„ZOO’N BRUTAAL, KLEIN DING!”
Langzaam, doodmoe, met loodzware beenen, die anders toch zoo’n gewicht
niet vertegenwoordigden, ging Lena de trap op naar boven. Haar vader
was, na het vertrek der gasten en met een buitengewoon vriendelijken
groet dadelijk naar zijn kamer gegaan, zij had gewacht tot de bedienden
gereed waren met het wegruimen van den boel, het uitdoen van de lichten
en het sluiten van het huis; intusschen had zij zich ontkleed, en nu
alles in orde was, sloeg de klok, sterk resonneerend, drie metalen
slagen in de holle achtergalerij, waar ’n nachtlichtje op de eettafel
brandde, zij keek er over de leuning op neêr, onder ’t naar boven gaan;
het zag er niets feestelijk uit, de hooge grijze zolder met de vele
balkjes, de vloer van roode steenen, de witte muren met breede zwart
geteerde randen van onder, ’t had bij het flauwe lichtje en bij de
lange schaduwen der meubels iets armoedigs, iets naars, dat erg
ongunstig afstak, bij de prachtig verlichte voorgalerij met marmeren,
dikke pilaren en fraaie sierplanten, waarin zij den heelen langen avond
had gezeten, en die bij lamplicht iets vorstelijks had.
’t Was dus al drie uur!
„Wel?” vroeg haar moeder, toen ’t meisje de kussens had opgeschud,
tusschen twee zagende en steunende ademhalingen. „Wel?”
Maar Leentje was knorrig.
„Och niets, ma! Ik ben vreeselijk moe. Ik heb zoo’n slaap.”
„Hoe was hij?”
„Hij is gek, geloof ik,” zei ze, haar coiffure losmakend en neêrvallend
op den divan; haar moeder deed nog een vraag, gedreven door
overweldigende nieuwsgierigheid; maar ze gaf geen antwoord meer.
Toch sliep ze niet dadelijk in. Hoe weinig zij ook gevoelde voor
Vermey; hoe vast ’t ook bij haar stond zijn aanzoek af te wijzen, en
hoezeer haar plan door zijn naar haar idee, misselijk pedante houding,
in niets aan ’t wankelen was gebracht,—toch had het geval haar
zenuwachtig gemaakt nu en dan. ’t Was gekomen uit het bewustzijn, dat
daar een man was, die haar wilde hebben, voor ’t leven en voor alles;
dàt had toch ook op haar zijn uitwerking niet gemist; zij had er den
gek mee gestoken; zij had zoowat ’n loopje met hem genomen; zij dacht
geen haar beter over hem, dan vroeger; zij zou niet met hem willen
trouwen,—en niettemin wist ze thans, wat ze ’s morgens nog niet wist:
dat het altijd een gevaarlijk spelen blijft met vuur; zij ondervond dat
nog, en ze was er woedend om, tot ze—’t was geen kwartier later—zwaar
en diep ademend op den divan insliep.
Mevrouw Bruce wekte haar niet; zij had in die weinige uren nog wel eens
behoefte aan de hulp van haar dochter, want de kussens waren weggezakt
en zij zat ongemakkelijk, doch ze kon het niet over haar verkrijgen ’t
arme kind te storen, en ze trachtte met haar doodzwakke handen zichzelf
steun te bezorgen.—
Het scheen, dat men er inderdaad geen „gras over groeien liet.”
„Je moet ’reis ’n eindje gaan wandelen,” meende ’n paar dagen later
haar vader, „het is zulk mooi weer.”
Dat was het ook, voor ’t eerst na eenige donkere dagen, en geheel
zonder erg „liep Lena er in”; zij kleedde zich.
„Gaat u niet mee, pa?”
„Neen kind, ik heb,” loog hij, „’n beetje rheumatiek in mijn been.”
Alleen wandelde zij dan den grooten weg op. Zij had nog omgezien naar
een harer broertjes, maar die waren allen reeds uit, naar het scheen.
Eigenlijk ging zij met weinig opgewektheid; het was al wat laat
geworden; nog een kwartier en de duisternis zou vallen, wat had ze er
aan? En toen ze nog geen vijf huizen van het hare plotseling Vermey
voor haar zag, die uit een zijpad den grooten weg opkwam, begreep zij
er ineens alles van. ’t Gebeurde heel dikwijls, dat zij hem tegenkwam
op de wandeling, en dan groette hij beleefd maar vertrouwelijk als een
oud vriend van papa, die de dochter tegenkomt. Doch hij hield zich
nooit op, en ze wist, dat hij dit nu wel zou doen.
