Menige woning is als de schelp van een weekdier. Je kruipt er van voren
in en dan ontwikkelt zich een stel ruimten, met aan alle zijden wanden.
Wil je er uit, dan dien je weer terug te kruipen. Toegang en uitgang
zijn dezelfde.
Dat geeft altijd zoo iets beklemmends. Overal stuit je tegen muren. Als
de voordeur achter je gesloten is, ben je gevangen. Je bent in een fuik
gezwommen. Aan den achterkant is geen uitbreken.
Zoo kan je ook zoo leelijk een vereeniging, een partij binnenzwemmen.
Ben je er eenmaal in, dan kun je geen hand uitsteken, of je slaat tegen
een muur van het programma. Akelig benauwd. Je dacht je tusschen die
wanden recht behagelijk en thuis te voelen? Niets er van. 't Zijn
dwangbuizen voor je geest. Je willen en je denken, je neigingen en je
inzichten botsen voortdurend tegen de geformuleerde overtuigingen en je
dankt den hemel, als je er goed en wel uit bent, zij het ook, dat ze je
door het inkruipgat er principiëel hebben uitgesmeten.
Dan ben je weer heerlijk in de vrijheid.
Het nieuwe huis had gelukkig een achteruitje.
Wanneer je had aangebeld, kwam je in de gang. Een zijdeur gaf toegang
tot de »zijkamer". Als kind heb ik bij dezen naam nooit aan de
eigenlijke beteekenis gedacht. Die zijkamer was de mooie kamer, daar
stonden de beste meubelen, daar zat je alleen zondags, daar ontving
je visite. Er was dus iets fijns aan dien naam verbonden, en dit hoorde
ik in den naam. Ik dácht er niet bij aan zijde en satijn, maar ik kwam
er bij in een stemming van die stoffen. De zijkamer behandelde je met
een zekere reverentie, gelijk een zijden japon. Dat was geen stuk
gemeenzaamheid. En als je tegen een bezoeker zei: »Ga u maar even in de
zijkamer," dan kwam er, en niet alleen door de beleefdheid, iets zijigs
in je stem.
Ziedaar het effect der klanken. Fijne, mooie, beschaafde klanken kunnen
beschavend werken door het intoneeren van fijne stemmingen.
Aan 't eind van de gang kwam je door een andere deur in de huiskamer.
Hier was het, dat we in schemeravond onze liederen zongen, op stoelen
en op den grond om de kachel gegroept. Vulkachels waren er toen
gelukkig nog niet. Je moest nog telkens »een schepje op de kachel"
doen, je zag den pot gloeien, je zag bij 't poken de vonken vallen,
ja zag zoo'n heerlijk warmgeel licht uit het pookgat schijnen, altemaal
genietingen, waarvan de gemakzucht, de techniek, de hygiëne en andere
ongerechtigheden ons hebben beroofd. Vader stak den pook in de kachel,
om met de punt zijn pijp aan te steken; een stukje roodvlammend leven
midden in de duisternis. Onze kinderoogen genoten van alles. Met volle
teugen dronken we de poëzie van dit huiskamerleven in. De zijkamer had
iets stijfs en kils. Maar de huiskamer--ze mocht dan laag en donker zijn
met dat eene raam op den tuin, ze mocht vol rook hangen van Vaders pijp,
ze mocht door gloeiende kachel, bedstede en nog zoo een en ander een
benauwde atmosfeer hebben, ze was toch een gezegend oord. Er zweefden
gezelligheid, vertrouwelijkheid, hartelijkheid. Je voelde je er warm en
veilig.
* * * * *
Ga nu eens mee voor dat eene raam zitten. Dan zie je tuintjes. Hier
vlak voor je is ons eigen tuintje. Eerst een plaatsje en daarachter een
tuintje, beide maar klein. Het plaatsje van groote vierkante tegels, het
tuintje niet anders dan een lapje zwarte grond. In drie of vier stapjes
heb je beide doorloopen. Maar toch een tuintje. Een lage, donkere
schutting scheidt het, rechts, van buurmans tuintje. Daar kun je ook in
kijken. En dan ligt er weer een, en nog een, en nog een, een heele rij.
Links staat een vrij hoog houten loodsje van twee verdiepingen, dat daar
het terrein en alle uitzicht afsluit. Maar achter ons tuintje en dat van
de buren zie je weer de tuintjes van de achterburen. Die zijn grooter
dan de onze, want daar wonen rijkere menschen. In hun tuinen staan heele
boomen, waar de musschen in sjilpen.
Is dat niet een heerlijk bezit? Ruimte, lucht, groen, vogels.
