JACOB: Waar kom jij vandaan, zóó verdord en vermagerd alsof je met de

krekeltjes een tijdlang van dauw alleen geleefd hadt? Je lijkt wel een

schim van een mensch, in plaats van een mensch.--GILBERT: De schimmen in

de onderwereld kregen ten minste nog uien en prei te eten; maar ik heb

tien maanden op een plaats doorgebracht waar men dat zelfs niet

kreeg.--JACOB: Waar was dat? Was je naar de galeien gesleept?--GILBERT:

Volstrekt niet: 'k was in Synodium.--JACOB: Wat, in zoo'n rijke stad,

heb je dáár zoo van den geeuwhonger geleden?--GILBERT: Nou, òf

ik.--JACOB: Hoe kwam dat? Had je geldgebrek?--GILBERT: Noch gebrek aan

geld, noch aan vrienden.--JACOB: Wat was er dan aan de hand?--GILBERT:

Ik was in huis en in den kost bij Antronius.--JACOB: Bij dien

rijkaard?--GILBERT: Ja, maar hij is niet rijk alleen, maar óók

brandgierig.--JACOB: Kom, daar sta ik van te kijken.--GILBERT: Dat

behoeft volstrekt niet. Want zoo gaat 't met menschen die van doodarm

plotseling schatrijk worden.--JACOB: Hoe had je er ook plezier in

zooveel maanden achtereen bij zoo'n gastheer verblijf te

houden?--GILBERT: Er was 't een en ander wat me daar bond en bovendien

ik had er nu eenmaal lust in.--JACOB: Maar vertel me eens, hoe leeft die

man dan wel?--GILBERT: 'k Zal het je vertellen, omdat de herinnering aan

geleden leed ook zijn aangename zijde heeft.--JACOB: Voor mij zeker in

dit geval.--GILBERT: Toen ik daar vertoefde kwam bij al 't andere ook

nog dit ongemak, en wel van den kant des Hemels, dat drie maanden lang

een felle noordenwind blies, terwijl die wind er anders nooit dan een

dag of acht blaast.--JACOB: En hoe dan nu drie maanden?--GILBERT: Tegen

den achtsten dag draaide de wind alsof 't afgesproken was, maar na acht

uren uit den tegenovergestelden hoek gewaaid te hebben, keerde hij weer

naar zijn vroegeren hoek terug.--JACOB: Dan had-je voor je arme lijf wel

een lekker vuurtje noodig.--GILBERT: De haard was groot genoeg als er

maar voldoende voorraad brandhout was geweest. Om daaraan evenwel niets

uit te geven, ging onze vriend Antronius op onder water staande plekken

gronds boomwortels uitgraven, die anderen hadden laten zitten en dat

deed hij nog wel liefst 's nachts. Van die brokken nat hout stapelde hij

een haardvuur op, waaraan rook natuurlijk niet, maar vuur wèl onbrak: je

kon er je niet aan warmen, maar 't moest daartoe dienen dat men niet met

grond van waarheid kon zeggen, dat er in 't geheel geen vuur was. Een

enkel vuur van dien aard duurde dan ook den geheelen dag, zóó zuinig

brandde het.--JACOB: Dat was een harde overwintering!--GILBERT: Neen,

nog veel harder er een zomer door te brengen.--JACOB: Hoe zoo?--GILBERT:

Omdat in huis zóóveel vlooien en ander ongedierte waren, dat men niet

alleen overdag er niet rustig kon zitten, maar 's nachts den slaap niet

kon vatten.--JACOB: Wat een droeve rijkdom!--GILBERT: Vooral bij zulk

vee.--JACOB: De vrouwen moeten daar wel lui zijn.--GILBERT: Men krijgt

ze niet te zien. Ze verkeeren niet met de mannen. Zoo komt 't dan ook,

dat de vrouwen daar niets zijn dan louter _vrouwen_ en dat de mannen die

diensten missen, welke gewoonlijk door de vrouwelijke sekse worden

verricht.--JACOB: Maar schaamde Antronius zich niet over zulk een

behandeling?--GILBERT: Hij is in zulk een armoedige omgeving opgevoed en

kent geen ander genot dan geld winnen. Nergens was hij minder te vinden

dan in zijn huis; hij schacherde in alles en nog wat. Je weet: de plaats

van zijn inwoning is vóór alles een koopstad. De beroemde Grieksche

schilder Apelles bejammerde het, wanneer hij een dag had laten

voorbijgaan, zonder dat hij een penseelstreek op het doek had gezet;

