VAN EEN VLOEK EEN ZEGEN.

Och, mijn goede vader! Van die koopziekte was hij nog niet genezen. Hij

had het in de krenten en de rozijnen nu toch zoo volmaakt afgelegd.

De onopengesneden afleveringen van »De Aarde en hare Volken" en het

»Bijbelsch Magazijn" waren als stomme aanklagers mee verhuisd. En toch

bezweek hij weer. Neen, dat kwam niet, omdat hij het zocht. De goede man

ging nooit op koopen uit. En hij had wel een portemonnaie op zak, maar

er zat nooit geld in. Van schulden maken had hij bovendien een afkeer.

Maar het zocht hem.

Laat ieder eens eerlijk zijn eigen leven nagaan. Dan zal hij zien,

hoe hij door dat leven een of ook eenige gebreken meedraagt, inwonende

neigingen, die als erfhonden rustig in hun hok blijven liggen zoolang er

niemand vreemds op 't erf komt, maar aanstonds opschrikken en opspringen

als ze naderende voetstappen hooren. Geen goed beginsel is zoo waaksch

als deze booze begeerten. En nauwelijks zijn ze gewekt, of ze

beheerschen ons.

We zijn niet zoo bedorven, dat we het kwaad zoeken. Maar we zijn slecht

en zwak genoeg, om ons door 't kwaad te laten vinden als 't ons zoekt.

En dat doet het. Op allerlei onverwachte oogenblikken loopt het ons erf

op. En als de lusten dan wakker worden, het is niet om als een trouwe

hond den verleider aan te vallen en te verjagen, maar om door hem te

worden gestreeld. Het is ook zoo heerlijk, zich zachtjes te laten gaan

onder de zoet-behagelijke bevrediging onzer sluimerende verlangens.

Adam en Eva gaan er niet op uit, gedreven door slechte driften. Ze zijn

volkomen gelukkig en denken niet eens aan kwaad. Argeloos dwalen ze door

den hof, rustig genietende van de balsemende atmosfeer, de harmonieuse

omgeving, en den stillen vrede des gemoeds. Maar dan komt de verleider

tot hen en hij vindt ze niet, als later Jozef, met een onwankelbaar:

»Zou ik zulk groot kwaad doen en zondigen tegen God?" Hij vindt ze niet,

als later Jezus, met een onwrikbaar: »Ga weg van mij, Satan!" Maar hij

vindt ze bereid tot redeneeren. En wie eenmaal met den verzoeker aan

't redeneeren gaat, verliest het, onverbiddelijk. Hij is een fijn

redeneerder en ons, door lusten beneveld verstand, veel te slim af.

Luister niet naar hem. Luisteren is vallen.

* * *

Waarom moest mijn vader nu juist een betrekkinkje krijgen aan dat

venduhuis? Daar woonde hij dag aan dag de verkoopingen bij, en daar zag

hij, hoe waardevolle dingen voor luttele bedragen van de hand gingen.

Dat kon hij niet laten passeeren, dan waagde hij ook een bod, en dan

kreeg mijn moeder allerlei overbodige meubelen thuis. Zoo raakte de

brave man wezenlijk aan 't speculeeren, want hij kocht voorwerpen tegen

lagen prijs, met de stellige verwachting die eenige dagen later tegen

hooger prijs weer te verkoopen--'t was zonde, zulke koopjes te laten

gaan--en daarmee raakte hij in de schuld.

