Produced by Harry Lamé, André Engels and the Online
Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net (This
book was produced from scanned images of public domain
material from the Google Print project.)
+--------------------------------------------------------------------+
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| Transcriptie gebruikt voor deze e-tekst: |
| * Schuingedrukte tekst in het origineel wordt hier weergegeven |
| tussen liggende streepjes, als in _tekst_; vetgedrukt tekst in |
| het origineel als =tekst=; gespatiëerde tekst als ~tekst~. |
| * Tekst in klein-kapitaal is hier weergegeven als kapitaal. |
| * Superscript tekst is getranscribeerd als ^{tekst}, subscript |
| tekst als _{tekst}. |
| * Voetnoten zijn verplaatst naar direct onder de alinea of tabel |
| waarop ze betrekking hebben. Voetnoten zijn gemarkeerd [1], [2], |
| enz.; aantekeningen zijn gemarkeerd [A1], [A2], enz.; deze zijn |
| te vinden in het hoofdstuk “Aanteekeningen”. |
| * Het VOC monogram is getranscribeerd als [VOC]. |
| * De “Verbeteringen” zijn al in de tekst doorgevoerd. |
| * Afhankelijk van de gebruikte software en instellingen kan het |
| voorkomen dat niet alle gebruikte tekens en symbolen correct |
| worden weergegeven. |
| Uitgebreidere opmerkingen zijn te vinden aan het einde van deze |
| tekst. |
+--------------------------------------------------------------------+
~REIZE~
VAN
~MAARTEN GERRITSZ. VRIES~
IN 1643
NAAR
~JAPAN~.
UITGEGEVEN
DOOR
~P. A. LEUPE~,
KAPITEIN DER MARINIERS.
MET KAART EN FAC-SIMILÉS,
EN GEOGRAPHISCHE EN ETHNOGRAPHISCHE AANTEEKENINGEN,
VAN
Jonkheer P. F. VON SIEBOLD.
UITGEGEVEN VAN WEGE HET KONINKLIJK INSTITUUT VOOR TAAL-, LAND- EN
VOLKENKUNDE VAN NEDERLANDSCH INDIË.
AMSTERDAM,
~FREDERIK MULLER~.
1858.
~REIZE~
VAN
MAARTEN GERRITSZ. VRIES
IN 1643
NAAR HET NOORDEN EN OOSTEN VAN
~JAPAN~,
VOLGENS HET JOURNAAL GEHOUDEN DOOR C. J. COEN,
OP HET SCHIP _~CASTRICUM~_.
NAAR HET HANDSCHRIFT UITGEGEVEN EN MET BELANGRIJKE
BIJLAGEN VERMEERDERD
DOOR
~P. A. LEUPE~,
KAPITEIN DER MARINIERS.
=MET DE DAARBIJ BEHOORENDE KAART EN EENIGE FAC-SIMILÉS,=
EN GEOGRAPHISCHE EN ETHNOGRAPHISCHE AANTEEKENINGEN,
TEVENS DIENENDE TOT EEN ZEEMANSGIDS NAAR
~JEZO~, ~KRAFTO~ EN DE ~KURILEN~,
EN STUKKEN OVER DE TAAL EN VOORTBRENGSELEN DER
~AINO-LANDEN~,
VAN
Jonkheer P. F. VON SIEBOLD.
UITGEGEVEN VAN WEGE HET KONINKLIJK INSTITUUT VOOR TAAL-, LAND- EN
VOLKENKUNDE VAN NEDERLANDSCH INDIË.
AMSTERDAM,
~FREDERIK MULLER~.
1858.
La navigation du Capitaine Uries (Vries) est la plus exacte, qui
ait pu être faite, dans un temps, où les méthodes d’observation
étaient très grossières.
LA PEROUSE,
_Voyage autour du monde_, T. III. p. 153.
Bij de vele nasporingen in de Archieven der Oost-Indische Compagnie door
mij in het werk gesteld, ten einde daaruit belangrijke en in het stof
begravene reisverhalen onzer Voorvaderen aan het licht te brengen, had
ik menigmaal gehoopt de hoogst belangrijke reize door VRIES in 1643 naar
Japan gedaan, te vinden, doch steeds vergeefs. Wie schetst nu mijne
verbazing, toen ik dit Reisverhaal ontdekken mogt in een Handschrift,
mij ter nader onderzoek aangeboden door den Heer F. MULLER, Uitgever
dezes, aan wien de Eigenaar, de Hoog Wel-Geb. Heer J. HUYDECOPER VAN
MAARSEVEEN, het op zijn verzoek welwillend ter leen verstrekt had.
ZEd.Geb. heeft, na mededeeling van den belangrijken inhoud, de uitgave
ter liefde der wetenschap willen vergunnen, en daardoor allen, die
belang stellen in de ontdekkingen der Hollandsche zeevarenden en in de
geographische wetenschap, ten zeerste aan zich verpligt. Van heeler
harte brengen wij ZEd.Geb. daarvoor onzen warmen dank. Het _Koninklijk
Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandsch Indië_ heeft
het zich voorts eene aangename taak geacht dit Reisverhaal onder hare
Werken op te nemen, terwijl de _Bijlagen_, ter nadere toelichting
hieraan toegevoegd, het belang dezer uitgave verhoogen.
Tevens brenge ik mijn’ dank toe aan Z. Excell. den Minister van
Koloniën, die ons in de gelegenheid stelde, om in het Oud-Koloniaal
Archief te dezer stede over deze reis van de Vries eenige nasporingen te
doen, en den Heer Mr. L. M. C. van Dijk, die ons daarin met
bereidvaardigheid te hulp kwam.
Moge dit werk strekken ter meerdere bevestiging van den roem onzer
Zeevarenden en ter uitbreiding der kennis van het Rijk van Japan, vooral
in onze dagen van zoo bijzonder aanbelang.
P. A. LEUPE.
VERBETERINGEN.
Bl. 45 reg. 6 v. b. _staat_: Geuerael _lees_: Generael
„ 55 „ 10 v. b. „ middaeh „ middach
„ 73 „ 13 v. b. „ 2 min. „ 28 min.
„ 76 „ 21 v. b. „ 6¼ myl „ 6½ myl
„ 88 „ 14 v. b. „ somtyst „ somtyds
„ 105 „ 7 v. o. „ 16 min. „ 26 min.
„ 139 „ 7 v. o. „ 49 „ 40
„ 164 „ 4 v. b. „ 45 gr. „ 43 gr.
„ 182 „ 9 v. o. „ 12 min. „ 52 min.
„ 188 „ 3 v. b. Zie noot 34 op bl. 196.
„ 207 „ 1 v. b. _staat_: Novemer _lees_: November
„ 352 „ 14 v. b. „ 41 gr. „ 47 gr.
* * * * *
Verschil tusschen het JOURNAAL en het VERKORT JOURNAAL.
Journaal. Verkort Journaal.
Bl. 53 27 April gegiste breedte bevonden breedte.
„ 99 20 Junij 46 gr. 6 min. 46 gr. 7 min.
„ 183 4 Sept. 41 gr. 3 min. 41 gr. 5½ min.
„ 201 28 Oct. 160 gr. 5 min. 160 gr. 25 min.