Hij deed het ook. Hoeveel moeite het hem kosten zou—dat wist hij
vooraf!—den juisten toon te vinden en de juiste woorden, voor wat hij
te zeggen had; te zeggen tegen dat meisje, waarop hij eigenlijk niet
was verliefd, dat hij gekend had en op de wangetjes getikt, toen het
nog zat te kraaien in de slendang en op koddige manier allerlei
maleische woorden radbraakte. Dáár dacht hij nu aan, malgré lui, en dat
ontstemde hem nog meer.
Hij bloosde,—zijn malle kwaal—; hij nam zijn hoed af,—erg onhandig,
vond hij; hij reikte haar de hand,—wat hij dwaas noemde bij daglicht en
op den openbaren weg.
„Dag Lena, hoe gaat het?”
Zonder vergunning te vragen, liep hij aan haar zijde voort, alsof het
zoo overeengekomen was, en zij vond dat goed; het moest nu maar in eens
tot een einde komen; zoo hij niet wist, wat hij te zeggen had,—zij had
haar standpunt terdege overwogen met wat haar te doen en te antwoorden
stond.
„Goed,” antwoordde ze; en niet zonder ironie: „zooals u ziet.”
„En hoe gaat het mama?”
„Och, als altijd: dan eens wat beter, dan weer wat slechter, en op den
duur achteruit.”
„Het is toch treurig.”
„Voor mijn arme moeder? O ja, zeker.”
„Natuurlijk in de eerste plaats voor mama zelf; maar ’t is voor jou
toch ook geen leven.”
„Geen leven is wat veel gezegd; maar het kon beter, dat is zeker.”
„Ik hoor het weleens,” ging hij voort, „van den ouden heer.”
„Och kom? Ik dacht niet, dat pa, als hij in de sociëteit was nog om
andere dingen dacht, dan zijn partijtje.”
„Hij houdt veel van je.”
„Dat mag ook wel,” zei ze schertsend. Maar hij lette er niet op; het
moest er nu maar door....
„En hij is de eenige niet.”
Daar hadt je het, dacht ze. Doch zij wilde er voor ’t minste het beetje
genoegen van hebben, dat er aan was; zij zou niet vatbaar zijn voor
halve woorden; hij moest doorgaan tot het einde; hij moest zich
volkomen executeeren.
„Het is mogelijk,” zei ze, „maar ik weet toch niemand behalve mijn
broers en de vrienden en kennissen zoo’n beetje.”
Ze waren nu onder het dichtst door zwaar geboomte van weêrszijden
beschaduwde gedeelte van den weg; er waren weinig wandelaars; Lena keek
recht vooruit en hij ook; zoo spraken ze, schijnbaar zonder erg en als
over onverschillige dingen.
„Ik bedoel op een andere manier.”
„Dat begrijp ik niet.”
Het ergerde hem; hij meende, dat zij nu wel ’n beetje toenadering aan
den dag kon leggen. Het was toch zoo’n lamme geschiedenis, alles
heelemaal voluit te moeten zeggen. Zoo ohne Worte was het makkelijker
en aangenamer. Neen, dan ging het vrij wat pleizieriger in de lagere
regionen der liefde, waar men met ’n enkel maleisch woord elkaâr
begreep tot in de uiterste gevolgtrekkingen; waar een liefdesverklaring
de waarde had van een bonnetje: Goed voor mijn hart enz. ƒ.... tot
inlossing bij definitieve afrekening! Jongens, jongens, hij wist nu al
niet hoe hij eruit zou geraken; hij wierp maar een exceptie op.
„Weet je dat heusch niet?”
Maar zij was hem te slim af.
„Wat? Wat zou ik moeten weten? Hoe men van iemand houden kan op een
andere dan op de ware manier? Neen wezenlijk, dat gaat mijn verstand te
boven.”
Men schoot niet op, zoo voortgaande.
„Ik weet niet wat u van plan bent, meneer Vermey,” zei Lena, toen hij
niet dadelijk verder sprak, „maar ik keer terug, anders ben ik voor het
donker is niet thuis.”
„Zou dat zoo erg wezen?”
„Neen, maar mama houdt er niet van, en ik ook niet.”
Dat helsche woord! Dat moeilijke woord, dat er maar niet bij hem uit
wilde! Het was toch zoo eenvoudig, en het was toch zoo lastig! En hij
moest het zeggen, hier op den weg; daar was geen ontkomen aan; hij had
het met Bruce afgesproken.