* * * * *

Men begrijpt natuurlijk dat ik dit niet vertel, om mijn braven vader

jaren na zijn dood te bekladden. Wanneer de lezers van hem een anderen

indruk krijgen dan dien van een groot, naïef kind, dan heb ik hem niet

goed geteekend. Hij was de rechtschapenheid zelf en behalve een paar

driftvlaagjes was zijn grootste fout: een beetje te veel goed vertrouwen

in zijn geslepen en hardvochtigen medemensch. Die kooplust was voor een

groot deel averechtsch handelsgenie. Hij dacht daarbij erg slim te werk

te gaan, maar werd steeds zelf het slachtoffer van berekenender naturen,

die er hun voordeel bij hadden, hem in zijn ongeluk te laten loopen, of

daarin te brengen. Hij was uiterst fijn van geweten, en werd de dupe van

gewetenlooze harteloosheid. Eerlijk tot op een spijkerkop, was hij een

gezochte buit voor dat heirleger maatschappelijke parasieten, dat ook

uit de armste organismen nog levenssappen weet weg te zuigen. Doch, wat

nu het wonderbaarlijke is, waar dit hem natuurlijk vaak in geldelijke

moeilijkheden bracht--juist hem, den fijngevoelige, den argelooze, den

ridderlijke--daar groeiden uit die moeilijkheden bijna altijd mooie

levenservaringen. Ik geloof vast, dat de kapitalen, in kroegen en

bordeelen verdiend, moreele ellende in de familiën brengen, en een

mijner schoonste jeugdherinneringen dank ik aan de verliezen dier

onpractische natuur, die zich onvoorzichtiglijk op het gladde ijs der

zakenwereld waagde, en wiens zelfoverschatting--voorzeker een fout--zoo

aandoenlijk werd goedgemaakt door de kinderlijke deugden van een

onbedorven gemoed. Eer ik echter mijzelf nog eens verkwikken wil in

die schoone heugenis, moet ik een ander deel kinderzaligheid voor u

uitspreiden op onze tuintafel.

Zoodra er gebeld werd en een beladen handkar voor de deur stond, wist

Moeder al hoe laat het was. »Juffrouw, dit komt van de verkoopening, van

Meneer zelf," zei de bezorger, en Moeder had weer iets, vaak iets heel

onpractisch, aan te nemen en op te bergen. Zoo verscheen er op zekeren

dag een reusachtige tuintafel: een groot, groen, vierkant houten blad op

een ijzeren onderstel met cirkels en krullen en vier gekrulde pootjes.

Het ding kwam zeker uit een grooten tuin, maar Vader had het prachtig

gevonden voor ons plaatsje en het daarom gekocht en per handwagen naar

de Leliestraat gestuurd. Moeder was eigenlijk recht boos met deze

zending van de »verkoopening" en ze wou dat »Meneer zelf" maar wat

minder koopgauw was. Doch ze kon de tafel toch niet terugsturen en liet

haar dus naar het plaatsje brengen, waarvan ze een al te groot deel in

beslag nam.

Maar wat heb ik op die tuintafel genoten!

Het was nog in den tijd, dat de handenarbeid zich beperkte tot het

spel en nog niet de scholen was binnengedrongen om zich daar te laten

fatsoeneeren. Ze leefde nog vrij, als een heidensch natuurkind, liep,

dartelde, sprong, precies zooals ze wou. Zelfs was ze nog niet gedoopt,

en geen sterveling dacht er aan, dat ze eenmaal dien uitheemschen naam

Slöjd zou ontvangen met daarnaast den deftigen van Handenarbeid.

Ze heette.... ja, ze heette eigenlijk heelemaal niet. Ze was innig

opgenomen in allerlei hulp aan Vader en Moeder, en in allerlei spel op

straat en in de huiskamer. Uit die natuurlijke verbinding was ze nog

niet als zelfstandig element naar buiten gekomen om onder de verzorging

der deskundigen als een apart wezentje in een eigen zondagsch pakje

netjes de wereld te worden ingestuurd. Ze was nog zoo zonder pretentie,

zonder opdringerige braafheid, ze was nog zoo anspruchslos en

aantrekkelijk.

