ANTOON: Wat je daar vertelt is vreeselijk. Is dàt varen? God verhoede

dat mij ooit zóó iets in de gedachte kome.--ADOLF: Neen, maar wat ik je

tot hiertoe heb verteld is nog niets vergeleken bij 't geen je nu zult

vernemen.--ANTOON: 'k Heb al meer dan genoeg narigheid gehoord. Ik ril

bij je verhaal alsof ik er zelf bij ben.--ADOLF: Na gedanen arbeid is

het zoet rusten. In dien nacht gebeurde er iets wat bijna alle hoop op

redding aan den kapitein benam.--ANTOON: Wat dan?--ADOLF: 't Was een

half donkere nacht en hoog in den mast stond een van de matrozen op den

uitkijk. Hij keek rond of hij ook land zag. Een soort van vuurbol vormde

zich om hem heen. Dat is voor zeelui een heel slecht Voorteeken als 't

maar één kring is: zijn het er twee, dan is 't gunstig. In de oudheid

hield men die beide vuurkringen voor de verschijning van de halfgoden

Castor en Pollux.--ANTOON: Wat hebben die met 't zeevolk te maken, daar

de één ruiter en andere vuistvechter was?--ADOLF: Ja, dat is nu zoo'n

uitvinding van de dichters. De man aan het roer riep: "Maat," (want met

dien naam spreken zeelieden elkander aan), "zie je wel wat voor

gezelschap je daar aan je zijde hebt?" "Ik zie 't," zei de ander, "en ik

hoop dat 't geluk zal brengen." Dadelijk daarop gleed de vuurbol langs

't touwwerk naar beneden en viel vlak voor de voeten van den stuurman

neer.--ANTOON: En die was zeker half dood van den schrik?--ADOLF: Och,

zeelui zijn aan buitengewone dingen gewend. Een oogenblik bleef de bal

daar liggen en rolde toen langs de gangboorden van 't schip, gleed door

één van de openingen heen en verdween. Tegen den middag begon 't hoe

langer zoo meer te spoken. Heb je de Alpen wel eens gezien?--ANTOON:

Ja.--ADOLF: Nu, die bergen zijn maar wratten, vergeleken bij de golven

van de zee. Zoo vaak we omhoog getild werden, hadden we de maan met

onzen vinger kunnen aanraken; zoo dikwijls we in de diepte gesleurd

werden had 't er veel van, alsof we door de gespleten aarde regelrecht

naar de onderwereld gingen.--ANTOON: Wat zijn de menschen toch dwaas die

zich aan de gevaren van de zee blootstellen!--ADOLF: Terwijl de matrozen

tevergeefs tegen den storm trachten op te tornen, komt de kapitein,

bleek als een doode, bij ons.--ANTOON: Die bleekheid voorspelt een groot

ongeluk.--ADOLF: "Vrienden," zegt hij, "ik ben 't stuur over mijn schip

kwijt: de wind is mij de baas. Er schiet niets over dan dat wij onze

hoop op God stellen en dat iedereen zich op 't uiterste

voorbereidt."--ANTOON: Dat is krasse taal.--ADOLF: "In de allereerste

plaats moet 't schip ontlast worden: 't _moet_; al is 't een hard

middel. Maar 't is beter voor ons leven te zorgen door verlies van 't

een en ander, dan tegelijk met dit laatste ook zelf om-koud te gaan."

Wij begrepen dat hij waarheid sprak en tal van balen en kisten met

kostbare koopwaar werden overboord geworpen.--ANTOON: Dat was met recht

een _kwade worp_.--ADOLF: Er was ook een Italiaan bij ons gezelschap die

een gezantschap had vervuld bij den koning van Schotland. Hij had een

kist bij zich vol met zilverwerk, ringen, lakens en zijden

stoffen.--ANTOON: En wilde de Italiaan die niet aan de zee

afstaan?--ADOLF: Neen, hij wilde met zijn dierbare schatten naar den

kelder gaan of mèt hen gered worden. En zoo verweerde hij zich.--ANTOON:

Wat deed de kapitein?--ADOLF: Die zei: "Voor mijn part mag je met den

heelen rommel verdrinken; maar 't gaat toch niet aan dat wij allen

terwille van die kist kans loopen ons leven te verliezen? Weet dus wat

je doet: anders werpen wij je mèt je kist in zee."--ANTOON: Dat is

flinke zeemanstaal.--ADOLF: De Italiaan moest dus evengoed zijn

kostbaarheden missen, al vloekte hij ook tegen hemel en hel dat hij zijn

leven aan zoo'n barbaarsch element had toevertrouwd.--ANTOON: Aan dat

woord _barbaarsch_ herken ik weer den Italiaan.--ADOLF: Kort daarop

scheurden de winden, die door onze geschenken niet in 't minst zachter

gestemd waren, het touwwerk, het want en de zeilen aan stukken en

flarden.--ANTOON: Genadige hemel!--ADOLF: Daar komt de kapitein wéér

aan.--ANTOON: Wéér om een woord te spreken?--ADOLF: Hij nam zijn muts af

en sprak: "Vrienden, 't is tijd dat ieder zich aan God aanbeveelt en

zich tot den dood voorbereidt." Op de vraag van eenigen die van de

zeevaartkunst iets afwisten, hoeveel uren ongeveer hij meende 't schip

nog te kunnen houden, zei hij niets te kunnen beloven, maar dat 't zeker

niet langer zou kunnen zijn dan drie uren.--ANTOON: Die taal klonk nog

harder dan de vorige.--ADOLF: Toen hij dit gezegd had liet hij alle

touwen kappen, den mast tot aan den ontvangkoker waarin hij past,

afzagen, en vervolgens met ra's en al in zee werpen.--ANTOON: Waarom

dat?--ADOLF: Omdat hij toch maar tot last was en niet tot nut als de

zeilen waren weggenomen of verscheurd. Alle hoop was nu nog op 't roer

gevestigd.--ANTOON: Wat deden intusschen de matrozen?--ADOLF: Daar zou

je eens een jammerlijken toestand gezien hebben. Matrozen zongen

luidkeels: 't "Wees gegroet, Hemelskoningin" en riepen den bijstand in

van de Heilige Maagd, terwijl ze haar allerlei namen gaven van: "Star

der zee, Heerscheres der wereld, Haven des heils," en allerlei andere

vleiende titels die de Heilige Schrift haar nergens toekent.--ANTOON:

Wat ter wereld heeft Zij met de zee te maken die toch nooit op zee

gevaren heeft, voor zoover ik weet?--ADOLF: In den ouden tijd waren de

zeelieden toevertrouwd aan de zorg van Venus, omdat men geloofde dat

deze uit de zee geboren was. Maar sedert zij ophield er zich mee te

bemoeien, is de Moedermaagd in de plaats getreden van de moeder die geen

maagd was.--ANTOON: Spotter die je bent!--ADOLF: Sommigen lagen geknield

op het dek en baden tot de zee, terwijl ze al wat er aan olie aan boord

was op de golven uitgoten, evenzoo vriendelijk en vleiend smeekend als

men gewoonlijk tot een vertoornden grooten heer spreekt.--ANTOON: Wat

zeiden ze dan?--ADOLF: "O allergoedertierenste zee! o grootmoedige zee!

o rijke zee! o allerschoonste zee! Word kalm. Red ons." Tal van

dergelijke uitingen lieten zij de zee aan haar doove ooren

hooren.--ANTOON: Wat een dwaas bijgeloof. En de overigen?--ADOLF:

Sommige passagiers waren maar altijd zeeziek: de meeste deden allerlei

geloften. Er was een Engelschman bij, die gouden bergen beloofde aan de

Heilige Maagd van Walsingham, wanneer hij heelhuids den vasten grond

mocht bereiken. Anderen beloofden veel aan 't Heilige Kruishout te

zullen geven dat zich op deze of gene plaats bevindt. 't Zelfde

geschiedde met de Heilige Maagd die op verschillende plaatsen wordt

vereerd, en ze houden de gelofte voor ongeldig, als men er niet precies

de plaats bij noemt.--ANTOON: Dat is toch belachelijk. Alsof de Heiligen

niet in den hemel hun verblijfplaats hebben!--ADOLF: Daar waren er zelfs

bij, die beloofden dat ze Karthuizer monnik zouden worden. Eén beloofde

een bedevaart te zullen doen naar Sint Jacob van Compostella en wel

barrevoets, blootshoofds, 't lichaam slechts bedekt met een stalen

harnas, den kost verdienend met bedelen.--ANTOON: Dacht niemand aan Sint

Christoffel?--ADOLF: Ik hoorde er een, (en ik deed dat niet zonder

lachen) die met luider stemme, om toch vooral goed verhoord te worden,

aan Sint Christoffel die te Parijs in de Kathedraal staat, (een beeld

zoo groot als een berg) een waskaars beloofde, zoo groot als 't beeld

zelf is. Terwijl hij dit met luid geschreeuw zoo hard hij kon

uitbulderde, stootte zijn buurman die naast hem stond en een goede

kennis van hem was, hem met den elleboog aan en zei waarschuwend tot

hem: "Weet wel wat je belooft? Al houd je ook een verkoop van al wat je

bezit dan kun-je 't nog niet betalen." Toen zei de ander op gedempten

toon (natuurlijk mocht Sint Christoffel dit niet hooren): "Houd je mond,

malloot! Denk je dat ik meen wat ik zeg? Als ik maar éénmaal vasten

grond onder de voeten heb, dan krijgt hij niet anders dan een

vetkaars."--ANTOON: Wat een stommerik! Dat zal wel een Hollander geweest

zijn.--ADOLF: Neen, 't was een Zeeuw.--ANTOON: Het verwondert me dat

niemand dacht aan den Apostel Paulus, die zelf ook een zeetocht heeft

gedaan en zich uit de schipbreuk aan land redde. Paulus kende die rampen

bij ondervinding en had geleerd ongelukkige lotgenooten behulpzaam te

zijn.--ADOLF: Aan Paulus werd niet gedacht.--ANTOON: Baden ze intusschen

ook?--ADOLF: Ja: de één al vuriger dan de ander. De één zong 't "Salve

Regina," een ander zei op: "Ik geloof in God den Vader." Er waren ook

enkelen die bijzondere schietgebedjes hadden, niet ongelijk aan

tooverformules tegen gevaren.--ADOLF: Wat maakt droefheid de menschen

toch vroom! Als iemand in voorspoed is dan denkt hij aan God noch

Heiligen. Maar wat deed jij intusschen? Deed jij geen geloften aan één

der Heiligen?--ADOLF: Ik dacht er niet over.--ANTOON: Waarom

niet?--ADOLF: Omdat ik er niet van houd 't met de Heiligen op een

accoordje te gooien. Is het eigenlijk wel iets anders dan een echt

contract volgens de rechtsformule: "_Ik_ geef, als _gij_ 't óók doet,"

of: "_Ik_ zal het doen zoo _gij_ het doet." "Ik zal een waskaars geven

als ik niet verdrink; ik zal naar Rome een bedevaart doen als gij mij

redt."--ANTOON: Maar riep je de hulp in van den een of anderen

Heilige?--ADOLF: Zelfs dat niet.--ANTOON: Waarom toch niet?--ADOLF:

Omdat de hemel zoo ontzaglijk groot is. Als ik aan den een of anderen

Heilige mijn ziel aanbeveel, stel bijv. aan Sint Pieter, die mij

misschien 't eerst zou hooren omdat hij aan de deur staat, dan ben ik al

dood vóórdat hij nog bij God is gekomen en vóórdat hij dezen de zaak

heeft uiteengezet.--ANTOON: Wat deed-jij dan?--ADOLF: Wel, ik wendde mij

rechtstreeks tot God zelf, zeggende: "Onze Vader die in den hemel zijt."

Geen der Heiligen verhoort sneller dan Hij of geeft met meer

bereidwilligheid wat van Hem gevraagd wordt.--ANTOON: Maar had je

intusschen niet wat gewetenswroeging? Zag je er niet tegen op Hem

"Vader" te noemen, dien je zoo dikwijls aanstoot had gegeven door

verkeerde daden?--ADOLF: Nu, om je de waarheid te zeggen, mijn geweten

maakte mij wel ietwat bang. Maar ik vatte weldra moed, terwijl ik zóó

bij mij zelf redeneerde: "Er is geen vader zoo vertoornd op zijn zoon of

hij zou hem, wanneer hij hem in een maalstroom of in een meer in gevaar

ziet, bij de haren grijpen en hem op den oever trekken. Onder allen die

aan boord waren hield zich niemand kalmer dan een vrouw met een kindje

aan de borst dat zij zoogde.--ANTOON: Wat deed die vrouw dan?--ADOLF:

Zij was de eenige die niet schreeuwde, die niet schreide, die geen

geloften deed, terwijl ze haar kindje in de armen gekneld hield, bad zij

in stilte. Intusschen stiet 't schip op een bank en de kapitein liet er,

uit vrees dat 't geheele schip uit elkander zou stooten, aan den

voorsteven en aan den achtersteven kabels om heen slaan.--ANTOON: Een

treurig hulpmiddel!--ADOLF: In dien tusschentijd komt een oude priester,

een zestiger ongeveer, in ons midden. Hij heette Adam. Hij deed zijn

kappen van zijn beenen, trok zijn schoenen uit, ontkleedde zich tot op

zijn hemd en zei dat we allen 't zelfde moesten doen, om ons gereed te

maken door zwemmen ons leven te redden. En zoo stond hij daar midden op

't schip, terwijl hij ons uit den een of anderen ouden theologischen

schrijver over de vijf waarheden van het nut van de biecht een preek

hield. Zoo spoorde hij ons allen aan om ons op leven en dood vóór te

bereiden. Ook was er een Dominikaner bij. Wie wilde kon bij hen te

biecht gaan.--ANTOON: En jij?--ADOLF: Toen ik alles zoo in 't ongereede

zag biechtte ik God in stilte, terwijl ik bij hem mijn slechtheid

bekende en van hem erbarming inriep.--ANTOON: Waarheen zou je gegaan

zijn als je eens zóó verongelukt waart?--ADOLF: Dat liet ik aan God,

mijn Rechter, over om te beslissen. Immers ik wilde mijn eigen rechter

niet wezen. Maar ik voedde intusschen in mijn hart nog wel eenige hoop.

Onderwijl keerde de kapitein met tranen in de oogen tot ons terug.

"Ieder houde zich bereid. Het schip houdt 't geen kwartier meer uit." Op

sommige plaatsen had 't reeds zware lekken, waardoor het veel water

binnen kreeg. Even daarna komt de kapitein ons zeggen, dat hij in de

verte een kerktoren zag en dat ieder de hulp moest inroepen van den

Heilige, wie 't dan ook was, aan wien die kerk gewijd was. Ze vallen

allen op hun knieën en roepen den onbekenden Heilige aan.--ANTOON: Als

je hem bij zijn naam hadt aangeroepen had hij je misschien wel

verhoord.--ADOLF: Maar den naam wisten wij juist niet. Onderwijl stuurde

de kapitein in de richting van dien kerktoren zoo goed als 't ging, het

gehavende schip, dat veel water in kreeg en zeker uit elkander zou

gevallen zijn als 't niet door de kabels omwonden was geweest.--ANTOON:

Wat een toestand!--ADOLF: Daar dreven wij dan heen zoodat de bewoners

van die plaats ons uit de verte in 't oog kregen en zagen in welk een

gevaar wij verkeerden. Zij liepen te hoop naar den zoom van het strand,

wuifden met hun kleedingstukken, wenkten ons met hoeden, op stokken

gestoken, naar zich toe en gaven ons met omhoog geheven armen te kennen

dat zij ons lot bejammerden.--ANTOON: Ik ben nieuwsgierig te vernemen

hoe dat afliep.--ADOLF: Het water stond reeds overal in het schip,

zoodat we aan boord even groot gevaar liepen te verdrinken als in

zee.--ANTOON: Nu had men zijn toevlucht moeten nemen tot 't gewijde

anker.--ADOLF: 't Mocht wat! Neen! De matrozen hoozen 't water uit de

sloep en laten deze te water. Allen wilden zich tegelijk daarin werpen,

terwijl de matrozen riepen, dat de sloep zooveel menschen niet kon

bevatten en dat ieder maar moest grijpen wat hij grijpen kon en zoo naar

land moest zwemmen. Lange bedenktijd was er niet. De een greep een

roeiriem, de ander een boomstok, een derde een trog, weer een ander een

waterkuip, een ander een plank en zoo gaf men zich, vol goed vertrouwen

op 't geen men gegrepen had, aan de golven over.--ANTOON: En wat

gebeurde er intusschen met die vrouw, de eenige die niet

jammerde?--ADOLF: Zij landde 't eerst van allen aan de kust.--ANTOON:

Hoe kwam dat zoo?--ADOLF: Wij hadden haar op een breede plank geplaatst

en zóó vastgebonden dat ze er niet licht kon afglijden. We gaven haar

een plank in de hand om die bij wijze van roeiriem te gebruiken en onder

onze beste wenschen stieten wij haar in de golven, haar een zetje

gevende met een boomstok; want ze mocht niet dicht bij 't schip blijven:

dat was gevaarlijk. In haar linkerarm hield zij haar kindje gekneld, met

haar rechterhand roeide zij.--ANTOON: Dat was een manhaftige

vrouw!--ADOLF: Toen er niets meer te grijpen viel, rukte nog iemand ten

laatste 't houten beeld der Heilige Maagd los, dat vermolmd en uitgehold

was door muizen. Met dit beeld in zijn arm begon hij te

zwemmen.--ANTOON: Kwam de boot goed en wel aan land?--ADOLF: Niets van

dat alles ging eerder naar den kelder. Er hadden zich wel dertig

menschen ingeworpen.--ANTOON: Hoe kwam 't dat ze zoo jammerlijk

verging?--ADOLF: Nog vóórdat men de boot van 't schip had kunnen

losmaken sloeg ze door 't slingeren om.--ANTOON: Hoe vreeslijk! En

verder?--ADOLF: Nu, terwijl ik anderen hielp, had ik er bijkans 't

loodje bij gelegd.--ANTOON: Hoe zoo?--ADOLF: Omdat er niets meer over

was waaraan ik mij onder 't zwemmen kon vasthouden.--ANTOON: Daar zou

een kurken zwemgordel goed geholpen hebben.--ADOLF: Nu, 'k wil je wel

verzekeren dat ik op dat oogenblik meer om een zwemgordel zou gegeven

hebben dan om een zwaren, gouden luchter. Toen ik overal rondkeek viel

mijn aandacht eindelijk op 't onderste gedeelte van den mast. Maar ik

kon dat niet alleen loskrijgen en ik roep dus de hulp van een ander in.

Ons vastklampend aan dat stuk mast werpen we ons in de golven, _ik_ aan

den rechter kant, hij links. Terwijl we zoo ronddobberen werpt zich die

priester, die aan boord de preek gehouden had, midden tusschen ons in.

't Was iemand groot van stuk. Wij riepen: "wie is die derde man? Die zal

ons allen te zamen doen verdrinken." Bedaard gaf hij ten antwoord:

"Houdt maar goeden moed: daar is ruimte genoeg: God zal ons wel

helpen."--ANTOON: Hoe kwam hij er toe pas zoo laat te water te

gaan?--ADOLF: Wel, hij zou mee in de boot zijn gegaan tegelijk met den

Dominikaner: want allen gunden hem de eer. Maar ofschoon zij over en

weer elkaar in de biecht hadden genomen, gingen zij, naar 't schijnt

iets vergeten hebbende, opnieuw bij elkander te biecht en legde de een

den ander de hand op 't hoofd. De boot sloeg intusschen om, zoo vertelde

mij priester Adam.--ANTOON: En hoe ging 't met den Dominikaner?--ADOLF:

Onder aanroeping van de hulp der Heiligen ging hij na al zijn kleeren te

hebben uitgetrokken naakt te water.--ANTOON: Welke Heiligen riep hij

aan?--ADOLF: Dominicus, Thomas, Vincentius en den een of anderen Petrus,

maar voornamelijk had hij zijn hoop gebouwd op Sinte Katrijn van

Siëna.--ANTOON: Dacht hij niet aan Christus?--ADOLF: Ik vertel wat de

priester mij verteld heeft.--ANTOON: Hij zou eerder uit 't water gered

zijn als hij zijn monnikspij had aangehouden. Hoe kon Sinte Katrijn van

Siëna hem nu herkennen, daar hij die had afgelegd? Maar vertel nu verder

over je zelven.--ADOLF: Terwijl wij nog in de buurt van 't schip

dobberen, dat als een speelbal van de golven heen en weer slingert,

verplettert het roer waar we tegen aan slaan het dijbeen van mijn

kameraad, die aan den linkerkant op den mastbalk zat. Zoo werd hij er

afgesleurd: de priester bad hem een eeuwige rust toe en kroop op zijn

plaats. Hij drukte mij op het hart moedig mijn hoek vast te houden en

flink met mijn voeten te trappen. We kregen intusschen heel wat zout

water in. Zoo had Neptunus ons niet alleen een zout bad maar ook een

zouten drank bereid. De priester bedacht daartegen een

middeltje.--ANTOON: Welk?--ADOLF: Zoo vaak een golf tegen ons opkwam

draaide hij er 't achterhoofd tegen in terwijl hij zijn mond gesloten

hield.--ANTOON: Die bejaarde man was toch per slot van rekening een

flinke kerel.--ADOLF: Toen we een poos zoo rondgedreven hadden en al een

eindje gevorderd waren zei de priester, die nog al flink uit de kluiten

gewassen was: "Vat moed: ik voel grond." Ik durfde op zooveel geluk niet

hopen en zei: "We zijn nog veel te ver van de kust dan dat we al grond

kunnen verwachten." "Neen," zei hij, "ik voel grond met mijn voeten."