„Het is eigenlijk geen toeval, dat ik je ontmoet heb.”
„Dat geloof ik toch wel, want het was volstrekt niet zeker dat ik zou
uitgaan.”
Ai! dacht hij, die klip moest vermeden worden; de oude heer scheen hier
de natuur een handje te hebben geholpen!
„Maar je gaat toch heel dikwijls om dezen tijd wandelen.”
„O, ja, als ’t goed weer is.”
„Ik zou den volgenden dag zijn teruggekomen.”
„U wilde me dus spreken?”
Heer in den hemel! zuchtte George in stilte, dat was verschrikkelijk.
En Lena dacht: hoe onbeholpen zeurt zoo’n man!
„Het is ’n beetje moeilijk voor me, door de bijzondere omstandigheden.
Ik kwam als aankomend jongmensch al bij de oudelui over den vloer, toen
je nog zoo’n klein kind waart; dat maakt het nu erg lastig, te zeggen,
wat ik op het hart heb.”
Hij zweeg weer, en dat verveelde haar.
„Nu, zeg het dan,” zei ze eenigszins driftig.
Een oogenblik wilde hij stilstaan, maar zij liep door en toen moest hij
ook verder gaan.
„Ik wilde je vragen, Lena, mijn vrouw te worden.”—
Zij keek niet op; zij stapte door met een effen onverschillig gezicht,
terwijl hij, een beetje bleek, naast haar liep, voor het eerst
inziende, dat het toch minder van een leien dakje ging, dan de oude
heer had gedacht.
„Het is heel vriendelijk van u,” zei ze, „maar ik kan er geen „ja” op
zeggen.”
„Waarom niet?”
„Omdat ik niet van u houd; dat is reden genoeg.”
George Vermey had een gevoel of hij ’n klap in zijn gezicht kreeg. Zijn
gedachten raakten verward; hij moest iets zeggen, dat voelde hij wel.
„Je zult van me leeren houden. Ik...”
Zij viel hem door een korte beweging met haar waaier in de rede.
„Dank u. Als ik dat ooit zou beproeven, dan toch nooit met u.”
„Maak ik dan zoo’n ongunstige uitzondering?”
„Ja, ’n zeer ongunstige, de meest ongunstige, die ik me kan
voorstellen. U vraagt mij ten huwelijk en u houdt niet van mij, en ik
zou u aannemen, terwijl ik evenmin houd van u.....”
„O, lieve Lena, ik bezweer.....!”
„Asjeblieft niets te: lieve Lena; ik ben dat niet voor u, ik wil het
niet wezen, en ik verzoek zeer bepaald van beleedigende familiariteit
verschoond te blijven.”
Hij wist niet meer hoe hij het had. Was dat de kleine Leen Bruce,
altijd zoo goed en vriendelijk? Was die zoo verduiveld bij de hand met
haar woorden? Dàt had hij nooit gedacht.
„Ik weet niet,” ging zij voort, „welke bijzondere redenen u hebt mij
ten huwelijk te vragen, ik wil er niet over denken. Wat ik wel weet is,
dat ik uw gedrag schandelijk ongepast vind.”
„Maar dan heerscht er een misverstand,” zei hij luider en geraakt over
haar scherpe woorden. „Ik heb niets gedaan wat dien naam verdient.”
„Misschien niet in uw eigen oogen, maar in de mijne wel. Dat u mij ten
huwelijk zoudt vragen wist de heele stad; ik heb het gehoord al haast
’n week geleden.... van onze baboe.”
Daar zweeg hij op, zeer ontsteld thans. Dat had hij niet kunnen denken.
Wat waren de menschen toch babbelaars!
„Van mijn baboe,” herhaalde zij, thans met innige woede in haar stem en
zenuwachtig opgewonden. „En die wist me ’n heel aandoenlijk verhaal op
te disschen van de manier, waarop u uw eigen huishouding had opgebroken
omdat..... nu ik wil de oorzaak niet noemen; ik heb er ’n hekel aan
over zulke laaghartige dingen te spreken; maar het gevolg van die
oorzaak moest zijn, dat u mij zoudt vragen.”
„Dat is niet waar!” riep hij liegend uit nood.
„Het is wèl waar, meneer Vermey. Op zoo’n manier ben ik, zeker voor het
eerst van mijn leven hier op de plaats door iedereen besproken. Van
iemand, die zooveel jaren vriendschap heeft genoten in mijn moeders
huis kon ik dat verwachten, vindt u niet? En nu zijn we voor dat huis.
