De schoone, goede Mei had voor goed zijn glorie in de boomen gehangen,
en zijn weelde neergestreken over den grond. De keizerlijke
kastanjelaren, die zoo veelvuldig 't Netheland begroeiden, hadden op hun
groenenden berg al hunne witte bloemen opgestoken. En in de
veldkapellekens brandde, ter eere van Ons Lievevrouwken, menigvuldig
keersken.
Marieke was met haar moeder, die afgekomen was om als baker te dienen,
en met Charlot, alle dagen naar een dier kapellekens geweest om den
gunstigen afloop, en swenst groeide de vrucht rap en enorm. Maar de
dagen gingen voorbij en tegen einde Juni, met de nieuwe maan, kon men
het verwachten.
Dien dag kwam Pallieter terug van onderwegen Duffel, waar hij bij een
wagenmaker een huifwagen had gaan bestellen, waarmede hij de wereld zou
intrekken als de kleine geboren was.
De Junizon gloriede in de blauwe lucht en schudde haar gulden haren over
de weelderige landen.
Pallieter slenterde langs de Nethe.
Ach! de schoone rivier, die nu vrij en wispelturig bochtte door de vette
velden en de koeienrijke weiden; die op haar dijken reuzige populieren
en breede kanadas omhoogstak: die heerlijke, aangename Nethe zou nu in
een koudrecht kanaal herschapen worden.
"O land! z' ontnemen oe oew kroen!" zuchtte Pallieter, "mijn hert
schrieuwt in mijn lijf."
Doch uit de verte klonk herhaaldelijk blekken horen-getoet.
"Da's Charlot die blaast veur 't kinderbed!" juichte Pallieter, en hij
trok zijn schoenen uit, en begost te loopen zoo hard hij maar kon. Het
horengetoet bleef maar klinken, draaide van het oosten naar het westen,
en 't wilde maar niet ophouden.
Pallieter spoedde zich des te meer. Hij vloekte omdat hij niet rapper
kon; maar daar graasden twee peerden in de weide, op nen omzien was
Pallieter op het verschrikte peerd gesprongen, en zich vasthoudend aan
de manen, rende hij snel over veld en wei naar den Reynaert.
Toen Charlot Pallieter zag aankomen, liet ze den horen vallen, liep hem
tegemoet en riep, bleek van alteratie: "Bruur, Bruur, 't is nen
drijlink! twee jongens en ien meske! Ierst kwam...." Pallieter liet haar
voortbabbelen en liep, gevolgd van de meid naar boven. Hij wierp de deur
open, en daar op het bed, waarin Marieke, bleek, met traantjes in de
oogen hem toelachte, lagen neveneen drie naakte, verkensroze kinderen te
kraaien en te schreeuwen.
De zon door 't open venster bunselde er op en trilde lichtend in hun
week vleezeken.
Pallieter stond eerst aan den grond genageld, hij kost zijn oogen niet
gelooven, het overweldigde hem. De moeder van Marieke en Charlot wisten
geen raad, de een klatste water, de ander wierp een emmer om en krabde
in heur haar.
"Zijde tevrede?" vroeg Marieke.
En toen vloeide Pallieter zijn vreugde over, hij liep naar zijn jong
vrouwken, gaf haar duizend kussen, en zei: "Abraham moet mij benije!" en
dan riep hij uitgelaten tot Charlot: "Haalt bakels, peters, wiegen en
suikerboene! De drij hemskindere zen gebore!"
"Ja, ja," riep de verwarde Charlot en zij liep naar beneden, maar was
daar seffens weerom en riep vol haast: "zij rap, zij rap, de pastoer is
dor! doe z'ieder algij een hemmeken aan."
"Ni, ni," zei de pastoor, die boven kwam, "'k wil ze zien lak da'ze God
on Pallieter hee gegeve."
En de pastoor sloeg verwonderd zijn handen saam en hij keerde zich om
tot Pallieter, en zei: "Gelukkigen druivelaar," en dan tot Marieke:
"Meske, meske, God zied oe gere," hij drukte hun de handen, en de tranen
schoten in zijn oogen.
"Doe zoo voort," zei hij.
"Da beloof ik oe!" riep Pallieter.
"Menier pastoor," zei Marieke verlegen en rood-wordend, "de kinderen
mutte zuige...."
"Ja, ja," lachte de pastoor, "doe mor, wij hemme da ni mier noodig, hé
Pallieter, wij zullen er oep gon drinke."
En terwijl zij beneden schuimwijn gingen genieten, haalde Marieke haar
twee dikke, malsche borsten te voorschijn, en gaf de kostelijke
moedermelk aan de twee Pallieterkens, terwijl het Pallieterinneke
schreeuwen bleef....
En beneden zat Pallieter met den pastoor aan de zesde flesch schuimwijn
te drinken, ter eere van de drie, die hij gemaakt had.