Antronius jammerde nog veel meer, wanneer er een dag voorbij gegaan was

zonder dat hij een winstje had gemaakt. En als dat eens gebeurde, dan

zocht hij thuis zijn winst te halen.--JACOB: Wat deed hij dan?--GILBERT:

Hij had in zijn woning, naar het gebruik in die stad, een regenbak.

Daaruit putte hij eenige emmertjes water en goot die in zijn wijnvaten

leeg. Daar zat zeker winst op.--JACOB: De wijn was misschien wat al te

koppig.--GILBERT: 't Mocht wat! 't Was niet veel meer dan verschaald

bocht. Want hij kocht altijd wijn op waaraan iets mankeerde, om dien

voor een koopje in te slaan. Opdat er niets verloren zou gaan, vermengde

hij af en toe het grondsop van tien jaren, alles goed door elkander

roerend en mengend, opdat 't wat zou lijken op jongen wijn, want hij zou

't niet hebben kunnen dulden, dat er ook maar een vingerhoed droesem

verloren ging.--JACOB: Maar als je de doktoren mag gelooven dan krijg je

van zulken wijn den steen in de blaas.--GILBERT: Daar kunnen de doktoren

wel gelijk aan hebben, want in dat huis ging er geen jaar voorbij of

daar stierf iemand aan 't graveel. Toch was Antronius niet bang voor een

huis waarin de dood zoo rondspookte.--JACOB: Niet?--GILBERT: Ook de

dooden moesten bij hem tol betalen en hij versmaadde zelfs niet 't

kleinste winstje.--JACOB: Wat je daar zegt is diefstal.--GILBERT:

Kooplui noemen 't winst.--JACOB: En wat dronk Antronius zelf?--GILBERT:

Wel, denzelfden Godendrank.--JACOB: En ondervond hij niet de kwade

gevolgen?--GILBERT: 't Is een kerel zóó gehard dat hij wel hooi zou

kunnen eten en (zooals ik zei) hij was van jongs af aan bij zulke

lekkernijen opgevoed. Geen winst beschouwde hij als vaster dan dat

profijt op den wijn.--JACOB: Hoe dat zoo?--GILBERT: Wel, als je optelt:

zijn vrouw, zijn zoons, zijn dochter, zijn schoonzoon, zijn knechts en

meiden: hij had drieëndertig monden den kost te geven. Nu, hoe meer de

wijn met water werd verdund, des te minder werd er van gedronken, en des

te langer duurde de voorraad. Ga maar eens na! Als men er elken dag een

emmer water bij doet, wat een niet te versmaden sommetje bedraagt dit in

een jaar!--JACOB: Wat een vrekkigheid!--GILBERT: Maar niet minder werd

er op 't brood uitgezuinigd.--JACOB: Hoe ging dat?--GILBERT: Hij kocht

bedorven graan dat een ander niet had willen koopen. Daar had hij al

dadelijk een winstje, omdat hij 't voor minder kocht. Maar verder wist

hij wat daaraan bedorven was te verhelpen door kunstmiddeltjes.--JACOB:

Waarmee?--GILBERT: Er bestaat een soort van klei die wel wat van deeg

heeft, waarvan we zien dat de paarden wel houden, wanneer ze knabbelen

aan de muren daarmee bestreken en wanneer ze met graagte drinken uit

poelen, troebel van die klei. Onder het brood mengde hij een derde deel

kleiaarde.--JACOB: Noem je dat "gebreken verhelpen?"--GILBERT: Nu, men

proefde ten minste 't bedorven meel minder. Houd-je dat ook niet voor

een niet te versmaden voordeel? Voeg hierbij nog een andere looze

vondst. Hij liet 't brood bij zich thuis kneden en bakken, en niet

vaker, zelfs in den zomer, dan twee malen 's maands.--JACOB: Dat noem ik

iemand steenen vóórzetten in plaats van brood.--GILBERT: Als 't kàn, nog

harder dan steen. Maar ook aan dat kwaad kon men tegemoet komen.--JACOB:

Op welke manier?--GILBERT: Men doopte zijn stuk brood in den beker met

wijn en liet 't zóó wat weeken.--JACOB: Het ééne paste daar goed bij 't

andere. Maar lieten de dienstboden zich zulk een behandeling

aanleunen?--GILBERT: Eerst zal ik je eens vertellen hoe 't met eten bij

de hoofden van 't gezin zelf toeging, en daaruit kun-je dan zelf

afleiden hoe het dienstpersoneel werd behandeld.--JACOB: 'k Ben benieuwd

dat te hooren.--GILBERT: Van ontbijten was geen sprake: het eerste maal

werd meestal verschoven tot één uur na den middag.--JACOB: Waarom

dat?--GILBERT: Men moest op den heer des huizes Antronius wachten. 't

Souper vond soms pas om tien uur 's avonds plaats.--JACOB: En dat voor

jou, die gewoonlijk nooit zooveel van lang vasten hieldt!--GILBERT: Ja,

daarom riep ik dan ook dikwijls tot Antronius' schoonzoon Orthrogonus,

(we deelden samen één kamer): "Zeg eens, Orthrogonus, wordt er van avond

hier in de stad niet gesoupeerd?" Dan antwoordde hij net van pas: "dat

Antronius zeker dadelijk wel thuis zou komen." En wanneer ik dan nog

geen aanstalten zag maken en mijn maag van den honger rammelde, dan zei

ik: "Zeg eens Orthrogonus, moeten we vandaag van den honger omkomen?"

Dan had hij een uitvlucht dat 't nog zoo laat niet was of iets

dergelijks. En wanneer ik 't niet langer kon uithouden, dan klampte ik

hem nòg eens aan onder zijn werk en zei: "Hoe staat 't er nu mee, moeten

we nu werkelijk den hongerdood sterven?" Dan ging Orthrogonus, wanneer

hij geen kans meer zag op uitstel, naar de bedienden en liet de tafel

dekken. En wanneer Antronius dan maar steeds niet thuis kwam en er óók

niet werd opgediend, dan liet Orthrogonus zich eindelijk door mijn aan-

en opmerkingen bewegen om naar beneden te gaan naar zijn vrouw en zijn

schoonmoeder en zijn kinderen en riep dat ze toch maar moesten

opdoen.--JACOB: Nu zul je dan toch eindelijk aan tafel gaan.--GILBERT:

Haast je maar niet! Een manke knecht komt voor den dag, die met de taak

van 't tafeldienen belast is (hij had wel iets van Vulcanus met zijn

kreupelen voet) en hij spreidt een servet over de tafel uit.--JACOB: Dat

is ten minste 't eerste teeken dat hoop geeft op een maal.--GILBERT: Na

lang geroep en geschreeuw worden er karaffen gebracht met werkelijk goed

helder water.--JACOB: Alweer een sprankje hoop op een souper!--GILBERT:

Haast je maar niet, zei ik straks. Wéér, na veel drukte komt men met een

flesch aandragen van dat meergenoemde dikke drab.--JACOB:

Heerlijk!--GILBERT: Maar--'t brood is er nog niet. Gevaar is er dus niet

dat iemand te veel zal drinken; want niemand zal met een hongerige maag

zóó'n wijntje aandurven. Dan gaan ze weer aan 't schreeuwen, zoodat ze

er heesch van worden. Eindelijk wordt 't brood op tafel gezet, zóó hard

dat een beer 't nauwelijks met zijn tanden zou kunnen

vermorselen.--JACOB: Nu is er ten minste gezorgd dat je niet van den

honger omkomt.--GILBERT: Heel laat in den avond komt eindelijk Antronius

thuis, met 't zeggen (en dat is een onheilspellend voorteeken!) dat hij

erge maagpijn heeft.--JACOB: Waarom is dat een slecht

voorteeken?--GILBERT: Omdat er dan niets te eten valt: wat toch kun-je

verwachten, wanneer de huisheer niet wel is?--JACOB: En had hij dan

werkelijk maagpijn?--GILBERT: Zóó erg, dat hij alleen wel drie kapoenen

zou hebben verslonden, als iemand ze hem voor niets had gegeven.--JACOB:

Vertel me nu eens hoe 't met het maal ging.--GILBERT: Allereerst werd

aan den huisheer een schotel met boonenmeel voorgezet: dat is een kost

die in gindsche stad gewoonlijk aan 't lage volkje wordt verkocht. Hij

beweerde dat hij ze gebruikte als een middeltje tegen allerlei

kwalen.--JACOB: Met je hoevelen zat-je aan tafel?--GILBERT: Soms acht of

negen; o.a. ook de bekende geleerde Verpius dien je wel kent en dan de

oudste zoon des huizes.--JACOB: Wat kregen die te eten?--GILBERT: Hoe?

Hebben dan matige menschen niet genoeg aan hetgeen Melchisedek aan

Abraham voorzette toen deze vijf koningen verslagen had?--JACOB: Dus:

brood alleen? Kwam er dan geen toespijs?--GILBERT: Ja wel

_iets_.--JACOB: Wat?--GILBERT: Ik meen, als ik me goed herinner, dat wij

negen monden aan tafel waren en voor die negen monden telde ik zeven

blaadjes sla die in een schotel met azijn dreven, zonder olie wel te

verstaan.--JACOB: En verorberde Antronius alleen zijn

boonenpap?--GILBERT: Ja. Want hij had die voor een kleinigheidje

gekocht. Hij verbood echter niet dat iemand die in zijn buurt zat eens

met hem mee proefde. Maar 't scheen wel wat onbeleefd den armen

uitgehongerden man van de voor hem bestemde spijs te berooven.--JACOB:

En werden die zeven slablaadjes nog gesneden, zooals in 't verhaaltje

van dien vrek die de komijnkorreltjes in stukken sneed?--GILBERT: Neen:

maar toen zij die 't eerst aan de beurt waren om zich te bedienen de

slablaadjes hadden opgemaakt, doopten de anderen hun brood in den

azijn.--JACOB: Wat kwam er nog na de zeven blaadjes?--GILBERT: Wat zou

er nog anders komen dan kaas, het besluit van elken maaltijd?--JACOB: En

was dat nu zoo dagelijks het diner?--GILBERT: Dat scheelt niet veel,

behalve dat 't maal wel eens _iets_ royaler was, wanneer Mercurius hem

op een dag eens wat gunstig gezind was geweest.--JACOB: Wat kwam er

dan?--GILBERT: Dan liet hij wel eens voor eenige centen een paar trossen

versche druiven koopen. Daarmee maakte hij dan 't geheele gezin

blij.--JACOB: Dat kan haast wel niet anders.--GILBERT: Ja, maar wel te

verstaan alleen in den tijd dat de druiven 't goedkoopst zijn.--JACOB:

Dus buiten den herfsttijd was hij zoo verkwistend niet?--GILBERT: Ja

zeker wel. Er zijn daar in die stad varenslui die een soort van kleine

mosselen opvisschen, voornamelijk bij de riolen. Onder een eigenaardig

geroep venten ze hun waar rond. Soms liet hij van deze kooplui wel eens

voor een dubbeltje mosselen koopen. Dan zou je gezegd hebben dat er in

dat huis een bruiloftsfeest gevierd werd; want er moest vuur aangemaakt

worden om de mosselen te koken,--al moest 't dan ook heel snel in zijn

werk gaan. En die schotel diende dan na de kaas als dessert.--JACOB: Een

vreemd soort van nagerecht! Maar kwam er nooit vleesch of visch op

tafel?--GILBERT: Ten gevolge van mijn klachten en aanmerkingen werd 't

een beetje royaler. Maar als hij eens echt den smuller wilde uithangen,

dan was de volgorde der gerechten ongeveer deze.--JACOB: Daar ben ik

benieuwd naar.--GILBERT: In de eerste plaats werd er dan een soepje

gegeven dat ze dáár, 'k weet niet waarom, een "meidensoepje"

noemen.--JACOB: 't Zal zeker een heel krachtige soep wezen.--GILBERT:

Met de volgende ingrediënten toebereid: een pot vol water wordt op 't

vuur gezet; daarin worden eenige brokken koeienkaas gegooid, zoo hard

als steen, want je hebt een bijl noodig om ze klein te krijgen. Wanneer

die stukken door de warmte van het water langzamerhand oplossen, geven

ze aan het water een kleurtje, zoodat 't niet meer zuiver water kan

heeten: dat soepje dient om de maag te praepareeren.--JACOB: 't Lijkt

wel varkenskost.--GILBERT: In de tweede plaats komt op tafel een stukje

vleesch van den buik van een oude koe, al een veertien dagen geleden

gebraden.--JACOB: Erg frisch ruikt dat zeker niet meer.--GILBERT: Dat

kun-je denken. Maar daar is wel een middeltje tegen.--JACOB:

Welk?--GILBERT: Ik wil 't je wel zeggen, maar ik ben bang dat je 't zult

gaan navolgen.--JACOB: Natuurlijk.--GILBERT: Ze klutsen een ei in warm

water. Met dat sopje begieten zij het vleesch. En zóó foppen ze ten

minste de oogen, al kan men de reukorganen niet misleiden, want de

onfrissche lucht dringt door alles heen. Wanneer 't een vastendag is,

die visch in plaats van vleesch vereischt, dan worden soms een stuk of

drie goudkarpertjes, niet eens zoo heel groot, op tafel gezet, ofschoon

er zeven of acht eters zijn.--JACOB: En verder niets?--GILBERT: Niets

dan die steenharde kaas.--JACOB: Een vreemd soort van Lucullus, van wien

je me daar vertelt. Maar hoe is 't mogelijk dat zoo'n schraal maal voor

zóó veel gasten voldoende kon wezen, vooral wanneer ze niet ontbeten

hadden?--GILBERT: Neen, erger nog! je weet niet dat met de kliekjes van

dat maal ook nog schoonmoeder, schoondochter, de jongste zoon, een

dienstmeisje en eenige kleine kinderen moesten gespijzigd

worden.--JACOB: Je vergroot mijn verwondering in plaats van ze weg te

nemen.--GILBERT: Ik kan 't je ook moeilijk uitleggen, als ik niet eerst

beschrijf hoe we aan tafel zaten.--JACOB: Nu, doe dat dan.--GILBERT:

Antronius had de hoofdplaats, terwijl ik als buitengewoon gast aan zijn

rechterhand zat. Recht tegenover Antronius zat Orthrogonus, naast dezen

Verpius, en nevens Verpius een zekere Strategos, een Griek van geboorte.

Links van Antronius zat zijn oudste zoon. Kwam er soms nog een andere

gast bij, dan kreeg die een plaats naar zijn rang en waardigheid.

Aanvankelijk was er niet 't minste gevaar of onderscheid in 't recht van

zich te bedienen, behalve dat er in de soepborden van de voornamere

gasten brokken van die koeiekaas dreven. Maar met vier wijnflesschen en

waterkaraffen werd er doorgaans een soort van omheining gevormd, zoodat

niemand 't geen op tafel stond kon aanraken (behalve misschien de drie

personen voor wie de schotel juist geplaatst was) of hij had zoo

onbeschaamd moeten wezen om over die omheining heen te wippen. Maar die

soepterrine bleef ook niet eens lang op tafel staan; spoedig werd die

weggehaald, want er moest wat overblijven voor de andere leden van het

gezin.--JACOB: Wat at de rest van het gezelschap dan?--GILBERT: Die? ze

smulden op hun manier.--JACOB: Hoe dan?--GILBERT: Ze weekten hun

klei-brood in dien wijn van ouden droesem.--JACOB: Zoo'n maaltijd kan

niet heel lang duren.--GILBERT: O, dikwijls meer dan een uur.--JACOB:

Hoe is dat in vredesnaam mogelijk?--GILBERT: Wanneer, zooals ik je

daareven vertelde, alles was weggenomen wat gevaar liep opgegeten te

worden, dan werd de kaas gebracht, waarvan men niet bang behoefde te

wezen dat iemand met een gewoon tafelmes er iets zou kunnen afschrappen.