"'t Is misschien," zei ik weer, "één van de kisten die de zee hier heen

heeft gewenteld." "Neen, aan 't schuren van mijn teenen voel ik

duidelijk den zandbodem." Toen we nòg een poosje hadden rondgedobberd en

hij weer grond voelde zei hij: "Doe jij wat je 't beste toeschijnt: ik

laat je den mast geheel over en waag me in 't ondiepe water." Hij

wachtte even tot de golven weer afstroomden en liep op zijn voeten zoo

hard hij kon in 't water voort. En toen de branding weer kwam aanrollen

zette hij zijn beide handen op de knieën en zette zich schrap tegen de

golven in, terwijl hij onder 't water dook zooals duikervogels en eenden

dat doen: toen de golfslag weer terugzoog, stak hij 't hoofd omhoog en

liep opnieuw hard vooruit. Daar ik zag dat hem dit goed gelukte volgde

ik zijn voorbeeld. Op het strand stonden mannen die, met zeer lange

stokken op een rij elkander steunend, zich tegen 't geweld der golven

staande hielden. 't Waren pootige kerels, gewend aan 't water. De

voorste van hen reikte aan den naastbijzijnden zwemmer een stok toe. Als

de schipbreukeling dien maar éénmaal beet had, werd hij veilig op 't

droge getrokken, wanneer de mannen achteruit gingen op 't strand. Zoo

werden er verscheidene passagiers van 't schip gered: wel zeven; maar

twee zijn toen ze bij 't vuur gelegd werden, bezweken.--ANTOON: En met

je hoevelen was je op het schip?--ADOLF: Achtenvijftig koppen.--ANTOON:

Wat is die zee toch wreed! Was ze ten minste maar tevreden met een

tiende--daarmee is de geestelijkheid zelfs tevreden. Om van zulk een

aantal maar zóó weinig in 't leven te laten, dat is hard.--ADOLF: Toen

hebben wij de haast ongelooflijke menschlievendheid ondervonden van dat

volkje aan zee, dat ons alles met de grootste bereidwilligheid

verschafte: huisvesting, verwarming, eten, kleeren, reisgeld.--ANTOON:

Wat voor landslui waren 't?--ADOLF: Hollanders.--ANTOON: Ja, die zijn de

gepersonifiëerde menschlievendheid, al zijn ze ook omringd door halve

barbaren. Maar 'k denk dat je nu wel genoeg hebt van de zee en Neptunus

niet weer zult gaan opzoeken?--ADOLF: Neen, waarlijk niet, als God mij

ten minste mijn gezond verstand laat behouden.--ANTOON: Nu, ik hoor ook

liever van dergelijke ongevallen _vertellen_ dan dat ik ze _beleef_.

* * * * *

VREKKIGE RIJKDOM

JACOB EN GILBERT.

Waar de onmogelijke vrek woonde (ergens in Italië wellicht?) bij

wien onze vriend Gilbert in den kost was--wie zal 't zeggen? Maar

dat hij 't er slecht had, is zeker. Nòg zekerder, dat Gilbert een

dwaas was, dat hij het er zóó lang uithield. Hoe het zij: Erasmus

geeft in deze samenspraak uiting aan zijn afkeer van schraapzucht

en schrielheid op spottende wijze. De aartsgierigaard wordt

belachelijk gemaakt--maar tevens toch ook aan de menschen de

matigheid aangeprezen; want al is Erasmus 't niet eens met hen, die

beweren dat men nooit te weinig kan eten, hij geeft toch wèl den

raad: eet niet te veel; men kan 't over het algemeen met minder

voedsel af, dan wij doorgaans tot ons nemen.

In zoover is zijn raad zeker zeer verstandig, al is de schilderij

van den vrek niet van overdrijving vrij te pleiten.

Een twaalftal samenspraken Tot inleiding: Cd. Busken Huet's beschouwing over Erasmus · 第 17 / 18 段