En nu ontving ik sedert weer vele vriendelijke uitingen van
belangstelling. Een dezer wil ik, en mag ik, hier opnemen.
Mej. J. M. van Schelven schreef me 30 Augustus 1914 uit Amsterdam o. a.:
»Eén passage trof mij vooral. 't Was daar, waar U het hadt over een
zekeren Mijnheer Sanders, die op de Heeren- of Keizersgracht woonde en
die Uw Moeder enkele malen heeft mogen bijstaan. Die Mijnheer Sanders
was mijn Grootvader. Hij woonde Heerengracht 568. Moeder vertelt ons
vaak, dat Grootvader zoo bizonder milddadig was. Zoo weet Moeder zich
nog te herinneren, dat elken Maandagochtend de gang van het benedenhuis
vol menschen stond, die door hem geholpen werden. Ook was hij van een
zeer melancholieke, zwaarmoedige natuur. Dit klopt alles merkwaardig met
wat U over hem schrijft."
Bij lezing van dit briefje, was ik dubbel blij, dat ik den naam van
den Heer S. genoemd had: niet alleen omdat mijn herinneringen nu een
nieuwe bevestiging ontvingen, maar bovenal omdat ik nu een woord van
erkentelijke liefde heb kunnen wijden aan de nagedachtenis van een braaf
man, onverplichte en daarom te meer ongeveinsde hulde.
Mej. van Schelven merkt nog op: »Ik denk, dat Moeder het ook wel aardig
zal vinden, dat iemand zoo over haar Vader schrijft."
Terecht. Hoe heerlijk, als onze Ouders aldus nog na hun verscheiden
gezegend worden. We zouden ons bijna inspannen.... onzen kinderen ook
dat geluk te verzekeren.
Nov. 1914. Jan L.