, het zou zeker ook bij mijnheer Kennedy opgekomen
zijn en hij zou zeker niet geaarzeld hebben te doen zoo als ik, want
het is zeer natuurlijk dat één mensch zich opoffert om twee anderen
te redden." Hieromtrent gerustgesteld, begon Joe om zich zelven
te denken; hij was in een onmetelijk meer, omringd door onbekende
volkeren waarschijnlijk woeste stammen. Dit was eene reden te meer
om zich uit de verlegenheid te redden door slechts op zich zelven
te rekenen, hij maakte zich dus niet beangst. Voor den aanval der
roofvogels, die volgens hem zich als ware condors hadden gedragen,
had hij een eiland aan den horizon gezien; hij besloot dus zich
daarheen te richten en al zijne zwemkunst in het werk te stellen, na
zich van de kleederen ontdaan te hebben die hem het meest hinderden;
eene wandeling van vijf of zes mijlen hinderde hem niet, daarom dacht
hij, zoolang hij in het volle meer was, nergens anders aan dan om te
zwemmen. Na een anderhalf uur was de afstand die hem van het eiland
scheidde, zeer verminderd. Maar naarmate hij het land naderde, maakte
zich eene eerst vluchtige, daarna ernstige gedachte van zijn geest
meester. Hij wist dat de oevers van het meer bezocht werden door
ontzaglijke alligators, hij kende de vraatzucht dezer dieren. Hoe
natuurlijk hij ook alles in deze wereld mocht vinden, gevoelde de
waardige jongen zich echter levendig ontroerd; hij vreesde dat het
blanke vleesch bijzonder naar den smaak der krokodillen zou zijn en
ging dus slechts met de grootste voorzorgen voorwaarts, steeds een oog
in het zeil houdende. Hij was slechts honderd vademen verwijderd van
het met groene boomen overschaduwde strand, toen een sterke lucht van
muskus zijne reukzenuwen aandeed. "Mooi!" zeide hij bij zichzelven,
"dat is het juist wat ik vreesde, de kaaiman is niet ver meer." En hij
dompelde zich snel onder, maar niet spoedig genoeg om de aanraking
van een groot lichaam te ontgaan, wiens schubbige huid hem in het
voorbijgaan schampte. Hij achtte zich verloren en begon met wanhopige
snelheid te zwemmen; hij kwam boven water om adem te halen en verdween
weder. Daar stond hij een kwartier lang een onuitsprekelijken angst
uit, dien hij met al zijne koelbloedigheid niet kon verdrijven; hij
meende achter zich het geluid te hooren van dien grooten muil gereed
om hem te verslinden. Nu zwom hij, zoo stil mogelijk, onder water, toen
hij zich eerst bij een arm, vervolgens om zijn middel voelde grijpen.
Arme Joe! hij dacht voor de laatste maal aan zijn meester en begon
wanhopig te worstelen, daar hij zich niet naar den bodem van het
meer voelde trekken, zooals de krokodillen doen om hunne prooi te
verslinden, maar naar de oppervlakte. Nauwelijks had hij kunnen
ademhalen en de oogen openen, of hij zag zich tusschen twee negers,
zwart als ebbenhout, die hem stevig vasthielden en vreemde kreten
slaakten.--"Welnu, komaan!" riep Joe uit, "negers in plaats van
kaaimans! Ik heb dit waarachtig liever! Maar hoe durven die kerels zich
hier baden?" Joe wist niet dat de inwoners van de eilanden van het
meer Tchad, even als vele negers, straffeloos zich baden in wateren
waar zich alligators bevinden, zonder zich om hunne tegenwoordigheid
te bekommeren; de tweeslachtige dieren van dit meer staan algemeen
bekend als onschadelijk. Was Joe dus nu het eene gevaar ontkomen, om
in het andere te vervallen? Dit liet hij aan de toekomst over, en daar
hij niet anders kon doen, liet hij zich zonder eenige vrees te toonen
naar den oever slepen.--"Klaarblijkelijk," zeide hij in zich zelven,
"hebben deze menschen den Victoria over de wateren van het meer zien
gaan even als een monster uit de lucht, en zij moeten eerbied hebben
voor een man, die uit den hemel is gevallen. Laat hen dus begaan!"