„ 207 7 Nov. 31 gr. 22½ min. 38 gr. 53 min.
De verschillen, die minder dan eene minuut bedragen, zijn door ons niet
opgegeven.
INHOUD.
Inleiding. 3
Instructie voor den Schipper-Commandeur Maerten Gerritsen Vries,
en den Raed van ’t Fluytschip Castricum en ’t Jacht Breskens,
gedestineerd tot ontdecking van de onbekende Oostcust van
Tartariën, ’t coninckryck Cathaija en de Westcust van America,
mitsgaders de goud- en silver-rycke eylanden by Oosten Japan. 11
Remonstrantie ofte Corte Voorstellinge, omme een grooten schadt,
ofte wel nieuwen aenvang van negotie te crygen, op het ryck ende
Gout- ende Silver-Eylandt, gelegen in de Zuytzee, ter hoochte van
37½ graden, benoorden de Linie Equinoctiael. 35
Ordre tot de Zeylaegie voor den Schipper-Commandeur Maerten
Gerritsen Vries en de verdere overigheyd van de fluyt Castricum
ende ’t jacht Breskens, waer nae hun in ’t vaeren van hier langs
d’Oostcuste van Celebes tot het eyland Ternaten, voor het Casteel
Maleye sullen hebben te reguleren. 41
Journael ofte Dachregister, geanoteert ende beschreven door den
Opperstierman Cornelis Jansz. Coen. 45
Bijlagen. 233
Extracten uit de Resolutiën en Missiven van den Gouverneur-
Generaal en de Raden van Indië, betrekkelijk de reis van de
schepen Castricum en Breskens. 235
Aanteekeningen. 261
Aardrijks- en Volkenkundige Toelichtingen tot de Ontdekkingen
van Maerten Gerritsz. Vries door Jhr. Ph. F. von Siebold. 263
De Ontdekking van het Eiland Breskens en van de Quast’s
Eilanden. 267
De Ontdekking van de Tasman’s Eilanden. 270
De Ontdekking van de Oostkust van Japan van de Kaap Sirofama
van Nippon (Hoek Bosho) tot den Noordhoek. 276
De Ontdekking van het Land van Jezo. 295
De Stam der Aino’s. 354
De Taal der Aino’s. 381
Aino-Gesprekken. 387
Verzameling van Aino-Woorden. 388
Voortbrengselen der Aino-Landen. 401
Het Dierenrijk. 402
Het Plantenrijk. 414
Delfstoffen. 430
Tafel van Vergelijking van de Breedte- en Lengtebepalingen van
de Voornaamste Punten en Plaatsen van Jezo, de Zuidelijke
Kurilen en van Krafto. 436
Fac-similés
Kaart
INLEIDING.
Eene der belangrijkste ontdekkingsreizen, die er onder het bestuur van
den Gouverneur-Generaal Antonio van Diemen hebben plaats gehad, is die
onder het beleid van den Schipper-Commandeur Maerten Gerritsz. Vries in
het jaar 1643, met de schepen _Castricum_ en _Breskens_ naar het
Noord-Ooster-deel van _Azië_.
De aanleiding tot het doen dezer reize was vooral deze. In 1635 was er
door eenen Willem Verstegen, in dienst der Oost-Ind. Comp. in _Japan_
werkzaam geweest zijnde, »Eene Remonstrantie ofte Corte Voorstellinge,
omme een grooten schadt ofte wel nieuwen aenvang van negotie te crygen,
op het ryck ende Goudt ende Silver Eylant, gelegen in de Zuit-zee, ter
hoochte van 37½ graden benoorden de Linie Equinoctiael, gedirigeert aen
d’Ed. Heer Henricq Brouwer, Gouverneur-Generael enz.” Deze Gouverneur
vertrok spoedig na het ontvangen dezer Remonstrantie naar het Vaderland,
en liet het aan zijnen opvolger over, om die zaak in overweging te
nemen.
Hoe gaarne nu ook van Diemen, dadelijk na het aanvaarden van zijn
bestuur, schepen ter opsporing van die Eilanden had willen afzenden,
werd hij daarin door verschillende omstandigheden verhinderd, en niet
voor het jaar 1639 kon hij daaraan gevolg geven. Zoo schreef hij, onder
dagteekening van den 18 December 1639, aan de Bewindhebbers in het
Vaderland: »maer op enckel onvermogen ende dat doorgaens trachten de
negotie voor eenige saecken, exploicten ende ontdeckingen van vreemde
landen te prefereren, is d’opsoecking van goudt ende silverrycke
Eilanden ten Oosten _Japan_ gelegen, _wel tegen ons gemoet t’sedert anno
1636 uytgestelt ende suspens gebleven_; maer aengemerckt wesende, UEd.
tot derselver ontdeckingh, mitsgaders _Corea_ ende _Tartarise_ cust
inclineren, daertoe order geven, met hope van vruchtbaer succes; hebben
in conformité van onse resolutie dato 24 May bevooren, Comp^{s}.
presente als uyt _Nederlant_ te comen navale macht, tegen de voorhantse
ende ordinarie besendingh wel geexamineert ende overleyt, synde
goetgevonden ende vastgestelt, tot gemelte ontdecking te gebruycken de
fluytschepen _Engel_ ende de _Graff_, als de bequaemste op soo crappen
vaerwater. Ingevolge syn deselve yder met 45 coppen cloeck volck voor 12
maenden geprovideert, den 2 Juny passato onder ’t beleyt van den
Commandeur Matthys Quast uyt dese reede verseylt, met order by Oosten
_Banca_ den cours nae _Manilhae’s_ baye te doen, om ’t canael van
_Spirito Sancto_ te passeren ende alsoo om de Noort aen _Japans_
Oostsyde in de Noort-Weste winden te comen, de Eylanden 100, 150 ende
200 mylen tusschen de 30 en 36, mitsgaders ’t doelwith op 37½ graden
Noorderbreete, 400 mylen by Oosten _Japan_ gelegen, op te soecken ende
aentetreffen, als wanneer by nonopdoeningh gelast hebben, andere 200
mylen om de Oost te seylen ter selver hoochte, ende geen voordeel
bejegenende, dat van daer sullen trachten nae _Tartarien_ ende _Corea_,
ingevalle de winden (daer aen twyffelen) sulcx gedoogen, te comen.
Wyders soo wanneer keerende geen Noort connen winnen, andere 200 mylen
om de Oost aff te loopen, al waer’t op de custe van _West-Indien_, omme
t’onderstaen wat voordeel daer te bejagen sy, ende dan door den
Suyt-Oosten passaet te keeren nae _Tayouan_ off _Batavia_, nae sich den
tyt, weder ende wint voegen sal; mits dat in passant _Islas de
Ladrones_ verkenne en visiteere, gelyck dit ende sulcx meer ten dienste
van de Comp. gesegden Quast gerecommandeert hebben, by desselfs
instructie can worden beoogt, die UEd. gelieven te resumeren in ons
brieffbouck, onder dato primo Juny laest. Den Almogende bestiere alles
tot dienst van de Generale Comp., ende geve dat UEd. ter syner tyt
gewenst succes van dese expeditie mogen aencondigen.”