Toen we bij 't verhuizen onze eerste stappen in de nieuwe woning zetten
en ik door dit eene raam keek, wist ik niet wat ik zag. Echte boomen.
Aanstonds ging ik uit de huiskamer de keuken in, opende een glazen deur,
liep een trapje af, en stond buiten. Ik keek rond als Columbus. Een
nieuw werelddeel. En alles even verrukkelijk. Daar was een waterput. Als
je er op ging staan, kon je over de schuttingen kijken. Ik deed het. Wát
een ruimte! En hoor die vogels! Misschien kon je ze lokken en kwamen ze
ook hier in den tuin. Dan was je heelemaal buiten.
Wanneer ik nú ons tuintje zag en daar mijn buitengenietingen moest
maken, zou ik me zeker erg mistroostig voelen. Ik ben nu, helaas,
zooveel beter gewoon. Maar toen? 't Was voor 't eerst van mijn leven,
dat we de weelde van zoo'n tuin hadden. En dan is ieder plekje grond
een verrukking. Vader nam natuurlijk den aanleg van 't geheel voor zijn
rekening. Die goede man genoot niet minder dan wij. Als een kind was hij
in zijn schik. De winkel met al zijn zorgen lag achter hem. Doodarm had
hij dien verlaten. Hij had een soort betrekking gekregen aan »'t Heeren
Logement", een inrichting waar allerlei inboedels verkocht werden, een
venduhuis. Hij verdiende er luttel. Maar de kwellende angsten van den
verloopenden winkel was hij kwijt, en nu genoot hij inderdaad als een
kind.
»Tegen die schutting zullen we lathyrus zetten." Ik hoor het hem nog
zeggen. Het pijpje in den mond, het onmisbare »krommertje", scharrelde
hij nu over het plaatsje, in 't schuurtje, door den tuin. Een spa
en een hark had hij al weten machtig te worden. En daar spitte en
harkte hij al zijn zorgen mee weg, in misschien twaalf vierkanten meter
zwarten grond. Ik zie hem nog alle steenen en vuil opruimen, een perkje
aanleggen, een paadje plat trappen. En ik mag hem helpen. Ik ga met hem
mee naar de Bloemmarkt, op den Singel bij de Munt, wat planten koopen en
zaad. De namen »geranium" en »lathyrus" met de spelling er bij heb ik
toen geleerd. Vaders liefhebberijen wekten en bevredigden mijn
leergierigheid.
Een nieuw huis, een nieuwe omgeving, een nieuw leven. Uiterst bescheiden
in zijn behoeften, was Vader gauw voldaan en gelukkig. Als die ellendige
geldzorgen maar niet drukten. Daarvoor alleen was hij bang. Hij was
absoluut geen man, om zelfstandig zaken te drijven. Hij was een model
van trouwe gehoorzaamheid, een uitstekend dienaar. En zoo was hij dan
nu, bevrijd van zijn bezit, ontheven van zijn verantwoordelijkheid,
onttroond als chef, den koning te rijk. Menigeen krijgt het beter door
een vermindering. Waarom zoeken de menschen toch zoo vaak hun ongeluk in
een levenspositie, te groot voor hun aanleg?
* * * * *
We woonden in de Nieuwe Leliestraat. Vader had een gering inkomen.
Waar leefden we dan van? Christine, de oudste, ging in een betrekking,
voor nacht en dag, als winkeljuffrouw. Dan had ze tenminste goede
huisvesting, goeden kost, en wat geld voor haar kleeding. Maar dat geld
ging meer naar Moeder dan naar de kleederwinkels. Het lieve meisje kon
het niet voor haarzelf besteden, als ze wist dat Moeder »zonder een cent
zat". En dan worden zulke meisjes wel eens beschimpt, omdat ze er zoo
kaal uitzien.
Daarbij begon de oudste zoon al wat te verdienen en waren er twee
kostjongens. Op die manier scharrelden we er doorheen.
Hoewel ik toen pas 10 jaar was, wist ik toch precies en weet ik nu nog,
hoeveel er elke week inkwam. Ik weet zelfs, hoeveel kostgeld er voor die
twee jongens werd betaald. In de armoede leven de kinderen veel meer met
het gezin en zijn nooden mee, dan in de welvaart. Hoeveel kinderen in
den gegoeden stand van 10, neen 20 jaar, hebben een flauw besef van
wat Vader verdienen moet, om het gezin te onderhouden, zijn jongens te
laten studeeren? Daar leven de kinderen zoo zeer in de onbezorgdheid,
dat het wel eens in de zorgeloosheid wordt. Zij spelen student, maken
naaistersrekeningen, zonder ooit »te rekenen". Dat geld komt er wel,
daar bekommeren ze zich niet om. Zoo leeren ze niet waardeeren de
inspanning der ouders, niet kennen de waarde van 't geld, en verstaan
niet tijdig de kunst evenwicht te bewaren tusschen inkomsten en
uitgaven. Armoede is een opvoedster voor 't leven, kan het althans zijn.