Wanneer we voor onze zondagscent geen drop of zoethout kochten,

was het omdat de Pruisische Uhlanen ons te machtig waren. Die hingen

in heele rijen op prenten voor de winkelruiten. En daarnaast de

huzaren op dravende paarden. En ook de vliegende trein, kanonnen en

kruitwagens, door zes paarden getrokken. De geheele Duitsche armee

boeide onze oogen dermate, dat de snoepgoedwinkel het aflegde: het

lager zinnelijk begeeren werd overwonnen door hooger lust--een stuk

moreele opvoedingstheorie, dat je zoo maar zonder universiteit,

professor en lijvig boekdeel ontving, dat de simpelste ervaring aan

een eenvoudig menschenkind gratis thuis stuurde, zelfs in een

achterbuurt. Je had het als 't ware maar van de straat op te rapen.

Voor onze zondagscenten kochten we legermachten, liefst ongekleurde,

en verfden die. Een bescheiden verfdoosje--als we 't niet op onzen

verjaardag kregen--brachten we ook zelf met centen en halvecenten

bijeen. Je kon losse verfjes koopen van allen prijs en in alle kleur,

en evenzoo penseelen. Ik zie ons nog in den winkel uitzoeken:

karmijnrood, marineblauw, geliefde kleuren, waarvan de naam ons reeds

zoet in de ooren klonk. En al lieten die goedkoope penseeltjes ook vaak

een haar los, al »haarden" ze, we deden het er toch mee, we kleurden er

te voorzichtiger om. O weelde der wijsheid bij schraalheid der centen!

Als de uniformen dan gekleurd waren, plakten we mannen en paarden en

wagens op dun bordpapier--er waren altijd wel oude doozen en Moeder

kookte graag wat stijfsel voor ons. Daarna werden ze netjes uitgeknipt:

voorzichtig, uiterst voorzichtig, met die natuurlijke voorzichtigheid,

die ieder kind aangeboren is--niet waar, lieve Sien?--eer ouderlijke

angst en meesterlijke bemoeizucht ze heeft verlamd met waarschuwing,

bedreiging en verbod, en dan gingen er houten blokjes achter, zoodat ze

staan konden.

Lieve Sien, neem me niet kwalijk, dat ik jou daar zoo ineens midden

tusschen mijn huzaren haal. Maar toen ik daar zoo stil aan 't uitknippen

was, en al mijn aandacht wijdde aan de teugels der paarden, zoodat die

als sierlijke lijnen mooi bij den bek neerhingen, en toen ik ál mijn

geestelijke energie in vingerbeheersching concentreerde, om, alleen uit

eigen volkomenheidszucht, geen knipje te veel te doen, toen dacht ik

plotseling aan jou. Toen was ik weer dien zondagmiddag bij je ten eten,

en toen zag ik weer je driejarig kereltje--driejarig!--de borden--de

mooie borden!--een voor een uit de kast halen, er mee door de kamer

waggelen, ze netjes op de tafel zetten. »Hij hielp zijn moeder." Wat heb

ik toen genoten. Wat een lieve, lieve spanning in dat gezichtje, in die

armpjes, in die beentjes, in die heele houding! En hoe zongen de zuchten

een jubel van kindertriomf, telkens als er een reisje van de kast naar

de tafel was volbracht. Sientjelief, dat was nu paedagogiek, waar ik de

heele wereld wel op had willen trakteeren, tot de paedagogenwereld toe.

En als je jarig bent, krijg je van mij de Paedagogische Encyclopedie van

Prof. Rein cadeau. Niet om er in te lezen--de hemel beware me!--maar om

er je lieve Henkie mee te laten sjouwen, van de kast naar de tafel, en

van de tafel naar de kast. Wat zal dat een lekker speelgoed zijn, al die

dikke deelen! En dan haalt Henkie er nog meer paedagogiek uit dan zijn

vader!

Hoeveel moeders durven hun kinderen zoo op te voeden? Met zulk een

vertrouwen in de kinderlijke eigenschappen? Met zulk een absoluut hooger

schatten van een kind boven een bord? Wie 't probeeren wil, moet zelf

rustig, kalm, geduldig zijn, stil met zijn kind meeleven, niets aan 't

kind opdringen, vooral niet wat het kind uit eigen beweging al wil en

doet, en niet boos wezen, _als_ er door een ongelukje eens iets mocht

breken.