De reis van Quast leverde echter dat resultaat niet op, dat men er zich
van had voorgesteld. Bij brief van den 8 Januarij 1640 berigt van Diemen
den afloop dezer reize aan de Bewindhebbers aldus: »Met _Breda_ is
herwaerts onverrichter saecke van d’ontdeckingh der landen by Oosten
_Japan_ gelegen gekeert, den Commandeur Mathys Quast, hebbende ruym 600
mylen by Oosten _Japan_ op de geordonneerde hoochte affgeseylt, sonder
lant op te doen, als wanneer den windt sich sulcx presenteerde, dat
resolveerde nae de West te keeren, by Noorden _Japan_ de cust van
_Tartarien_, _Corea_ ende _China_ aen te doen, sulcx dat sy deselve
lenghte weder teruggekomen, tusschen de 42 en 38 graden Noorderbreete,
mede in ’t keeren geen landt vernomen, maer door sieckte overvallen
wesende, moesten d’ontdeckinge om de Noord staecken, ende syn by Oosten
_Japan_ seer miserabel ende swack van volck in _Tayouan_ den 24 November
aengelandt, hebbende op beyde de fluyten 38 man verloren, dat is byna de
helft van ’t ophebbende, van hier affgevaren volck.”[1]
[1] Zie Aanteekening.
Niettegenstaande dezen min gunstigen afloop der reize van Quast, werd er
besloten om andermaal een’ togt derwaarts te laten doen, maar ook nu
verloopt er door de belegering van _Malakka_, de zaken op _Ceylon_, de
reis van Tasman naar het Zuytland enz. weder een geruime tijd, alvorens
men schepen kan missen, om deze onderneming te bewerkstelligen. In 1643
evenwel heeft de reis voortgang, en werden de schepen _Castricum_ en
_Breskens_ onder de bevelen gesteld van den ervaren Schipper-Commandeur
Maerten Gerritsz. Vries of de Vries, zoo als wij hem ook wel in
officieele bescheiden genoemd vinden. In een gedeeltelijk in cijfer
geschreven missive aan de Bewindh. in dato 23 Januarij 1643, wordt hen
hiervan op deze wijze kennis gegeven: »Tot ontdeckingh van de Noordcuste
M. r. k. M. r. k. c. b. d. ende van daer omme andermael optesoecken, de
XXI ende IV rycke 24, 39, 17, 30, 16, 5, 50, 20, by tt. h. m. b. d. c.
r. f. r. d. syn geprojecteert de fluyt _Castricum_ ende ’t jacht
_Breskens_, sullen ultimo deser de reyse aenvangen, onder ’t bestier van
den _ervaren Schipper_ Maerten Gerritsen Vries, de cours is van hier by
Noorden _Celebes_ nae _Ternaten_ ende van daer by Oosten 11, 9, 16, 10,
2, om de 2, 25, 20, 72, 22, custe van M. r. k. M. r. k. c. b. d.
aentesoecken, ’t welck gesustineert wordt in den somertyt sal connen
geeffectueert worden, ende dan voorts om de Oost, daer men meent
d’aengetogen Eylanden op te doen[2]. ’T succes van d’een ende d’ander
wordt UEd. nae desen gecundicht.”
[2] Zie Aanteekening.
Aan den Vice-Gouverneur Wouter Seroyen te _Ternaten_ werd van het doel
hunner reize en om hun daarin op alle mogelijke wijze bevorderlijk te
zijn, bij missive van den 31 Januarij kennis gegeven. »Dese gaet per ’t
fluytschip _Castricum_ ende ’t jacht _Breskens_, onder commando van den
Schipper-Commandeur Maerten Gerritsen Vries, over _Ternate_, tot
ontdeckingh van de Oostkuste van _Tartarien_ ende om op te soecken
d’onbekende Eylanden Oostwaerts gelegen. UEd. sal deselve costy omme
geene redenen ophouden, veel min veranderingh in ’t ophebbende volck als
officieren, soldaten off varentvolck doen, ten waere eenige siecken
tegen cloecke gesonde wisselden; de gemelte schepen ende volck
geduyrende haer verblyff (dat cort sal wesen) soo veel mogelyck
verversende, _daeromme geen costen noch coebeesten sparende, sult hun
van alles tot de reyse soo veel te becomen sy versorgen_, vooral
_beestiael_, dat costy niet ontbreekt. Hiertoe ons verlatende sullen met
d’eerste gelegentheyt per brieven van de overhoofden deser schepen
gaerne vernemen, hun desen aengaende contentement gedaen sy, dit ons
desseyn soo veel mogelyck secreet houdende, voorgevende dat omtrent
_Manilha_ om buyt ende advantagie te becomen, gedestineert syn te
cruysen.”
Ook aan de Vries gelukte het niet die rijke Goud- en Zilver-Eilanden te
vinden, maar daarentegen is zijne reis hoogstbelangrijk geweest voor de
uitbreiding der aardrijkskunde, want behalve dat men beter bekend werd
met de kusten van _Japan_, werden door hem eilanden en straten ontdekt
en benoemd, waarvan men tot dus verre slechts weinig of geen kennis had.
De mededeelingen, die men van de reis van de _Castricum_ en de
_Breskens_ heeft, zijn zeer onvolkomen en bestaan voornamelijk in eenige
opgaven, voorkomende bij Nicolaas Witsen in zijn werk over _Noord-_ en
_Oost-Tartarije_[3], en daaruit bij Buache[4] overgenomen, zoo ook in de
»Koorte Beschryvinghe van het Eylandt _Eso_, soo als het eerst in den
jare 1643 van ’t schip _Castricum_ beseylt ende ondervonden is”[5].
Eerst 144 jaren daarna is het den verdienstelijken, doch ongelukkigen
Franschen zeereiziger la Pérouse[6], die ons met de belangrijkheid van
de reis van de Vries bekend maakt. Het is dan ook vooral na dezen
reiziger, dat de Hoogleeraar Moll in zijne Verhandeling[7] ons het een
en ander over de Vries en zijne verrigtingen bekend maakt.
[3, 4, 5, 6, 7] Zie Aanteekeningen.
Het mogt den Hoogleeraar von Siebold in het jaar 1842 met behulp van den
Heer P. L. de Munnick, gelukken, in het Oud-Koloniaal Archief alhier, de
Instructie voor de reis van de Vries vastgesteld te vinden. Ze werd
gedeeltelijk geplaatst en toegelicht door den Heer P. B^{r}. Melvill van
Carnbée in de Moniteur des Indes[8]. Deze geachte hydrograaf beklaagt
zich ten hoogste, dat de journalen van de Vries niet uitgegeven zijn.
Hij zegt[9]: »Il est fort à regretter que les journaux de de Vries
n’aient jamais été publiés; nous n’avons de son voyage que peu de
détails, qui se trouvent dans l’ouvrage de Mr. Nicolaas Witsen, et qui
ont servi au recit qu’en donna plus tard Mr. Philippe Buache. Il parait
que nos ancêtres firent peu de cas de ces voyages, qui n’eurent, il est
vrai, peu ou moins de resultats immédiats pour le commerce, mais qui
furent pourtant très importants pour la géographie. C’est à cela
apparement qu’on doit attribuer que dans les ouvrages de ce temps-là il
n’est fait mention des voyages de Quast, Vries et de plusieurs autres
encore, qu’en passant et que ce n’est qu’un et deux siècles après qu’on
s’aperçut que ces mêmes voyages furent et _sont encore aujourd’hui du
plus haut intérêt pour les sciences géographiques_.”