Verder bleef die heerlijke wijnmoer staan en ieder hield zijn brood. En

aan dat dessert werden dan allerlei vertelseltjes opgedischt. In dien

tusschentijd zat de vrouwenvergadering te eten.--JACOB: En het

dienstpersoneel?--GILBERT: Dat had niets met ons te maken. Die

gebruikten hun middagmaal en hun avondeten op de voor hen bestemde uren.

Maar op een geheelen dag brachten zij daarmee nauwelijks een half uur

zoek.--JACOB: Maar hoe was hùn eten?--GILBERT: Nou, dat kun-je zelf wel

raden.--JACOB: Wat gaat dat bij de Duitschers toch anders! Die hebben

nauwelijks genoeg aan een uur voor hun ontbijt; net zoo veel voor hun

twaalf-uurtje; anderhalf uur voor hun middagmaal; twee uren voor hun

hoofdmaal 's avonds. En wanneer ze zich niet goed kunnen volladen met

lekkeren wijn, met voedzaam vleesch en smakelijke visch, dan loopen ze

weg bij hun meester en worden soldaat.--GILBERT: 's Lands wijs, 's lands

eer!--JACOB: De Italianen hebben weinig zorg voor hun keelgat. Ze hebben

liever geld dan lekker eten, en ze zijn sober van natuur ook, niet

alleen uit gewoonte.--JACOB: Nu verwondert 't mij niets meer dat je zoo

mager en schraal hierheen teruggekeerd bent. Eer moet ik me verwonderen,

dat wij je nog levend terug zien, vooral omdat je vroeger zoo gewend

waart aan kapoenen, patrijzen, duifjes en fazanten.--GILBERT: Nu, ik

geloof werkelijk dat ik er 't leven bij ingeschoten zou hebben, wanneer

ik niet een middeltje had bedacht.--JACOB: 't Ziet er slecht uit wanneer

men tot zulke middeltjes zijn toevlucht moet nemen.--GILBERT: Ik wist

gedaan te krijgen dat mij, toen ik er slecht begon uit te zien, bij elk

maal een vierde part van een gebraden kip werd voorgezet.--JACOB: Nu zul

je weer gaan opleven.--GILBERT: Niet zoo heel erg. Daar werd een heel

klein kippetje gekocht om vooral niet te veel uit te geven, een kippetje

waarvan er zes niet genoeg zouden zijn, om een Pool met een goede maag

voor zijn ontbijt te dienen. En als ze dat diertje gekocht hadden, gaven

ze 't ook niet eens te eten om geen kosten te maken en zoo werd er van

dat magere en schrale beestje een vleugel of een boutje gekookt, terwijl

't kippenlevertje aan 't jongste zoontje van Orthrogonus werd gegeven.