Ik dank u voor uw geleide, maar zal er verder geen gebruik van maken.
Goeden avond!”
Werktuiglijk nam hij zijn hoed af, perplex, verslagen, maar in de
overtuiging, dat het alles zijn eigen schuld was, en hij zijn lot had
verdiend. Bij nader inzien was het echter de schuld van „die vervloekte
babbelaars.” Hij had het aan niemand verteld, dan aan twee, drie
vrienden en natuurlijk aan den ouden Bruce. En nu, daar had ze gelijk
in, wist de geheele stad er alles van en was thans Lena juist evengoed
op de hoogte van de omstandigheden, als Yps het ’n paar dagen te voren
was geweest! Het maakte hem zóó verlegen, dat hij in ’t drie kwart
duister een kleur kreeg als vuur, alleen van het idee. Bliksem, wat had
dat kleine magere ding hem daar à faire gehad! dacht hij. Niet alleen
had ze hem afgewezen, hem, naar zijn eigen schatting, den mooisten,
netsten en voortreffelijksten bachelor van ’t plaatsje, maar zij had
hem met zooveel woorden iets beschamends gezegd; iets waaraan hij nooit
gedacht had, maar dat hij nu betreurde, dat hem thans helder voor den
geest stond als een handeling beneden de waarde van een fatsoenlijk
man. Hij had dat meisje van goede opvoeding, en op wier deugd en
kuischheid geen de minste smet kleefde, gevraagd omdat ze geld had, en
hij uit eigen fondsen niet bij machte was voort te leven met zijn half
inlandsche huishoudster, zooals hij gewoon was te doen.
En dat had Lena duidelijk voor oogen gestaan; daar was hij zeer zeker
van.
Intusschen: hij, George Vermey, had een „blauwtje” geloopen van de
ergste soort. Ook dat zou binnen tweemaal vier en twintig uren iedereen
op de plaats weten. Wat zou men hem uitlachen! Dat had zijn huis
verlaten, zijn „meid” opgedoekt, en zijn boeltje verkocht; dat was heel
netjes gaan leven in een hotel om te poseeren als ernstige
huwelijkscandidaat en zich daarna terug te trekken in den stillen en
rustigen huiselijken kring! Hij vloekte bij zichzelf van
kwaadaardigheid. Hij zou op ieders gezicht den spot lezen, hij zou de
plagerijen van zijn vrienden moeten hooren, en de zinspelingen van
anderen. Neen, dat kon hij niet doorstaan. Dat zou hij ontvluchten,
door zich ziek te melden, en voor ’n dag of acht naar het gebergte te
trekken.
Zoo’n brutaal klein ding! En met dat alles een goed huis voor hem
gesloten, want het was nu voortaan onmogelijk bij de Bruce’s aan huis
te komen!
Hij liep voort, nu eens harder, dan zachter, al naarmate van zijn
gedachtengang, en in de richting van zijn kantoor. Een sleutel was in
zijn bezit, en in zijn lessenaar lagen nog enkele particuliere
correspondenties, die hij er uit wilde halen. Verwonderd zag hij, ’t
pakhuis voorbijgaand, licht door de smalle kieren van de groote groene
deuren. Zouden er dieven zijn? Er kon toch niemand meer wezen van het
personeel. De deur van de gang naar de kantoorlokalen stond half open.
In de duisternis ging hij de bekende trap op, en boven in de kamer van
den chef, zag hij nog een brandende kaars, en hij zag ook een bekenden
hoed er naast staan; die was van den chef zelf.
Een oogenblik aarzelde hij verder te gaan. Het was duidelijk dat er
dingen gebeurden, die het daglicht schuwden; George dacht daarover en,
terwijl hij ’t kastje van zijn lessenaar openmaakte, bij het schijnsel
van een kaarsje, dat hij vond op de expeditietafel, rees een vermoeden
bij hem op; juist een zooals kon ontstaan in zijn geest; hij dacht niet
aan oneerlijkheid of knoeierij in zaken, maar aan zwarte persoonlijke
ondeugden.
Haastig pakte hij zijn boeltje saâm, blies de kaars uit, en ging naar
beneden; hij zou graag ongemerkt zijn weggegaan, maar dat lukte niet;
halverwege de trap kwam zijn chef uit het pakhuis naar boven met den
inlandschen mandoer achter zich als een donkere schaduw, ze spraken
zacht samen in ’t maleisch en al kon Vermey niet verstaan wat ze
zeiden,—hij hoorde den vertrouwelijken toon, die hem met een gevoel van
afschuw ’n rilling langs den rug deed gaan.