[8, 9] Zie Aanteekeningen.
Ook in het nog niet lang geleden (1852) voor de kennis van _Japan_ zoo
hoogst belangrijk uitgekomen werk van den Hoogleeraar von Siebold lezen
wij[10], nadat de geachte Hoogleeraar alvorens een overzigt der reis van
de _Castricum_ heeft gegeven: »Die volständigen Reiseberichte der beiden
Schiffe _Castricum_ und _Breskens_, wovon wir nur die obenerwähnten
Auszüge kennen, scheinen verloren gegangen oder noch in irgend einem
Archive in _Holland_ oder zu _Batavia_ verborgen zu liegen.”
[10] Zie Aanteekeningen.
Het oorspronkelijke volledige Journaal van de _Castricum_, dat wij het
genoegen hebben onzen lezers aan te bieden, is gehouden door zijnen
verdienstelijken Opperstuurman Cornelis Jansz. Coen[11]. Het werd aan de
Bewindhebbers in het Vaderland opgezonden en bevat eenen schat van
opmerkingen en waarnemingen, zoodat het de behartiging overwaardig is.
[11] Zie Aanteekeningen.
Dat de waarnemingen op deze reis gehouden naauwkeurig waren, hiervoor
staat ons een la Pérouse borg, die met zoo veel betere instrumenten
uitgerust, gevoegd bij den hoogeren stand, waarop de kennis der zeevaart
te zijnen tijde stond, gaarne de getuigenis aflegde: »que la navigation
du Capitaine Uries (Vries) est la plus exacte, qui ait pu être
faite dans un temps, où les methodes d’observation étaient très
grossières”[12].
[12] Zie Aanteekeningen.
Wij hebben het Journaal doen voorafgaan door de Instructie aan de Vries
voor dien togt medegegeven, en de Remonstrantie van Willem Verstegen aan
den Gouverneur-Generaal Henrick Brouwer ingezonden; terwijl wij
eindelijk eenige uittreksels uit de brieven van den Gouverneur-Generaal
Antonio van Diemen en Raden van _Indië_, over den afloop van de reis van
de Vries, zoo mede eenige aanteekeningen over dezen Commandeur, als
Bijlagen laten volgen.
* * * * *
Het Journaal van den Opperstuurman Cornelis Jansz. Coen, dat ons
aanleiding verschafte om op het Oud-Koloniaal Archief eenige nasporingen
te bewerkstelligen omtrent de reis van de Vries in 1643, behoort in
eigendom aan den Hoog-Welgeboren Heer, Jonkheer J. Huydecoper van
Maarseveen, die, ter liefde der wetenschap, de uitgave wel heeft
gelieven te vergunnen, waardoor Z.H.W.G. allen, die de gedane
ontdekkingen der _Hollanders_ in de 17^{e} eeuw op prijs stellen, ten
hoogste aan zich verpligt heeft; want na alle daartoe aangewende
pogingen, was men tot dus verre niet geslaagd, om de Journalen van de
_Castricum_ en de _Breskens_ terug te vinden; men mag zich derhalve
verheugen, dat ten minste een derzelve voor de vergetelheid bewaard is
gebleven, en wel dat, dat naar ons inzien door den Gouverneur-Generaal
Antonio van Diemen en de Raden van Indië, bij hunne missive van den 4
Januarij 1644, naar het Vaderland werd gezonden.
INSTRUCTIE
_voor den Schipper-Commandeur_ Maerten Gerritsen Vries, _en den
Raed van ’t Fluytschip_ Castricum _en ’t Jacht_ Breskens,
_gedestineerd tot ontdecking van de onbekende Oostcust van_
Tartariën, _’t coninckryck_ Cathaija _en de Westcust van_
America, _mitsgaders de_ goud- _en_ silver-_rycke eylanden by
Oosten_ Japan.
Bij de geloofwaerdighste geographen ofte wereldbeschrijvers werd onder
de groote landen van _Asia_, _Tartariën_ ofte _Tartaria_ (als ’t
grootste land) gesteld, dat in ’t Noorden van de _Yszee_, in ’t Westen
van _Rusland_ en _Polen_, in ’t Zuyden van de _Zwarte zee_, ’t
_Caspische-meer_, de landen van _Bactriana_ en _India_, ende in ’t
Oosten van _China_ en den onbekenden _Tartarischen Oceaan_ bepaeld is;
hebbende in de lenghte van ’t Oosten nae ’t Westen niet min dan
negenhondert en in de breedte van ’t Zuyden nae ’t Noorden wel 450
duytsche mijlen, in welck ruym begryp (sijnde grooter als geheel
_Europa_) veel groote landen, provintien, meeren en woestijnen gelegen
sijn. Onder anderen werd voor ’t aldertreffelyckste deel ’t vermaerde
coninckryck van _Cathaya_, onder ’t getemperde climaet van omtrent de
vyftigh graden by Noorden den Aequator, gestelt, wesende d’eerste
provintie van ’t keyser-ryck des grooten _Chams_, welcken prince den
stoel syner Monarchia in de groote Hooftstad _Cambalú_ houd, dat een
plaetse van wonderlycke commercien werd befaemd, daer seer grooten
handel van allerley binnenlandse oft _Tartarische_ en buytenlandse
_Chineese_ waren en coopmanschappen gedreven werd. De Oostcust van dit
land is bovenmate schip-ryck befaemd, mits de groote trafficquen, die
van dit ryck op d’omtrent gelegen landen en custen gedreven werd, doch
vermits in eenen hoeck van den aerdcloot gelegen, werd tot noch van geen
_Europeanen_, noch eenig _Orientaelse_ natien, selfs oock niet van de
aenpalende _Chynesen_ gefrequenteerd, maer als verborgen, te verre
affgelegen, en schier als buyten de wereld geacht.