Zullen we nu zeggen: we moeten de armoede zoeken, opdat we in haar een
goede opvoedster voor onze kinderen hebben? Dat nooit, daartoe gaat ze
met te veel bittere ellende gepaard: ziekte, angst, vernedering. Maar
wel acht ik een sobere levenswijze zeer gewenscht, en daarbij zulk een
samenleven van oud en jong, dat de jongeren geleidelijk en als vanzelf
in de levenspraktijk komen. De kinderen mogen gerust weten wat dit
en dat kost, en dat er maar zóóveel beschikbaar is, en dat we ons
deze of gene zelfs kleine weelde moeten ontzeggen. Vele ouders houden
zich echter liever groot voor hun kinderen; andere bewaren een zekere
geheimzinnigheid: »zulke dingen gaan den kinderen niet aan", nog andere
kunnen hun kinderen niet gelukkig maken zonder ze te overladen. Met
zorg? Kun je denken. Met heerlijkheden.
Nood leert bidden _en werken_. Zorg leert zorgen. En het kan voor een
kind niet anders dan goed zijn, als het intieme gezinsleven, rekening
houdend met kinderkrachten, het kind actief betrekt in zijn
moeilijkheden. Dat is ook een »leeren door doen."
* * * * *
Ik zie, nu al bijna dertig jaar, hoe zeer vele ouders mijner leerlingen,
menschen die er geldelijk volstrekt niet slechter bij staan dan
ind'rtijd mijn ouders, hun jongens zoo gauw mogelijk uit geldverdienen
sturen en er niet aan denken die kinderen een vak te doen leeren.
Jongens, die goed het zesde leerjaar hebben doorloopen, worden eenvoudig
loopjongen in een winkel. Bij uitzondering gaat er een naar de
ambachtsschool, en al hun kennis van taal, rekenen, geschiedenis,
aardrijkskunde zijn ze binnen eenige maanden verloopen in hun nieuwe
wereld van belangen. Die laten ze graag slippen bij al hun gesjouw door
de stad.
Hoe kwam het nu, dat mijn ouders, onder alles door, zoo trouw zorgden
voor goede scholen en twee hunner jongens de heele ambachtsschool lieten
doorloopen, terwijl de derde voor onderwijzer mocht leeren, d. w. z.
vóór zijn achttiende jaar bijna niets thuis bracht?
Ik meen hier een leerzaam verschijnsel te ontdekken. Vader en Moeder
hadden het wel heel zorgvol, maar niet door eigen lakschheid, niet door
eigen geestelijk of zedelijk onvermogen. Beiden waren van goede afkomst,
beider familiën behoorden tot dat deel van den burgerstand, waaruit
dokters, notarissen, predikanten, handelaars voortkomen, beiden hadden
een ontwikkelde opvoeding genoten. Maar Vader leed aan toevallen en
al zijn bekwaamheid en braafheid konden hem niet in een betrekking
handhaven. Daar zat de hoofdoorzaak van den achteruitgang. Voor
winkeldrijven had de goede man niet de noodige talenten--men is koopman
of men is het niet--en iederen anderen werkkring bekleedde hij slechts
zoo lang, tot hij in zijn arbeid een toeval had gekregen. Daar waren de
menschen bang voor, patroons zoowel als mede-ondergeschikten, en Vader
werd ontslagen. Later hoop ik van deze bittere ellende voor die twee zoo
goed kunnende en zoo goed willende menschen iets meer te vertellen, maar
nu moest ik reeds het feit mededeelen. De _oorzaak_ der armoede is van
overgroot belang voor de opvoeding en de toekomst der kinderen. Moreele
en geestelijke verslapping laten de kinderen los, in wie vaak reeds
dezelfde lakschheid en lamlendigheid huizen. Maar mijn ouders behielden
onder allen tegenspoed hun energie, lieten zich niet wegzinken,
trachtten zich aldoor op te houden en op te werken, kampten alleen tegen
een overmachtigen vijand, doch hielden den strijd vol tot hun kinderen
volwassenen waren; ze offerden die kinderen niet op, maar zochten er van
te maken wat onder de gegeven omstandigheden maar eenigszins mogelijk
was, ja, beproefden in hun kinderen de verloren maatschappelijke positie
te herwinnen.