* * * * *

En nu aan 't oorlogen!

Doch waar zou de veldslag geleverd worden? Waar was het terrein,

uitgestrekt genoeg om deze talrijke troepen in twee partijen op te

stellen en te doen strijden? De kamervloer? Maar daar liep iedereen.

De aanrechtbank in de keuken? Daar moest telkens gewerkt worden. Hebt

ge wel eens gezien, hoe zulke jongetjes met hun schatten alle ruimten

rondscharrelen, om ergens een goed speelhoekje te vinden? De volwassenen

kijken hen meestal voorbij, grauwen ze weg, zijn te vol van eigen

belangen om oog voor de kinderen te hebben. Maar Vaders kooplust had

mij mijn strijdveld bezorgd. Dat tuintafelblad was--nu in mijn

herinnering--van reusachtige afmetingen. Er kon een heel Waterloo worden

afgespeeld.

Naast ons woonde een heel net en rustig gezin met veel meisjes en één

jongen. Die jongen keek eerst, klom toen over het lage schuttinkje, en

we waren twee veldheeren, die onze troepen tegen elkaar aanvoerden.

Er werden toen ter tijd kleine kanonnetjes verkocht, waarmee je echt

schieten kon. We bedelden en spaarden net zoo lang, totdat we er een

paar machtig waren, laadden ze met kleine groene erwten en vuurden ze

op den vijand af. Elke held, die omkantelde, was voorloopig dood.

Maar die kanonnetjes schoten niet krachtig genoeg.

Daarom verschaften we ons koperen en glazen buizen--erwtenblazers--en

joegen daardoor met de kracht van onzen eigen adem de groene

projectielen tegen de papieren heldhaftigheid. Nu ging het beter. We

zagen hooge ruiters wankelen, vallen en in hun val anderen meeslepen.

Dat was een heerlijk gezicht. Van het aantal gesneuvelden hing het af,

aan welke zijde tenslotte de zege verbleef. En we bliezen met een

hartstocht en een volharding, alleen geëvenaard door de toewijding en

het geduld, waarmee we eerst al die benden hadden gekleurd en geknipt.

Doch stond ooit de vernielzucht op het oorlogsveld stil? Er was ook

bij ons climax in de wapenen. De proppenschieter kwam in 't vuur. Dat

was een geweldenaar. Die richtte heele tooneelen van verwoesting aan.

Wanneer de kurk uit het nauwkeurig gerichte kanon werd afgeschoten, deed

hij zelfs een heel vijandelijk kanon omtuimelen. En als de strijd te

lang onbeslist bleef, konden alleen de bommen der proppenschieters hem

beslechten. Die moesten dan ook aan 't werk, en de doffe tikken van kurk

tegen karton donderden onafgebroken door de vijandelijke gelederen.

Dikwijls bracht de duisternis pas een einde aan den strijd. Dan werden

mannen en paarden en kanonnen in hun onderscheidene doozen gelegd.

Gesneuvelden en overlevenden, winners en verliezers, lagen daar plat

en vredig op elkaar, zoo, dat de blokjes der voeten netjes tegen elkaar

aansloten. En dan gingen de veldheeren naar binnen en slapen. De eene

klom over het lage schuttinkje, terug naar zijn eigen heim. De ander

sleepte de doozen mee. »Adjuus!"--»Adjuus!"--»Kom je morgen weer

vroeg?"--»Ja, als ik kan."--Twee keukendeuren klapten toe, en het groene

slagveld lag in den donkeren nacht, leeg en verlaten.

Had die groote tuintafel ooit beter plaatsje kunnen krijgen dan hier,

waar ze veel te groot was voor de kleine ruimte? Ze bracht duizendvoude

rente op in een heirleger van gewonden en gesneuvelden. En »Meneer zelf"

mocht er voldoening van hebben, dat hij »dat bakbeest"--met welken naam

Moeder het eerst begroet had--van de »verkoopening" naar de Leliestraat

had gestuurd. Hij heeft er twee jongensharten mee verrukt.