De seeckerheyt van dese gementioneerde gelegentheyd des vermaerden
lantschaps _Cathaya_, heeft aen veel geleerde cosmographen en piloten
oorsaeck gegeven, op d’ontdeckinge deses conincx-rycx ernstelyck te
schryven en diverse wegen, soo door ’t Orientaelse _India_ en de straete
_Magelanus_, als door ’t Noorder _America_ by de _Enghte Davids_, mede
omtrent _Nova Sembla_ en recht onder ofte over den _Noorderpool_ eene
passagie derwaerts aan te wysen, daer op oock door de drie laetste wegen
diversche preuven van _d’Engelse_ en _Nederlandse_ natien ondernomen
sijn, maer alle te vergeefs, gelyck mede de twee voyagies door den
vermaerden Jan Huyghen van Linschoten, uyt bevel van de Ho. Mo. Heeren
Staten Generael der Vereenighde _Nederlanden_, ten selven eynde in den
jare 1594 met 2 schepen, en An^{o} 1595 met seven schepen, onvruchtelyck
is gedaen. En alhoewel in d’eerste reyse een passagie by ’t eyland
_Waygats_, door de strate ofte enghte van _Nassauw_ tusschen _Moscovia_
en _Nova Sembla_ tot in de _Tartarische Noordzee_ wierd ontdeckt, soo is
nochtans de tweede reyse desen ontdeckten wegh door menighte van ys
onbruyckelyck gevonden en de vlote sonder verhoopt effect in _Nederland_
gekeert. Sedert dien tyd hebben alle natien van de _Tartarische_
ontdeckinghe in ’t Noorden, als van een ondoenelycke saecke
gedissisteert, en door ’t _Orientaelse_ ofte _Occidentaelse India_ is,
’t door onvermogentheyd ofte cleyne curieusheyt van de Gouverneurs des
conincx van _Hispania_ (onaengesien de beter gelegentheyd als in
_Europa_), niet onderleyd; immers van dien mogende Prince (als wesende
noch ontydigh) niet gemandeert, gelyck mede by geen andere aldaer
traffiqueerende _Europeanen_ is onderstaen, tot dat in den jare 1639
(staende ons Gouverno) twee fluytscheepen onder den Comm. Mathys Quast,
tot ontdeckinge van de _Tartarische_ Oostcust, insonderheyd de befaemde
_Goud-_ en _Silver-_rycke eylanden by Oosten _Japan_, derrewaerts syn
gesonden, die almede door ongeluckige toevallen, sonder yets nuttelycx
te verrichten, wedergekeerd syn.
Maer dewyle uyt de gewenschte ontdeckinge van _Cathaya_ en de
daeromtrent gelegene landen groote nuttigheden, soo door commercien als
conquesten, insonderheyd de voortplantinge van de ware christelycke
religie, met goede redenen te hopen syn, en presentelycken geen christen
prins, noch republique, daertoe beter gelegentheyd, als den vryen
_Nederlandschen_ staet ofte derselver Orientaelse Comp. heeft, welcx
hooftstad _Batavia_ daertoe bequaem gelegen is, en door de nadere
gelegentheid van desselfs conquesten in _Molucco_ en _Formosa_ nae
wensch geaccomodeert can worden, soo is dese dienstige ontdeckinge
andermael by der hand te nemen, van de Heeren onse meesters de Novo
gansch ernstigh gerecommandeert. En dewyle wy sulcx mede een nodige
saecke achten, en de Comp. tegenwoordigh van schepen soo is versien, dat
gevoughelyck sonder vercorting van de ordinarie commercien en
oorloghs-besendingen wel twee bequaeme schepen connen affgesteecken
werden, soo is in Raden van _India_ gearresteert, dese pryselycke
ontdeckinge niet langer te retarderen, maer ’t fluytschip _Castricum_
met ’t jacht _Breskens_ (van alle nootwendigheden wel versien)
derrewaerts uyt te setten en UE. als bequaem en tot dese reyse wel
genegen, ’t beleyd van dien te vertrouwen en bevelen, op seeckere hope
dese importante voyagie met de nodige couragie, goed beleyd, en
vereyschte pascientie, wel en met wackere voorsichtigheyd bestieren
sult, soo als voor ons, t’uwer wedercomste, ten contentemente sult menen
te verantwoorden. By den ervaren Piloot-Major Franchoys Jacobsen
Visscher, UE. en andere curieuse personen, syn ons verscheyden wegen
tot d’ontdeckinge van _Tartaria_ en d’eylanden by Oosten _Japan_ in
schriftelycke vertoogen voorgesteld, die UE., om in desen daervan geen
ontleding te doen, alle in copyen ter hand gesteld worden, opdat t’syner
tyd daervan gediend cond syn. Alleen raken met een woord, wy Visschers
en Verstegens opinie, van den cours tusschen _Japan_ en _Corea_ te
nemen, mits d’onseeckerheyd van bequaemen doorgangh, en d’aparentie van
veel droogten en clippen, al te periculeus en ongeraden achten, maer ons
met uwe meyninge van den wegh by Oosten buyten _Japan_, door ruyme zee
te nemen, als den seeckersten, confirmeren; te meer geensints connen
opinieren, de Westelycke passaetwind in dat geweste by den somertyd soo
crachtigh en gedurigh doorblaest, dat niet bequamelyck van de _Oost_ nae
de _West_ geseyld can worden, gelyck sulcx op de reyse van den
Commandeur Quast, onaengesien den laten herfsttyd, selfs 2 à 300 mylen
buyten alle landen contrarie bevonden is, en over sulcx buyten twyffel
in de maenden van Juny en July de _Tartarise_ custen, van by Oosten
_Japan_, bequaemelyck te beseylen syn, met groote aparentie, dat door de
naegelegentheyd der landen, van de 40 graden Noordelyck op, in de
_Tartarischen_ oceaen, geen contra passaet, maer variable winden (als
omtrent _Europa_) gevonden sullen worden. UE. sullen dan de ontdeckinge
van _Tartaria_, by Oosten buyten om _Japan_, als door den bequaemsten en
min periculeusten wegh, voorsichtelycken doen, en ’t naervolgende u
daerinne tot een regel van Instructie laten dienen, nochtans met dien
verstande, sulcx nae eysch van tyd, plaetsen en voorcomende
gelegentheden, met advys van rade, soo te mogen corrigeren als den
dienst van de Comp. tot erlangen van ons desseyn soude mogen
vereysschen, ’t welck uwe goede experientie en vertrouwd beleyd bevolen
laten.
Aanvanckelycken sullen UE. op morgen vrough, nae gedaene monsteringh,
gesaementlyck onder seyl gaen, en uwen cours soodanigh nae _Molucca_
stellen, als by aparte instructie is geordonneerd, waernaer u op de
derrewaertse reyse in alles te reguleeren hebt.
Met lieff in _Tarnata_ voor ’t casteel _Maleya_ aengecomen wesende, sult
onse neffensgaende brieven aen den vice-gouverneur Wouter Seroyen
behandigen en desselfs ordre ten dienste van de Comp. obedieren,
mitsgaders uwe schepen van water, brandhout en ’t gunt meer nodigh wesen
mocht, ruymelycken versien, ’t scheepsvolcq, gedurende ’t aenwesen
aldaer, met versche spyse wel ververschen en daervan op ’t vertreck
behoorlyck provideren, waertoe aen den Heer Seroyen de nodige ordre
gegeven werd, die u dienvolgens nae eysch en vermogen behulpigh wesen
sal, waermede wy begeeren geenen tyd onnuttelyck sal doorgebracht
worden, maar alles op ’t vlytighste soo cort beschicken, dat vóór ofte
ten langhste in ’t begin van April, uwe importante reyse van daer
beginnen moght. Doch sult alvorens met advys des Raeds een goeden
seinbrieff formeren, waerin mede dient gedacht, soo de schepen door
storm, ofte ander incident (dat God verhoede) van den anderen quaemen te
versteecken, door wat middel weder bequaemelycxst byeen geraecken
mochten, waaraen tot volvoeren van ons concept ten hooghsten gelegen is.