Tot zoover was Joe met zijne overdenkingen gevorderd, toen hij
aan land stapte te midden eener huilende menigte van beide seksen
en allerlei leeftijd, maar niet van alle kleuren; hij bevond zich
onder een stam van Biddiomahs van een prachtig zwarte kleur. Hij
behoefde zelfs niet te blozen over de luchtigheid zijner kleeding,
hij was naar de laatste mode van het land "ontkleed." Maar, voordat
hij den tijd had om zich van zijn toestand rekenschap te geven, kon
hij zich niet vergissen in de aanbidding waarvan hij het voorwerp
werd. Dit stelde hem gerust, hoewel de geschiedenis van Kazeh [52]
hem in het geheugen kwam. "Ik heb een voorgevoel dat ik weder een
god, de een of andere Zoon der Maan zal worden! Welnu, dit ambacht is
even goed als een ander, als men geene keus heeft. Het voornaamste is
tijd te winnen. Als de Victoria weder voorbijkomt, zal ik van mijne
nieuwe positie gebruik maken om aan mijne aanbidders het schouwspel
te geven van eene wonderbare hemelvaart." Terwijl Joe aldus nadacht,
verdrong de menigte zich rondom hem, zij viel op de knieën, huilde,
betastte hem en werd zeer gemeenzaam, maar zij was ook zoo goed hem een
prachtig gastmaal aan te bieden, bestaande uit zure melk met gepelde
rijst en honig. De waardige jongen, zich in alles schikkende, deed een
der beste malen van zijn leven en gaf aan het volk een hoog denkbeeld
van de wijze, waarop de goden bij plechtige gelegenheden eten.
Toen de avond gekomen was, namen de toovenaars van het eiland hem
eerbiedig bij de handen en geleidden hem naar eene soort van hut,
door talismans omringd; voordat hij er binnen ging, sloeg Joe een
onrustigen blik op de hoopen beenderen, die rondom dit heiligdom lagen;
overigens had hij al den tijd om over zijn toestand na te denken toen
hij in zijne hut was opgesloten. Gedurende den avond en een gedeelte
van den nacht hoorde hij feestzangen, het geluid van eene soort van
trom en een geraas van ijzer, dat zeer aangenaam is voor afrikaansche
ooren; huilende koren begeleidden eindelooze dansen van de negers, die
de heilige hut met hunne lichaamsverdraaiingen en grimassen omringden.
Joe kon dit waarnemen door de muren van slijk en riet; misschien
zou hij, in andere omstandigheden groot behagen hebben geschept in
deze vreemde plechtigheden, maar eene onaangename gedachte bekroop
hem weldra. Hoewel alles van de goede zijde beschouwende, vond hij
het toch droevig in dit wilde land en bij dergelijke stammen te
zijn. Weinige reizigers, die zich in deze streken hadden gewaagd,
hadden hun vaderland wedergezien. Kon hij zich wel verlaten op de
aanbidding waarvan hij het voorwerp was! Hij had goede redenen om
aan de ijdelheid van aardsche grootheid te gelooven. Hij vroeg
zich af, of de aanbidding in dit land niet zoover ging dat men
den aangebedene opat! Ondanks dit onaangenaam vooruitzicht en na
eenige uren van overdenking, kreeg de vermoeienis de overhand over
de akelige gedachten en Joe viel in een diepen slaap, die zonder
twijfel tot aan het krieken van den dag zou hebben geduurd, als eene
onverwachte vochtigheid den slaper niet had wakker gemaakt. Weldra
werd dit vocht water, dat zoo hoog steeg, dat Joe tot aan zijn
midden daarin stond. "Wat is dat?" zeide hij, "eene overstrooming,
eene hoos, eene nieuwe marteling der negers! Waarachtig, ik zal niet
wachten totdat het mij aan den hals komt." Dit zeggende stootte hij
den muur met zijn schouder in en waar bevond hij zich toen? midden
in het meer. Er was geen spoor meer van het eiland te zien. Het was
in den nacht ondergeloopen.--"Dit is een naar land voor de bewoners,"
zeide Joe, en hij begon op nieuw met alle kracht te zwemmen. Een dezer
vrij algemeene verschijnsels op het meer Tchad had den braven jongen
bevrijd; meer dan één eiland, dat vast als een rots scheen, is op
deze wijze verdwenen, en dikwijls moesten de volkeren aan de oevers
de ongelukkigen opnemen, die aan deze verschrikkelijke ramp waren
ontkomen. Joe was onbekend met deze bijzonderheid, maar hij maakte er
gebruik van. Hij bemerkte een dobberend schuitje en begaf zich spoedig
daarheen, het was eene soort van ruw uitgeholde boomstam. Een paar
riemen waren er gelukkig in, en Joe, van een snellen stroom gebruik
makende, liet zich drijven. "Laat ons goed onze stelling opnemen,"
zeide Joe. "De poolster, die als een eerlijk man zijn plicht doet om
iedereen het noorden aan te wijzen, zal mij wel te hulp willen komen."
