Het weer was terug slecht geworden, heelder dagen mot-en plasregens,
grijs, triestig en gesloten. Niettemin werkten de boomen neerstig voort,
alleen op eigen kracht. Zij bloemden toch! en de eene na de andere boom
hulde zich in bruidsgewaad, en de bloemen openden hunne lippen om al de
weelde van hunnen reuk uit te spreken. De zalvende zon bleef weg, en in
plaats van dat de bloei uit den grond lossprong, zot en wild overtollig,
gulzig naar licht en leven, kroop hij er uit, langzaam en voorzichtig.
"'t Zal betere," zei Pallieter, "as de kruise zulle gaan." Want zij zijn
het toch, de kruisen, die de poorten opendoen voor de schoone, vaste
dagen en den grooten Zomer. Al het schoon weer dat vroeger komt is maar
schijn en misleiding. En een ieder werkte voort, wist dat het niet
anders kon, en wachtte geduldig naar de kruisen.
En juist vandaag, als de kruisen moesten gaan was er met den nieuwen dag
een blijde, volle wind opgestaan, die dansend over de aarde vaarde en al
de waterlagen uit den hemel joeg.
De Kruisen gingen. Pallieter en Charlot gingen mee. Pallieter reed
achter de processie aan, op Beyaard, en overzag alzoo den stoet en het
land. Ze kwamen nu in het volle veld. De wind sloeg de roode vanen
vooruit, speelde en drukte in de rokken der vrouwen en der priesters,
en wierpen het latijnsch gezang als zaad uiteen over het veld.
Heel de hemel was zilver, van verre witte opeengestapelde worstwolken,
die langs alle windstreken rond de aarde wandelen. Het licht kwám van de
wolken.
Het zaad barstte in de aarde.
En het klonk in het latijn, het waaide gebrokkeld over de bruine velden,
over het schittergeel rapenzaad, langs roos-en-blank bloemende
boomgaards en riekende hoven: "Uyt de diepten heb ik geroepen tot u,
Heere! Laet uw ooren luisterend wezen naar de stemme mijns biddens. Is
't dat gij de boosheden gade slaet, Heere, Heere, wie zal 't verdragen?"
De roode misdienaars rinkelden de bel en zwaaiden den geurigen, blauwen
wierook weg. De pastoor in gouden-purpel koorhemd, waarboven blinkend
zijn kletskop, sprenkelde met grootsch gebaar het wijwater zegenend over
heel de schoone groeiende streek.
De boeren en boerinnen hielden hunnen paternoster vast, en lazen
halfluid voor hunne vruchten, de beesten en den grond.
Heel hun leven lag daar schamel en bloot onder Gods grooten hemel. Van
den hemel hing het alles af. De Hemel vol dood en leven, kwaad en goed,
vuur en ijs, hitte, zon en lavende waters.
En zij vroegen onderdanig, als tolk voor de sprakeloosheid van 't zaad,
de boomen en de vruchten: "Heere verhoor mijn gebed met uwe ooren, neem
mijn klagelijk bidden in uwe waarheid, verhoor mij in uwe
rechtveerdigheid.... Want de vijand heeft mijn ziel vervolgd, hij heeft
in de aarde mijn ziele vernederd." 't Was de smeeking van de vruchten en
het zaad en de boomen na den langen winter, den vijand: "Hij heeft mij
gesteld in donker, gelijk de dooden der wereld. Om uwen naam, Heere,
zult Gij mij levend maken. Gij zult mijne ziel van de tribulatie
uitleiden en mijne vijanden geheel vernielen. Gij zult vernielen allen
die mijn ziel verdrukken; want ik ben uw dienaar!"
Het gebed der gewassen des velds! De wind danste over de aarde en nam
de woorden op. Onze Lievevrouw en heel de lichtende rij van al de
engelen en de heiligen, die den hemel verhelderden, die macht hebben om
donders tegen te houden, wateren doen stil staan en wind te keeren, al
de heiligen, maagden, martelaren, pausen, zondaren, apostelen en
belijders, tot zelfs de duizende onnoozele kinderen, ze werden allemaal
als wachters gesteld over de menschen, de hoornbeesten, en de vruchten
en de boomen.
En herhaaldelijk klonk het melodisch van zware mannenstemmen "Ora pro
nobis" en "Ora-Orate pro nobis".
Pallieter bad innig mee. Hij was vol licht en leven, 't Kraakte in hem
van geestelijken wellust. Hij had willen vlaggen zwaaien en mede rollen
in den wind.