Den bouillon dronken de vrouwen er een paar malen van af, nadat er

telkens weer opnieuw water op gegoten werd. En zoo kwam dan 't boutje

drooger dan puimsteen vóór mij te staan en smakeloozer dan een vermolmd

stuk hout. De bouillon was niet meer dan louter water.--JACOB: En toch

heb ik wel gehoord dat 't gevogelte in die streek heel overvloedig is en

lekker en goedkoop ook.--GILBERT: Dat is zoo; maar 't geld is zoo'n man

als Antronius nog liever.--JACOB: Door zoo'n leventje zou je genoeg

gestraft zijn als je de ergste zonde hadt bedreven: bijv. den Paus hadt

gedood of 't graf van St. Pieter hadt ontwijd.--GILBERT: Maar luister nu

naar de rest van mijn verhaal. Je weet er zijn in elke week vijf dagen

waarop vleesch mag gegeten worden.--JACOB: 'k Weet 't maar al te

goed.--GILBERT: Nu, dan kochten ze in de week twee kuikens. Donderdags

gaven ze vóór, dat ze vergeten hadden ze te koopen, om niet op dien dag

een geheele kip op tafel te moeten zetten of om iets te moeten

overlaten.--JACOB: Die Antronius heeft veel van den vrek Harpargo uit 't

blijspel van Plautus! Maar op vastendagen, wat voor een middeltje had je

dan om in 't leven te blijven?--GILBERT: Dan had ik aan één mijner

vrienden opgedragen om voor mijn geld op elk dier dagen drie eieren te

koopen, twee voor den maaltijd midden op den dag, één voor 't avondeten.

Maar nu gaven mij de vrouwen in plaats van de duur gekochte versche

eieren onfrissche eieren in ruil, zoodat ik nog dankbaar mocht wezen

wanneer één van de drie eieren eetbaar was. Eindelijk had ik mij voor

mijn eigen geld ook een vaatje wijn van wat betere qualiteit

aangeschaft: maar de vrouwen braken 't vaatje open en zogen er binnen

enkele dagen een deel van leeg, waarover Antronius erg boos was.--JACOB:

Zoo was er toch iemand die medelijden met je had.--GILBERT: Medelijden?

Neen waarachtig niet! Ze hielden mij voor een veelvraat en vreetzak,

omdat ik in mijn ééntje zóóveel spijs kon verslinden. Daarom waarschuwde

Orthrogonus mij ook zoo nu en dan, dat ik rekening moest houden met 't

klimaat en voor mijn gezondheid moest zorgen en vertelde mij van eenigen

onzer landslieden, aan wie een al te groote eetlust òf den dood, òf een

zware ziekte had bezorgd. Toen hij zag dat ik mijn lichaam dat èn door

hard werken èn door gebrek aan eten en óók door ziekelijkheid verzwakt

was, door eenige versnaperingen die de apothekers daar vervaardigen uit

pitten van pijnappels of van pompoenen en meloenen, trachtte aan te

sterken, stookte hij een geneesheer die onder zijn kennissen behoorde

op, om mij een matigen levensregel voor te schrijven. Deze deed 't met

groote nauwgezetheid. Maar ik merkte spoedig dat hij opgestookt was. Ik

liet 't hem evenwel aanvankelijk niet bemerken. Toen hij al meer en meer

bij mij aandrong en er geen einde kwam aan zijn opmerkingen, zei ik

eindelijk: "Hoor eens, mijn waarde, wat je daar zegt, is dat ernst of

gekheid?" "Ernst," zei hij. "Wat raad je mij dus te doen?" "Eet 's

avonds in 't geheel niet en doe ten minste de helft water bij je wijn."

Ik lachte over dien prachtigen raad. "Als je mij dood wilt hebben, dan

zou het voor mijn zwak, mager en uitgeput lichaam reeds de dood zijn als

ik éénmaal 't avondeten oversloeg. Ik heb dat al zóó dikwijls

proefondervindelijk gezien, dat ik 't niet nog eens begeer te probeeren.

Wat moet er volgens uw idee wel gebeuren, wanneer ik mij van avondeten

onthoud na een zóó schraal middagmaal genoten te hebben? En wou je dat

ik zóó'n schraal wijntje nog met water ging aanlengen? Alsof 't niet

veel beter ware zuiver water te drinken dan water met wijndroesem. Ik

ben er zeker van dat Orthrogonus je heeft opgestookt mij dit te gaan

zeggen." Hij lachte zoo'n beetje en bond zich wat in. "Ik bedoel nu

juist niet, zeer geleerde Gilbert, dat ge u 's avonds geheel en al van

eten moet onthouden. Je mag wel een eitje proeven en een glaasje wijn

drinken. Zoo leef _ik_ ook. Men kookt voor mij een ei bij 't avondmaal.