Hij zag met blijdschap dat de stroom hem naar den noordelijken oever
voerde en liet hem begaan. Tegen twee uur des morgens zette hij voet
aan wal op een voorgebergte, bedekt met doornachtig riet, dat zeer
lastig scheen, maar een boom stond daar juist van pas, om hem een bed
in zijne takken aan te bieden. Joe klom er in voor meerdere veiligheid
en wachtte daar, zonder veel te slapen, de eerste zonnestralen af. Toen
de dag was aangebroken met dien snelheid, eigen aan de landen onder
en bij den evenaar gelegen, sloeg Joe een blik op den boom, die hem
gedurende den nacht had beschut; een onverwacht schouwspel deed hem
schrikken. De takken van dezen boom waren letterlijk geheel bedekt
met slangen en kameleons; de bladeren waren onzichtbaar; men zou het
een boom van eene nieuwe soort hebben genoemd, die kruipend gedierte
voortbracht; onder de stralen der zon kroop dit alles door en over
elkander. Joe ondervond een levendig gevoel van schrik, gemengd
met walging en sprong ter aarde, te midden van het gesis van den
troep. "Dat is iets," zeide hij, "dat men nooit zal willen gelooven."
Hij wist niet dat de laatste brieven van doctor Vogel deze
bijzonderheid van de oevers van het meer Tchad, waar de kruipende
dieren talrijker zijn dan in eenig ander land ter wereld, hadden
doen kennen; na hetgeen hij gezien had, besloot Joe in het vervolg
omzichtiger te zijn en, zich naar de zon richtende, begaf hij zich
op weg naar het noordoosten, hij ontweek zorgvuldig alle mogelijke
hutten en holen, in een woord alles wat tot menschelijke woning zou
hebben kunnen dienen.
Hoe dikmaals zag hij naar de lucht! Hij hoopte den ballon te ontdekken
en, hoewel hij hem dien geheelen dag te vergeefs had gezocht, verzwakte
dit zijn vertrouwen op zijn meester niet; hij had eene groote vastheid
van karakter noodig om zoo koelbloedig te zijn. De honger voegde
zich bij de vermoeienis, want wortelen, merg van heesters, zoo als de
"mélé," of vruchten van den palmboom "doum", versterken iemand niet,
en echter kon hij, volgens zijne schatting ongeveer twintig mijlen
westwaarts gaan. Zijn lichaam droeg op twintig plaatsen de sporen
van duizenden doornen, waarmede het riet van het meer, de acacia's
en de mimosa's bezet zijn, en zijne bebloede voeten maakten zijn gang
uiterst pijnlijk. Maar eindelijk wist hij zijne smarten te overwinnen
en des avonds besloot hij den nacht aan de oevers van het meer Tchad
door te brengen.