Het bidden was hem te stil en hij verhief zijn stem en zong mee zoo luid
hij kon met de Priesters: "De profundis clamavi ad te Domine!" En als de
processie de velden was omgegaan en terugkeerde, reed hij voort het
schoone landschap door.
Het was heerlijk al dat bloeiende wit op de boomen! "'t Is het zog der
aarde dat omhoog komt en overloopt," zei Pallieter. "De zon zal er boter
van make!" De groote, blijde wind zoefde door de lucht en bromde in de
boomen. Hij schudde het peerd zijn manen en zijn steert, en rukte
Pallieters klak van zijn kop, dat zij omhoog vloog lijk een vogel en in
't tintelende water van de Nethe viel.
Doch Pallieter zag niet om, hij reed maar voort, wild en dwaas, zonder
teugel, om al het geweld van den jongmakenden wind over hem te laten
gaan. Mannelijk genot! Ver gingen de kruisen, wit en rood, langs de
blonde wegen, en overal sloegen de molens lijk de priesters kruisen over
't veld, en ginder wapperde de wind een boerenmeid haar rokken omhoog.
De zon tuimelde ineens door de wolken en dat gaf een taal aan al de
koleuren des velds, dat alles sprak en juichte!
"De kruise late elle al gevoele!" riep Pallieter....
En nog den eigensten avond was de wind gaan liggen, kwam er over het
land een zoete zoelte, en begonnen de perelaren bedwelmend te geuren. De
hemel was zuiver lijk kristal, de sterren schenen klaar in de
maagdelijke versche blauwte, en laag aan de lucht hong het eerste
sikkeltje van de rijpende maan.
Pallieter lag met Marieke nog door het venster hunner slaapkamer. Zij
waren reeds half ontkleed om slapen te gaan, maar de goedheid van den
nacht weerhield hen uit het bed.
Marieke hield haar hoofd gelegen op Pallieters schouder, en hij had
zijnen arm om haar heupen.
Ze zwegen en luisterden naar een nachtegaal, die alleen in de
verholenheid van een bloeienden kerseboom zijn gouden hart liet roeren.
Maar daar, als niet opeens begonnen, klonk er van op het Begijnhof het
diepgevoeld gestreel van een cello.
"'t Is de pastoor," zei Pallieter.
"Spijtig dat 't Begijnhof gesloten is," zei Marieke.
"Wacht," wedervoer hij verheugd, "we zullen er mè het schuitje henegaan.
Kom!"
Ze kleedden zich haastig aan en gingen in het schuitje.
Langs het smalle Hemdsmouwken dreven ze het Begijnhof op.
Terwijl klonk almaardoor de zoete gemoedelijke stem van den gevoeligen
cello.
Stil vaarden ze, en aan 's pastoors hof, die met
planten-bekleed-traliewerk van het waterken gescheiden was, hielden ze
stil en bleven rechtstaande in het schuitje luisteren.
De pastoor zat buiten, onder een bloeiende perelaar. In den donkeren zag
men alleen zijn grooten kop en zijn bleeke handen. Hij speelde de diepe
"Droomerij" van Schumann. Het was lijk een gebed. De pastoor bad met
zijne muziek.
Als 't uit was bleef er een lange stilte, 't Was voor Pallieter zonde in
deze geurige stilte zijn stem te laten spreken: maar hij liet een
grooten vollen zucht, de pastoor zag op en vroeg: "Zijn er daar
mensche?..."
"Ikke!" zei Pallieter.
"Oe komt dan algijkes binne!" en hij kwam gauw afgeloopen en opende het
traliepoortje, dat slechts open ging als de meid moest water scheppen,
"'t Was zoe goe werke," zei de pastoor, "en ik zit zoe mor wa te striele
en te strijke; kom binne!"
"'k Hem 'n ander gedacht," zei Pallieter, "nemt oewe celle mee oep ons
schuitje, en we zullen al spelend 'n toerke nor 't hof Van Ringe doen!"
"Aangenome," zei de pastoor en hij kwam met zijn speeltuig op het
schuitje. Zij vaarden terug naar de Nethe, en als de open velden rond
hen lagen, begon hij weer te spelen, terwijl Pallieter riemde en Marieke
roeide.
De cello sprak; 't was innig lijk een zingende menschenstem, 't klonk
lijk uit de waterdiepte omhoog, 't Droeg de ijlheid van den hemel en
jongheid van de lente, 't Was Beethoven, Benoit, Wagner, Palestrina en
Grieg. Zoo dreven ze schoon als in een droom over het water weg, en over
het nachtelijke, stille land wandelde de galm van de heerlijkste muziek
der aarde. 't Was alsof God zijn voeten op de wereld had gezet.