Daarvan neem ik de helft van 't dooier voor mij zelf, de andere helft

geef ik aan mijn zoontje; daarna drink ik een halven roemer wijn en

studeer ik tot diep in den nacht."--JACOB: En was 't waar wat die

medicus vertelde?--GILBERT: Zonder eenige bedenking nam ik 't aan. Eens

kwam ik bij toeval, van de mis komende, door de straat waar, zooals een

mij vergezellende kennis zeide, die dokter woonde. Ik wilde zijn

interieur eens zien. Het was juist een Zondag. Ik klopte aan: de deur

ging open: ik klim de trap op en vind den dokter met zijn zoon die

tevens voor knecht speelde, aan zijn maal. Al wat er op tafel was

opgediend, waren een paar eieren, niets anders.--JACOB: Bleeke menschen

zeker?--GILBERT: Volstrekt niet. Ze zagen er allebei welgedaan uit, ze

hadden een frissche, gezonde kleur, levendige oogen.--JACOB: Haast

ongeloofelijk.--GILBERT: 'k Vertel je wat ik met eigen oogen gezien heb.

En niet alleen leeft hij op die manier, maar verscheidene anderen, van

voorname familie en in goeden doen. Geloof me: veel eten en drinken is

een kwestie van gewoonte, niet van natuur. Omgekeerd, als iemand er zich

langzamerhand aan gewent, zal hij 't zóó ver brengen om 't zelfde te

doen wat de Grieksche worstelaar Milo deed, die op één dag een heel rund

verzwolg.--JACOB: Goede God, als men met zóó weinig zijn gezondheid kan

bewaren, wat maken dan de Duitschers, de Engelschen, de Denen en de

Polen een nuttelooze onkosten!--GILBERT: Heel wat, en dat nog wel met

groote schade aan hun gezondheid en aan hun geest.--JACOB: Maar wat was

dan toch de reden dat jij _niet_ genoeg hadt aan dat beetje

eten?--GILBERT: Omdat ik me aan een heel anderen levensregel had gewend

en 't voor mij te laat was om mijn levensregel te veranderen. Maar

overigens hinderde mij minder 't te-weinig der spijzen, dan wel dat ze

bedorven waren. Twee eieren zouden voldoende wezen, als 't maar versch

gelegde waren: één roemer wijn zou genoeg zijn, als er in plaats van

wijn maar geen verschaald bocht geschonken werd. De helft van 't brood

zou kunnen volstaan, als er in plaats van brood maar geen gebakken klei

werd voorgezet.--JACOB: En dat die Antronius zóó gierig was, terwijl hij

er zoo warmpjes in zat!--GILBERT: Ik denk dat hij wel een kapitaal van

tachtigduizend dukaten zal hebben bezeten. En er ging geen jaar voorbij

waarin er niet een overwinst van wel duizend dukaten bij kwam, om 't

minste maar te noemen.--JACOB: En zijn zoons, voor wie dat geld werd

opgepot, waren die óók zoo zuinig?--GILBERT: Ja, thuis ten minste. Maar

buitenshuis werd 't geld er doorgebracht met Wijntje en Trijntje en

dobbelspel. En terwijl hun vader er bezwaar tegen maakte van zelfs voor

de deftigste gasten een kleinigheid uit te geven, verloren de jongelui

soms in één nacht zestig dukaten met spelen.--JACOB: Zoo wordt vaak zoek

gebracht, wat met schrapen is bijeen geraapt. Maar zeg me, waar ga je

thans heen, nu je uit zulke gevaren ongedeerd bent gered?--GILBERT: Naar

de gezellige eettafel van die Fransche heeren, om daar de schade die ik

ginds geleden heb, wat in te halen.

* * * * *

INHOUD

Erasmus door Cd. Busken Huet

1. Charon, de veerman van de onderwereld

2. De ontevreden-gehuwde of het huwelijk

3. Herbergen in Duitschland

4. Het spook of de duivelbanning

5. Goudmakerij

6. De paardenkooper

7. De paardlooze ridder of verdichte adel

8. De vrouwenraad

9. De bedevaart

10. Het sprookjesmaal

11. Schipbreuk

12. Vrekkige rijkdom

* * * * *

Een twaalftal samenspraken Tot inleiding: Cd. Busken Huet's beschouwing over Erasmus · 第 18 / 18 段