Nae becomen geryff van alle nootwendigheden sult (als geseght) op primo
April ofte vroeger, de voyagie in den name Godes aenvangen, stellende
den cours, als buyten _Gilolo_ gecomen syt, Noord-Oostwaerts om, met de
soele en variable winden, die er dit saysoen des jaers ordinairie in dat
gewest waeyen, welcke hun op de Noorderbreedte van 10 à 15 graden
omtrent ’t Zuid-Oosten vaststellen sullen, waermede dan allenxkens wat
Noordelycker en recht door zee, nae de Oostcust van _Japan_ seylen en ’t
land op omtrent de 37 graden in ’t gesichte loopen sult. ’t Is seer
aparent in dese passagie wel eenige onbekende ofte dependerende eylanden
van de archipelago de _St. Lasaro_ ofte _Islas de las Veslas_, anders
genaemt de _Ladrones_, bejegenen sult, om welcken aen te doen geen tyd
sal dienen gespilt, maer nae onbekende drooghten en clippen wel
naerstigh uytgesien.
Wy verhopen gylieden omtrent 20 à 25 May de Oostcust van _Japan_ aen
boord sult hebben, van waer uwen wegh, langhs en in ’t gesichte van ’t
land, soo lange Noord- en Noord-Westwaerts nemen sult, tot dat de cust
haer Westelycker ontvalt, opdat in passant ervaren werde, hoe verre ’t
uytterste van _Japan_ om de Noord gelegen is, en off het land, dat by de
_Japanezen_ _Jeso_ werd genaemt, op sulcken cours bejegenen en vernemen
cond, ’t selve ’t vaste land van _China_ off _Tartaria_ sy, ofte wel een
bysonder en tusschenbeyde gelegen land ofte een eyland te wesen,
waermede wy verstaen oock geenen sonderlingen tyd consumeren sult, maar
uwen cours soo langh Noord-Westwaert vervolgen, tot dat de cust van
_Tartaria_ ofte _Cathaya_ ontdeckt, pogende sulcx soo Zuydelyck te doen,
als den wind gedogen en ’t aengetogen land van _Jeso_ toelaeten sal, ’t
welck verhopen tusschen de 40 à 45 graden sal connen geschieden, als
wanneer langhs de cust Noordwaerts, ofte soo die strecken mach, sult
dienen te seylen, tot dat de rivieren _Polisangi_, de _Cathayse_
zee-steden _Jangio_, _Brema_ off soodanigen baeye, haeven ofte rivieren
ontdeckt, daer de schepen bequaemelyck geberght connen worden, en waer
steden, vlecken, ofte bevolckingh is, ten eynde ’s lands gelegentheyd in
corten tyd soodanigh ondersocht en vernomen mach worden, als hier onder
op syn plaetse omstandigh aangewesen werd.
’t Is grootelycx te vermoeden, UE. aen en omtrent de _Cathayse_ cust wel
eenige schepen, joncquen ofte vaertuyghen bejegenen sult; dewyle die
meest den aerdkloot beschryven, niet alleen de _Tartarische_ custen,
maer den aengelegen oceaen seer scheep-ryck achten, affirmerende daer
grooten coophandel van de omgelegen landen en eylanden met den anderen
gedreven werd. Sulcx soo bevindende, dient gedurigh voorsichtigh op
hoede te wesen en by bejegeningh van vaertuygh, daer tegen geen trots
noch force te oeffenen, maer met beleefde bejegeninge en vriendelyck
tractement, des volcx gunste trachten te winnen en scherpelyck de
gelegentheyt hunner reysen te vernemen, oock waer de voornaemste havens
en coopsteden, insonderheyt de riviere _Polisangi_ en _Jangio_ gelegen
syn, door welcke en de bovengeschreven middelen wy niet willen twyfelen,
off sult d’een off d’ander bequaeme rede en gepopuleerde plaetse in
_Tartaria_ ofte _Cathaya_ omtrent 15 à 20 Juny connen aendoen, synde
aldaer den soetsten somertyt en langhste dagen, dat d’ontdecking
grootelycx accomoderen en de daeraen gelegene peryckelen seer
verminderen sal.
Alle landen, eylanden, hoecken, bochten, inwycken, baeyen, rivieren,
drooghten, bancken, sanden, reven, clippen en rutsen, die in dese
ontdeckinge, soowel in den Oceaen, als op de custen van _Japan_, _Jeso_,
_Cathaya_ off _Tartaria_ bejegenen en passeren sult, moeten UEd. perfect
carteren en beschryven, alsmede de opdoeninge en gedaente wel
affteyckenen, tot welcken eynde u een teykenaer mede gegeven werd, mede
wel sorghvuldigh noterende op wat hooghte ofte breedte, hoedanige
streckinge en distantie de custen, eylanden, capen, hooffden ofte
hoecken, baeyen en rivieren van den anderen gelegen syn, wat kennelycke
mercken, als bergen, heuvelen, boomen off gebouwen (waeraen men die mogt
kennen) daer op te sien syn. Mede wat diepten en ondiepten van gronden,
blinde clippen, affschietende reven aen de hoecken sullen gelegen wesen,
hoe en op wat mercken die bequaemelyck te schuwen syn, item off de
gronden hard, scherp, weeck, vlack opgaende ofte steyl syn, off men die
op ’t lood magh aendoen ofte niet, op wat mercken men de beste
anckerplaetsen in reden en baeyen vind, hoe de gaten en rivieren
instrecken en te beseylen syn, wat winden in die gewesten waeyen, hoe de
stroomen loopen, off ebbe en vloed hun nae de maen off winden reguleren,
wat veranderingh van moessons, regen en drooghte bevind, voorders
naerstelyck opserverende en noterende, daer ervaren stierlieden op te
letten staet, en in ’t toecomende tot ’t bevaren van de ontdeckte landen
dienstigh wesen can. Den bequaemen tyd des jaers, als ’t somerweder,
lange dagen en corte nachten, sullen, als boven aengewesen is, tot de
voorgenomen ontdeckingh en waernemingh van alle d’aengetogen saecken
seer dienstigh syn, weshalven nergens tyd versuymen noch onnoodigh
consumeren sult, maer als meermael geseyd, het beste van den somer en
goed weder gebruycken, wanneer soowel by nacht als dagh sult connen
voortseylen, ’t welck in ’t corten der dagen en by donckeremanen, om
alles in ’t sicht te crygen, soo niet geschieden can, oversulcx daeraen,
om spoedigh en in corten tyd veel t’ ontdecken, ten hooghsten gelegen
is.