De chef schrikte toen hij iemand naar beneden hoorde komen. Hij bleef
staan en vroeg met luide stem en toornig:
„Wie is daar?”
„Ik ben het,” zei George ook hard en stroef.
„O zoo,” zei de andere met eenige aarzeling. „Hadt je iets vergeten?”
„Dat niet, maar ik ben ziek. Ik heb het op de wandeling weêr in den
buik gekregen. Mijn obat stond hier....”
„Zoo! Het is ’n gezanik met die fransche facturen.... Er was nu weer ’n
verschil in de boeken van ’t pakhuis.... het klopte niet.... ik heb in
godsnaam zelf den boel moeten opnemen.”
„Ja, da ’s heel onaangenaam.”
„Goeden avond.”
George kwam even aan z’n hoed en groette met dezelfde woorden terug.
Toen hij beneden was, en de deurknop reeds in de hand had, riep zijn
chef met grooter welwillendheid in de stem dan waaraan men op ’t
kantoor gewoon was:
„Als je wellicht morgen ziek bent, Vermey, blijf dan gerust thuis,
hoor!”
„Dank u!” riep hij terug en ging heen.
Het was een groote afleiding voor hem; na den eersten indruk van zijn
„blauwtje” ontwikkelden zich dadelijk nieuwe plannen. Hij zou naar
boven gaan; hij had zoo goed als ’t verlof reeds in den zak van den
man, dien hij naar zijn meening, niet meer of minder dan „gesnapt” had,
al wist hij feitelijk van diens handelingen niet meer dan iedereen, dat
was: zoo goed als niets. Hij stapte flink voort; het was nu buiten
geheel donker, de lantaarns wierpen flauwe oranje-gele lichtbundeltjes
uit haar bescheiden petroleumlampjes over den weg; zijn opgeruimdheid
keerde onder het loopen terug. Hij zou gauw eens aanloopen bij zijn
vrienden om hun ’n standje te geven over hun babbelachtigheid; maar bij
nader inzien zag hij van dat laatste af; ’t was beter de „zaak” anders
te behandelen.
Zij, de vrienden zaten samen, ongekleed, ’n bittertje te drinken op hun
luierstoelen elk met ’n krant in de hand, toen Vermey mampirde.
Hij veegde zich het zweet van het voorhoofd en ging zitten, terwijl zij
belangstellend vroegen, „hoe het ermee was.”
Maar George schudde langzaam het hoofd, trok zijn mond bedenkelijk
samen en keek naar de verflooze door boeboeq hier en daar beschadigde,
zoldering van het galerijtje.
„Ik zie ervan af,” zeide hij.
Zij antwoordden niet zoo dadelijk; zij wisten niet wat ze zeggen
zouden; ze vonden het eenvoudig belachelijk. Waartoe dan al die drukte
gemaakt? En na ’n oogenblik zwijgen, greep een hunner de karaf om ook
Vermey ’n glas in te schenken; onder de hand zei hij schamper:
„Je bent toch ’n rare bliksem!”
„Ik kan het niet doen; ik ben ziek: koortsig met zware buikaandoening,
soms. Neen, ik doe het niet. Ik voel me er niet toe geroepen.”
„En je hebt er al over gesproken met haar vader!”
„’t Kan me niet schelen: ik doe het niet. Als ik morgen niet beter ben,
ga ik voor ’n paar weken naar boven. A propos; wil ik jullie ’reis wat
vertellen van m’n baas, die gladakker?”
Zij keken op met groote nieuwsgierigheid, en George vertelde op zijn
manier; wat aanleiding gaf tot krachtige woorden van afschuw en
verachting met glossen erdoor, waarom ze lachten en corps.
Toen hij het tijd vond op te stappen, vroegen ze hem met spottende
belangstelling, waar hij dien avond verder heenging, en hij antwoordde
met ’n dwaas lachje en ’n hartelijken handdruk. Zij lachten alle drie;
’t was zoo’n trio-muziek zonder tekst; ze begrepen het best!
Ja, ze snapten het veel beter, dan Vermey ’t wel veronderstelde.
Ze keken elkaar aan over tafel, de een streek zijn vinger langs z’n
neus en zei:
„Ik weet niet of je me begrijpt!”
En de ander, terwijl hij de scheen wreef van zijn been dat op een der
armen van den luierstoel lag.
„O zoo!”—