En dat is hun gelukt Dat hebben ze nog mogen beleven. In hun
maatschappelijken strijd ging het eerst al maar naar beneden: er werd
kind op kind geboren, tot zeven toe, en betrekking na betrekking
verloren. Daarna bleef het jarenlang worstelen in de diepte. Maar
toen ging het geleidelijk omhoog: de kinderen werden grooter,
en--wonderbaar--de toevallen bleven na het 50ste jaar weg. Zoo hebben
Vader en Moeder het in de laatste periode van hun leven nog heel goed
gehad, beter dan ooit in hun huwlijksjaren--hoofdzakelijk ten gevolge
van de in hen wonende onuitroeibare energie, die zich zoo heel duidelijk
openbaarde in dit eene feit, dat ze hun jongens, te midden van groote
geldzorgen, niet opofferden aan het heden, maar deden opleiden voor de
toekomst.
* * * * *
Het verschil tusschen den wijze en den dwaas, zei iemand mij eens,
bestaat hierin, dat de eerste een betrekkelijk klein genot van het
oogenblik weet prijs te geven voor een betrekkelijk groot genot in de
toekomst. Dwaas was Ezau, die zijn eerstgeboorterecht verkocht voor een
schotel linzensoep. En de hoogste wijsheid sprak uit het woord, dat wie
zijn leven om Christus' wille durfde verliezen, het leven eerst recht
winnen zou.
Ik houd niet van de woorden wijs en dwaas in dit verband. Ze zijn me te
berekenend. Jacob, rustig overleggende bij Ezau's honger, zelf in stilte
hongerend naar diens eerstgeboorterecht, en heel verstandig gebruik
makende van de gelegenheid, is mij hierin meer antipathiek dan zijn
kortzichtige broeder. Ezau zag, slaaf van het lagere, op dit oogenblik
het hoogere niet. Jacob zag dit zoo goed, dat zijn wijsheid niet
terugdeinsde voor iets eigenlijk veel lagers: het uitbuiten van de
zwakheid zijns broeders.
En toch is het waar, dat men voor het heden de toekomst moet koopen.
Maar dat moet niet geschieden in welwijze berekening, wier egoïsme
zelfs geen oog heeft voor de belangen der naasten en deze baatzuchtig
opzuigt, maar in krachtsontplooiing, die--uitwerking van innerlijke
spanning--alle moeilijkheden van het oogenblik trotseert en zelfs
zoekt. Het mag niet heeten: dáár is mijn _doel_ en daarom _zal_ ik in
vredesnaam deze plichten maar vervullen. Doch het moet wezen: in die
_richting_ leidt mijn leven en nu _kan_ ik niet anders dan worstelend
voortgaan, zij het, dat ik worstel tot den einde toe, zij het ook, dat
ik worstelend bezwijk.
Omdat in het leven mijner ouders waardevolle krachten werkten,
konden zij jarenlang zoo vele en schier onoverwinbare tegenspoeden
doorworstelen, gelijk de wortels van gezonde planten steenen doordringen
en ten slotte zelfs rotsen doen splijten. En omdat die krachten zoo
menigmaal ontbreken, zinken anderen in steeds dieper armoede en ellende
weg. Dat is natuurlijk voor niemand een reden tot verhoovaardiging
en al evenmin tot hulpweigering. Maar dat dringt ons bij iederen
ernstigen bijstand, die niet helpende afschuift maar helpende
aantrekt, te onderzoeken naar de oorzaken der heerschende ellende en
dienovereenkomstig middelen aan te wenden. Het voornaamste middel zal
dan wel steeds blijken: gelegenheid bieden tot krachtsontwikkeling, al
zijn de aanwezige krachten ook nog zoo miniem.
En hieruit volgt voor onze opvoeding, dat we, in huis en in school, toch
voornamelijk moeten zorgen voor het _groeien_ der kinderen, zoodat er
krachten in hen uitwassen. Geen groei zonder arbeid, die de krachten aan
't werk zet. En daarom: laat ze werken, werken.
En hieruit volgt voor onze philantropie, dat we--tenzij aan afgeleefden
en zieken--nooit slechter kunnen helpen dan door te geven.
Het vraagstuk van het pauperisme is een ontzettend moeilijk probleem.
Maar de oplossing kan nooit gevonden worden in het verstrekken van
»brood en spelen". Daarmee gaat het volk ten gronde. Er is maar één
middel om aan de aarde het brood te ontworstelen: De hand aan den ploeg.
Alleen werkende zegeviert de arme op de armoede.