* * * * *

Verrukt?

Zeg liever bedorven.

Jongens mogen niet soldaatje-spelen, want dan groeit de moordlust in hen

aan, raken ze vertrouwd met doodslag en bloed, en, en, en....

Zoo fantaseert het principe.

Maar die eene jongen is nu al lang een braaf dokter in de hoofdstad des

rijks, die dag aan dag zich inspant om zieken te genezen, levens te

redden. En die andere heeft later, toen hij zoo wat twintig jaar was,

gedichten tegen den oorlog geschreven, waar alle kanonnen door overstemd

hadden behooren te worden, als kanonnen niet de onbescheidenste

bulderaars van de wereld waren.

Men moet niet zoo vertrouwen op het _fantaseeren der principes_, al

noemt men dit ook, met veel aplomb, _logisch redeneeren_. Je ziet het

immers in de politiek? En in den strijd der vakvereenigingen? En in

de paedagogiek? »Logisch redeneerende", uitgaande van een »zuiver

beginsel", zet men de heele maatschappij recht, dwingt men alle

verhoudingen, voedt men de kinderen tot engelen op; doch enkele simpele

feitjes, door het verheven principe hooghartig voorbijgezien, zijn

sterker dan het geweldigst principe, en maken ten slotte het

schijn-succes tot een nederlaag.

Zulke ervaringen deden het voorgeslacht al uitroepen: De mensch wikt,

God beschikt.

Volgens de zuiverste logica moest die overbodige tuintafel een oorzaak

van groote narigheid zijn, en zie, ze werd ons de oplossing van het

probleem, hoe de beschikbare legers, tusschen de ongeriefelijkheden van

onze omgeving, een slagveld konden vinden. Als je eenmaal legers hebt,

dienen ze dan toch te vechten. En hoe vecht je zonder terrein?

En volgens dezelfde logica had die kooplust mijn vader in de gevangenis

moeten brengen, en zie, ze bracht ons in aanraking met het christendom.

Dat ging zoo.

Bezwijkende voor de dagelijksche verzoeking, had Vader, gelijk ik reeds

vertelde, menig stuk gekocht met de bedoeling het straks bij gunstiger

markt, weer te verkoopen, en zoo was hij op zijn manier aan 't

speculeeren en natuurlijk in de schuld geraakt. Die schuld was gaandeweg

gestegen tot een bedrag van misschien een paar honderd gulden, en

vroeg, gelijk schulden dat zoo plegen te doen, op haar tijd om

aflossing. Maar de eerzame schuldenaar kon zijn schuldeischer, den

makelaar der verkooping, niet anders aanbieden dan de opgestapelde

schatten die hij zelf gekocht had en die nu vruchteloos naar een nieuwen

kooper uitzagen. Hiervan was de makelaar niet gediend: die goederen

waren eenmaal gekocht en geleverd, het geld moest er zijn, zaken zijn

zaken. En Vader zat in de ellende. O, wat was de goede man prikkelbaar

in zulke tijden. Ik weet dat nog zoo best. En hoe zenuwachtig stond

Moeders gezicht. Wij kinderen voelden mee de hopeloosheid van 't geval:

een som geld op te brengen, die eenvoudig niet te krijgen was. En dan de

dagelijks aandringende persing van een gevoelloos schuldeischer op de

leege beurs van een dood-eerlijk, pijnlijk-conscientieus, maar alleen

wat onnadenkend, eigenlijk ondóórdenkend man.

Nu gebeurde het in dien tijd, dat zeker iemand, die ook in zijn zaken

achteruit gegaan was, ook een winkel had moeten verlaten, en verhuisd

was naar een veel bescheidener woning, een deel zijner zeer goed

onderhouden meubelen wilde verkoopen, om daarmee wat overbodige stukken

in te ruilen voor zeer noodig geld. Die zeker iemand had een vrouw en ik

meen vijf of zes nog jonge kinderen, een talrijk gezin, dat alleen van

zijn verdiensten moest leven. Wij kenden het gezin, en daarom kreeg

Vader verlof, de meubelen op eigen naam te verkoopen, opdat hij de

provisie zou hebben, die hieraan verbonden was. Zulke extraatjes van een

paar gulden waren altijd bizonder welkom. Vader, Moeder, en ook

wij--meelevende kinderen--waren dan ook erg blij met de opdracht.