Echter om de _Tartarise_ en _Cathayse_ custen naer eysch wel t’
ontdecken, sal ’t nodigh wesen, nu en dan, ter gelegener tyd en
bequaemer plaetsen, ten ancker te comen, altyd soeckende en kiesende
soodanige baeyen ofte reden, daer met de minste peryckelen inlopen,
leggen, vertrecken, en by toevallende winden ofte andersints
bequaemelyck ruymen condt. Vooral sal in ’t landen met u cleyn vaertuygh
groote sorgvuldigheyd en circumspecte voorsichtigheyd dienen gebruyckt,
alsoo onseecker is wat soort van menschen dit onbekende deel van
_Tartarie_ besitten, ’t welcke soowel met rouwe, wilde, woeste barbaren
als van geciviliseerde en gepoliceerde lieden can bevolckt wesen,
waeromme altyd wel gewapend en op hoede wesen moet; want by experientie
in alle gewesten des aerdcloots bevonden is, geene barbare-natien te
vertrouwen syn, vermits gemeenlyck opinieren, dat het volcq, ’t welck
hun soo onverwacht en vreemd verschynt, alleen comen om hare landen in
te nemen; dat in ’t ondecken van _America_ en d’Orientaelse landen, aen
’t verassen en doodslaen van veel sorghloose en lichtvertrouwende
ontdeckers, menighmael tot ruyne hunner voyagies gebleecken is. Om
welcke respecten de barbaren, die rencontreren en ter spraecke comen
mocht, stadigh wel en minnelyck bejegenen sult, en cleyne afronten van
dieverye ofte andersints, die aen d’onse mochten plegen, ongemerckt
laten henengaen, om door ’t revengeren geen afkeer van ons te causeren,
maer by alle doenelycke middelen pogen, hunlieden t’uwaerts te trecken,
opdat te beter en spoediger de gelegentheden van haer en hare landen
vernemen moght, insonderheyd off daer iets nuttelycx voor ons te
verrighten is.
Van de gelegentheyd der landen, wat vruchten en bestiael daer sy,
hoedanige timmeragie van huysen, ’t fatsoen en wesen der inwoonderen,
haer cledingh, waepenen, seden, manieren, spyse, erneringh, religie,
regering, oorloge, en andere merckwaerdige saecken meer, insonderheyd
offse goed ofte boosaerdigh syn, sult nae toelatingh des tyds wel pogen
te vernemen, hun vertonende diversche monsters van de goederen ten dien
eynde medegegeven, om te onderstaen wat waren en materialen sy hebben,
en hoedanige van de onse weder begeren, alle ’t welck scherpelyck
aenmercken, wel affteyckenen en correct beschryven sult, houdende ten
dien eynde een breed en wel geextendeert Journael, daer alle uwe
resconteren perfectelyck in aengeteyckend worden, om daermede op u
wederkeeren, behoorlyck raport aen ons te connen doen.
Dewyle ’t landschap _Cathaya_ aparent met civiele menschen is
gepopuleert, sullen UE., daer gecomen synde, den Assistent David Cassu,
_Tartaer_, den bosschieter Jurriaen Scholte, ofte een van de 4 soldaten,
die de _Moscovise_ ofte _Poolse_ tale can, aen land senden, om by de
daer synde overigheyd te versoecken, vryelyck aen land te mogen comen,
wanneer, met volcomen licentie, een van d’Onder cooplieden ofte
Assistenten, neffens een taelman met eene cleyne vereeringh aan land
schicken en de regeerders doen begroeten sult; hunlieden van wegen den
Staet onser Republicque, specialycken den Gouverneur-Generael en Raden
van _India_, alle vrundschap en onderlinge commercien aenbieden,
openende de conditien van dien, als namentlyck, dat wy _Nederlanders_
ter zee met alle Conincrycken en natien van de geheele wereld vrundelyck
trafficqueren en negotieren, hebbende daertoe allerley coopmanschappen,
en beter commoditeyten als alle andere natien des werelds, ende dat
gemelte uwe gebiedende overheyd seeckerlyck vernomen hebbende, hoe in
dat selve land oprechte handelingh en trafficque gedreven werd,
goedgevonden hebben, dese twee schepen onder goede regeringe derwaerts
te schicken, met al sulcke waren, coopmanschappen, rariteyten, als by
vrye toelatingh van negotie vertonen cond, en sulcx ten dien fyne als
vrunden versoeckt.
Nae becomen antwoord sullen UE. hen tot voordere conferentie off de
vergunde commercien, nae tyd en plaets gelegentheyd, doch doorgaens met
wackere voorsichtigheyd, moeten schicken; vertonende ordentelyck de
coopmanschappen en monsters van de waren ten dien eynde medegegeven en
in yder schip de helft verdeelt, waervan ’t eene voor _Cathaya_, en ’t
ander voor de eylanden by Oosten _Japan_ gelegen, mede gegeven word.
Welcken volgende versorgen moet, dat van yder soorte der goederen een
gedeelte tot monsters voor die eylanden bewaert werde, gelyck sulcx mede
perfectelyck by factura aangewesen word, monterende gesaementlyck ter
somme van Gl. 13740,8,4, waervan door den Ondercoopman Willem Byleveld
negotie boecxkens in behoorlycke forme, tot reeckeninge, bewys en
reliqua doen houden sult.
In ’t vertonen van de gemelte goederen en monsters sullen UE. met de
Ondercooplieden wel en scherpelyck letten, waervan dese natie attentie
maecken en tot wat goederen meest genegen syn, insgelycx bespeuren wat
coopmanschappen en waeren sylieden daer hebben, insonderheyd nae goud en
silver ende of dat metael by hun in waerdige achtingh is; UE. gelatende
daernae niet graegh te wesen, om hunlieden van desselfs precieuse
waerdye oncundigh te houden, en soo ’t selve in mangelingh van uwe
goederen mochten presenteren, moet u houden off die specy niet
estimeerde, maer vertonen coper, spiaulter, thin en lood, even off die
mineralen by ons van meerder waerdye waren. En soo gy hun tot handelen
genegen vindt, sult onse coopmanschappen, insonderheyd daer gretighst
nae syn en ’t welcke wy meynen de laeckenen sullen wesen, in soodanige
estime houden, dat niet als met groot proffyt vercocht off vermangeldt
werden, noch niet anders aennemende, als ’t geene seeckerlyck weet voor
de Comp. proffytabel te syn, ’t welcke hem selfs in ’t handelen wel
wysen sal; sullende in ’t bysonder nodigh wesen, van de daer synde waren
monsters, en van alle andere perfecte notitie herwaerts brenght, om te
sien wat retouren van daer getrocken connen werden en in toecomende
daervan gediend te syn.
Mits de onseeckere cundschap van de waere gelegentheyd des _Cathaysen_
Conincrycx, sal ’t nodigh wesen nae de volgende particulariteyten wel
scherpelycken te vernemen:
De grootheyd des lands en desselfs hoedaenigheyd, wat steden, vlecken,
vermaerde rivieren, bergen en woestynen ’t selve heeft, hoe en waer
gelegen, ende wat landen dese provintie tot gebueren heeft.
In wat plaetse de hooftstad _Cambalu_ leyd; desselfs groote,
gelegentheyt, hoedanigheyd etc., wat zee- off coopstad daer heeft ofte
naest aengelegen is, en hoe daer bequaemelycxt gereyst can werden.
Wat zeeplaetsen, coopsteden, baeyen, haevenen en schipvaerd daer is, en
wat commercien door dat ryck en in desselfs naburige landen gedreven
werd, specialycken in hoedanige waren die bestaen.
Wat vruchten, bestiael en minerael daer syn, en wat der inwoonderen
principale neringh en hanteringh is.
Wat Godsdienst sy hebben, en off van eene ofte differente religie syn,
specialycken off het Christen en Mahometse gelove daer mede gevonden
werd, en d’hoedanigheid van dien.