Daar had hij de steken door te staan van duizenden insecten; vliegen,
muskieten, mieren van een halve duim lengte, bedekten daar letterlijk
de aarde; na twee uren bleef aan Joe geen stuk over van de weinige
kleederen die hem bedekten; de insecten hadden alles verslonden;
het was een verschrikkelijke nacht, die den vermoeiden reiziger geen
uur slaap veroorloofde; al dien tijd woedden de wilde zwijnen en
buffels, de ajoub, eene soort van lamentyn, die zeer gevaarlijk is,
in de struiken en onder het water van het meer. Joe durfde zich niet
bewegen. Hij had moeite zijn kalmte en geduld te behouden. Eindelijk
brak de dag weer aan; Joe stond spoedig op en men oordeele over zijn
afgrijzen toen hij zag dat een vuil dier zijne legerstede had gedeeld;
eene pad, maar eene van vijf duim breed, met een monsterachtigen,
afschuwelijken kop, die hem met groote oogen aanstaarde. Joe voelde
zich het hart in het lijf omdraaien, en door walging voortgedreven,
liep hij met groote stappen naar het meer, om zich te baden. Dit
bad deed het jeuken dat hem kwelde een weinig bedaren en, na eenige
bladeren te hebben gekauwd, ging hij weder op weg met eene volharding,
waarvan hij zich geene rekenschap wist te geven; hij had geen gevoel
meer van hetgeen hij deed en desniettemin voelde hij dat zijne kracht
sterker was dan zijne wanhoop. Echter deed een verschrikkelijke honger
zich bij hem voelen; zijne maag, minder geduldig dan hij, klaagde;
hij was verplicht eene klimplant stevig om zijn lichaam te binden;
gelukkig kon hij zijn dorst bij iedere schrede lesschen en, zich het
lijden in de woestijn herinnerende, vond hij het betrekkelijk gelukkig
dat hij de kwellingen van den dorst niet had te doorstaan.--"Waar
kan de Victoria zijn?" vroeg hij zich af..... "De wind is noord,
hij moest naar het meer terugkeeren. Zonder twijfel zal mijnheer
Samuel het evenwicht hebben moeten herstellen; maar de dag van
gisteren zal daarvoor wel voldoende zijn geweest, het zou dus niet
onmogelijk zijn dat heden.... Maar laat ons doen als of ik hem nooit
moest wederzien. Alles wel bezien, als ik eene der groote steden van
het meer bereik, zou ik in het geval verkeeren van de reizigers,
van welke mijn meester ons heeft gesproken. Waarom zou ik er niet
even goed afkomen als zij? Er zijn er die terug zijn gekomen. Komaan,
moed!" Aldus sprekende en steeds voortgaande, kwam de onverschrokken
Joe in het midden van het bosch nabij een troep wilden terecht. Hij
bleef bij tijds staan en werd niet gezien. De negers hielden zich
bezig hunne pijlen te vergiftigen met het sap der wolfsmelk, hetgeen
eene voorname bezigheid is voor de stammen dezer streek, en dat met
zekere plechtigheid geschiedt.
Joe verbergde zich en bleef onbeweeglijk, zijn adem inhoudende, in
eene dicht begroeide plaats, toen hij, de oogen opheffende, door de
bladeren heen den Victoria bemerkte, die zich naar het meer richtte,
nauwelijks honderd voet boven hem. Maar het was onmogelijk zich te
doen hooren of te laten zien. Tranen kwamen hem in de oogen, niet van
wanhoop, maar van dankbaarheid; zijn meester zocht hem! Zijn meester
verliet hem niet! Hij moest het vertrek der zwarten afwachten, dan
kon hij zijne schuilplaats verlaten en naar de oevers van het meer
loopen. Maar de ballon verdween toen in het blauw des hemels. Joe
besloot hem te wachten, hij zou zeker wel weder voorbijkomen! Hij
kwam inderdaad weder voorbij, maar meer naar het oosten. Joe liep,
maakte gebaren, schreeuwde.--Te vergeefs! Een hevige wind voerde
den ballon mede met eene snelheid, die hem alle hoop ontnam. Voor de
eerste maal verlieten de kracht en de hoop den ongelukkige; hij zag
zich verloren, hij geloofde dat zijn meester was vertrokken zonder
terug te keeren, hij durfde niet meer denken. Als een krankzinnige
liep hij met bloedende voeten en een gewond lichaam den geheelen
dag en een gedeelte van den nacht. Hij sleepte zich nu eens op de
knieën, dan eens op de handen voort, hij zag het oogenblik nabij dat
de kracht hem zou ontbreken, dat hij ging sterven. Dus voortgaande
bevond hij zich eindelijk bij een moeras, hij viel onverwachts in een
taai slijk; ondanks zijne pogingen, ondanks zijn wanhopigen tegenstand,
voelde hij zich langzamerhand in dien modderigen grond zuigen, eenige
minuten later stak hij er tot zijn midden in.--"Daar is dan de dood,"
zeide hij tot zich zelven, "en welk een dood!...."
Hij worstelde woedend, maar dit deed hem nog dieper zinken in
dit graf, dat de ongelukkige zich zelven groef! Er was geen enkel
stuk hout, dat hem kon tegenhouden, geen riet om zich aan vast te
houden!--Hij begreep dat het met hem gedaan was!... Zijne oogen sloten
zich.--"Meester! meester!... help!" riep hij uit. En die wanhopige
stem, reeds half versmoord, verloor zich in den nacht.