Maar hoe droevig en vernederend liep dit uit. Op zekeren dag kwam Vader

thuis, gebroken. De meubelen waren verkocht, maar de verkoopgelden waren

Vader niet uitbetaald. De makelaar had ze ingehouden ter afbetaling van

de schuld, die Vader bij hem had. Dat kon hij doen, omdat Vader de

meubelen op zijn eigen naam had doen verkoopen.

Daar zaten we. Die meneer, die zeker iemand, had Vader alles

toevertrouwd, hij zag verlangend naar het geld uit, en zou er geen

penning van ontvangen. Zijn oude, degelijke meubelen verkocht, misschien

wel opgeofferd als geliefde familiestukken, en niets er voor terug.

In zulke omstandigheden was Vader zoo machteloos. Hij durfde den

man niet onder de oogen komen--en die man woonde vlak tegenover ons.

Ook wij gingen gebukt onder de dreigende schande. In plaats van heel

vertrouwelijk en hartelijk te groeten, namen we wat schuw onze petjes af

en ontliepen al de leden van het gezin. Hoe verachtten we dien gemeenen

makelaar, die heel goed wist, dat de meubelen niet van Vader waren, maar

hier zijn kans schoon zag, om het hem toekomende geld te krijgen. Als

hij zijn geld maar had, kon 't hem niet schelen, of Vader daarmee een

onschuldige te kort deed, misschien beschuldigd zou worden van

oneerlijkheid, van oplichterij.

Oplichterij. Het woord ging als een koude rilling door ons gezin, en van

dag tot dag stelden we het uit, het noodlottig bericht aan de overburen

mee te deelen. Doch eindelijk, het moest. En, gelijk steeds in zulke

gevallen, Moeder ging er op af. O, vrouwen zijn zoo vaak duizendmaal

moediger dan mannen.

Wij wachtten thuis met angst. Hoe zou 't afloopen? Het ergste zou zijn,

dat Vader werd aangeklaagd wegens oplichterij en naar de gevangenis

ging. Het minste, dat de benadeelde familie er in berustte, maar wij

gebukt zouden gaan onder haar verachting. In ieder geval, er zou een

koele scheiding komen. We zouden de vriendschap van onze goede overburen

verliezen. Moeder kwam terug. Ademloos hoorden we haar aan.

»Meneer--had alles begrepen, en hij had erg met Vader te doen."

»En waren ze niet boos?"

»Neen, ze schrokken natuurlijk wel erg, en Mevrouw werd wit. Ach, ze

konden het geld ook zoo best gebruiken. Maar Meneer zei: Uw man heeft

geen schuld. Het is zeker Gods wil geweest."

We waren duizend pond lichter. De houding der getroffenen tegenover

ons veranderde in niets. Ze spraken nooit meer over 't geval, bleven

vriendelijk--maar die man.... ik heb hem als een heilige mee door 't

leven gedragen. Hij was zoo rustig-vroom, zoo eenvoudig-christelijk.

Zijn blik, zijn gelaat, zijn stem, zijn heele gedrag was zonder eenig

vertoon. Ik wou, dat ik zijn naam mocht noemen. Niemand kent hèm. Hij

was geen schrijver, geen schilder, geen geleerde, geen staatsman. Alleen

een kantoorheer--boekhouder op een wijnkooperskantoor--maar.... een

christen. In hem heb ik het christendom ontmoet. En dat ik het zoo

zuiver heb mogen aanschouwen, het was te danken aan Vaders argelooze

koopneiging.

Jeugdherinneringen · 第 24 / 31 题