Insonderheyd off des lands regeringh en hooghste overheyd by een
Coninck, den adel off ’t gemeyne volcq bestaet, en tot wat plaetse
desselfs opperste residentie is. Ende soo ’t een Coninck wesen mocht,
off dien Prince den groten Cham, Monargh off Keyser der _Tartaren_ sy,
waerinne desselfs crygsmaght en ryckdom bestaet, en wat authoriteyt en
hulpe hy in de regeringh en justitie heeft; met wat landen, natien en
Princen hy in oorlogh en vrede is, hoe die gevoerd en onderhouden werd,
en specialycken off desen Prince tot vremde natien en ongemene dingen
genegen is.
Mitsgaders sulcx meer, als de Heeren onse meesters op ’t stellen der
raporten by memorie ordonneren en UE. selfs nae tydsgelegenheyd nodigh
en doenelyck vinden sult.
Indien gylieden de _Cathayse_ natie affabel en t’ uwaerts vrundelyck,
mitsgaders het land van soodanigen gelegentheyd vind, dat aldaer voor de
generale Comp. seeckerlyck een importante en proffytabele negotie
gefondeert can werden, sullen UE. aen ’s lands overheyd versoecken, een
contract ofte verbond van een gestadige, oprechte handelinge, traffycque
en navigatie tot gemene welvaert van dat ryck en onse republique, met
d’ingesetene van dien, mach getroffen werden, en soo hierinne werd
geconsenteert, een gesant (soo hun sulcx mocht gevallen) met den eersten
derwaerts comen sal. Ten selven eynde sal UE., indien de overheyd sulcx
ernstich begeren mochten, wel 2 à 3 personen om de tale en coustuyme te
leren, alsmede ’s lands gelegentheyd etc. perfectelyck te vernemen,
daer, met resolutie des Raeds, wel mogen laten, en hunlieden daertoe met
nodige instructie en eenige coopmanschappen, tot preuve van negotie en
onderhoud versien, versorgende geen andere daertoe als gauwe, wellevende
en minnelycke jonge borsten worden gebruyckt; gelyck mede in dien
gevalle t’ hunnen versoecke mogen consenteren, gelyck getal van de
haere, om onse gelegentheyd te comen besichtigen, herwaerts te brengen,
en hun vastelyck toeseggen, ’t naeste jaer met haer volcq en veel
dienstige coopmanschappen, daer weder verschynen sult.
Mede, soo bevind, dat land van soo mogenden Coninck werd beheerscht, als
in ’t begin van dese Instructie eenighsints aengeroerd en van diversche
autheuren beschreven werd, sal UE. met goedvinden des Raeds en advys van
de regenten van de plaets uwes aenwesens, de daer blyvende residenten
wel mogen gelasten, een reyse nae ’s rycx hooftstad te doen, om de
Conincklycke Maij^{t}., met een presentje van de medenemende rariteyten,
uyt onsen name te congratuleren en soodanige aenbiedinge van vrundschap
en verbond te doen, als hierboven aengewesen is, daer noch byvoegende ’t
gunt ten meesten dienste van de Comp. sult bevinden te vereysschen.
Alle insolentie en moetwil van ’t scheepsvolcq tegen d’ontdeckte natien,
sult voorsichtelyck prevenieren en versorgen hun geen overlast in haere
huysen, thuynen, vaertuygh, middelen ofte vrouwen etc. werd aengedaen,
insgelycx geen inwoonders tegen hunnen wille uyt haer land vervoeren,
maer soo eenige weynige vrywilligh daertoe genegen syn, mocht die alsdan
wel herwaerts brengen.
’T gunt voorders in _Cathaya_ sal dienen gedaen, sullen hun, als synde
ongeboorne dingen, niet instrueren, maer sulcx UE. en des Raeds
vertrouwt beleyd bevolen laten, alleen recommanderen serieuselyck in
alles soodanige voorsichtigheyd te gebruycken, dat ’s Comp^{s}.
costelycke schepen en volcq, buyten alle vermoedelycke peryckelen soo
veel doenelyck gehouden werden; om ’t welcke te beter te versorgen wy
geensints begeren den Commandeur hem lichtvaerdigh van boord begeven,
maer altyd in de schepen blyven sal, tot dat Comp^{s}. dienst, nae ’t
goedvinden des Raeds, ’t contrary mocht vereysschen, opdat door
onbedenckelycke quaede toevallen de vordere desseynen van dese
importante reyse niet schaedelyck verhindert werden.
Nae dat dan alle (immers de nodighste) bevolen saecken in _Tartaria_ syn
verricht, ’t volcq wel ververscht en de schepen van versch water en
brandhout behoorlyck versien, sullen UE. in ’t laetste van July ofte ten
langhste ’t begin van Augusty, met vrundelycken oorloff van ’s lands
regenten en inwoonderen, wederom t’ seyl gaen, stellende uwen cours
dwars over den Tartarisen Oceaen Z.O.waert aen, tot op de longitude van
’t Oost eynde van _Japan_, ofte dat de Westcuste van ’t onbekende
_America_ Oostwaert de _Cabos de Fortuna_, _Corientes_ ofte _Mendocina
falsi_ gemoet, welck land in sulcken gevalle, soo ’t weder en wind
bequaemelyck gedooght, sult dienen te verkennen en van daer, ofte
voorgestelde punt, uwen wegh recht Zuydwaerts nae den Oosthoeck van
_Japan_ vervolgen, lopende ’t land op de 37½ graden in ’t gesicht,
alwaer wy vertrouwen omtrent 20 à 25 Augusty met de Goddelycken hulpe
wesen sult.
Van hier sal UE. d’ontdeckinge van ’t goud- en silverrycke eyland
hernemen, die by den Commandeur Mathys Quast in den jare 1639 te
vergeefs is onderleyd, welcx medegegeven Instructie en gehouden
Journalen u tot beter verstand van ons _scopus_, in ’t vermyden van de
aldaer begaene misslagen ter hand stellen, alsmede de schriftelycke
vertogen ons van den Coopman Verstegen, op de gelegentheyd ende ’t
ontdecken van dat eyland voorgesteld. Meldende in substantie, dat in de
Zuyd-zee op 37½ graden Noorderbreedte, ongeveer 400 Spaense ofte 343
Nederlandse mylen by Oosten _Japan_, een heel groot en hoogh eylandt
soude gelegen syn, wesende van blancq, schoon, vrundelyck en
geciviliseert volcq bewoont, en boven maten silver- en goudryck, gelyck
by seecker _Spaens_ schip, over veel jaren varende van _Manilha_ nae
_Nova Hispania_, ervaren soude wesen; sulcx op die raporten in den jare
1610 ofte 11, den Coninck van _Spanje_ een schip om ’t selve nader t’
ontdecken en in besit te nemen uyt _Aquapulco_ nae _Japan_ gesonden
heeft, om van daer (als bovenwinds) d’ontdeckingh te doen, dat door
quaed beleyd en ongeluckige toevallen verhindert is, en sedert heeft
gemelten Coningk door onvermogen en nalatigheyd geen nader vervolgh op
die apparente nuttelycke discourse gedaen, gelyck mede des Commandeurs
Quast’s besendinge derwaerts, als meermalen aengetogen, geheel
onvruchtelyck uitgevallen is.