„Wat moet-je toch?”
Lena was eenigszins bits uitgevallen. Wel ja! die menschen konden zoo
zaniken! Zij had het zoo verschrikkelijk druk dien ochtend en daar liep
die baboe om haar heen te draaien, net of ze een praatje wou beginnen.
En de nonna, die het zoo volhandig had met haar huishoudelijke
bezigheden, was daar dien ochtend niets op gesteld.
Ze was anders goed voor de inlandsche bedienden; het volk diende haar
graag en ging niet gaarne heen. Maar ’t kostte moeite ze te houden,
soms. Papa, die nooit iets had uitgevoerd en zich nooit met iets
hoegenaamd bemoeide, had de gewoonte zoo ééns in de week naar achter te
gaan en met vervaarlijke stem de keukenmeid, den tuinjongen, de
huisjongens, de naaister en de baboe onder allerlei lieflijke
benamingen hun tekortkomingen te verwijten.
Dan gebeurde het telkens dat een, die wat erg hard was aangepakt,
eenvoudig bij Lena kwam brenti vragen, en niet altijd gelukte het haar
de menschen met een verstandig woord van hun plan om heen te gaan af te
houden.
Zij had er dikwijls onaangenaamheden over gehad met haar vader, maar
dan werd hij boos, want hij was niet af te brengen van het idee, dat
die wekelijksche bulderbasserij dringend noodig was voor de handhaving
van zijn prestige als heer des huizes.
De meid was over de driftige vraag van Lena een oogenblik beteuterd
geweest, maar zij herstelde zich dadelijk, en vroeg of het wezenlijk
waar, of het betoel betoel was, dat de juffrouw ging trouwen.
„Ik geloof dat je gek bent,” zei Lena, nu werkelijk boos.
„Alle menschen zeggen het toch,” hield de baboe vol.
„Alle menschen zeggen, dat de juffrouw gaat trouwen met meneer Vermey,
en dat hij daarom uit zijn huis gaat en zijn njai wegdoet.”
„Nu zeg dan maar tegen alle menschen, dat het een leugen is, en houd
verder je mond.”
Teleurgesteld en met een langgerekt: „ouah!” van verbazing, ging de
meid aan haar werk. Lena, geheel van streek en erg verontwaardigd, liep
de trap op, en luisterde aan de kamerdeur of haar moeder wakker was.
Mevrouw Bruce gevoelde zich dien dag minder benauwd dan anders. Zij zat
in haar grooten leunstoel, ineengedoken in sarong en kabaai, met
ingevallen borst en schouders, zwak en doodmager, ellendig om aan te
zien, met niets meer dat van krachtig leven sprak, dan haar ernstige
verstandige oogen, en de vaste trek vol wilskracht om haar mond.
„Verbeeld je ma,” zei Lena pratend de kamer binnenkomend, „wat gemeene
praatjes er worden uitgestrooid.”
„Wat dan?”
„Dat ik zou gaan trouwen met meneer Vermey.”
Haar moeder trok de wenkbrauwen saam en diepe voren plooiden haar
voorhoofd. Een oogenblik zweeg zij.
„Zoo, zeggen ze dat.”
„Het is schandelijk!”
„Och waarom! Er zal wel iets van aan zijn. Men noemt geen koe bont of
er is een vlekje aan.”
„Maar praat dan toch zóó niet ma.... U weet....”
„O, ja, ik weet wel, dat jij er nooit aan gedacht hebt. Maar men kan
niet weten....”
„Ik zal dan toch in de eerste plaats wel moeten weten!”
„Je vader is altijd zulke goede vrienden met hem; zij kennen elkaar al
jaren, en ’t zijn allebei trouwe kroegloopers. Wie weet wat ze met
elkaar beramen.”
Daar had je, dacht Lena, waarlijk Papa weer! Papa, die nooit iets deed,
maar als hij zich tot iets zette, altijd deed wat hij niet doen moest.
Er kwam een trek van minachting op haar gezicht. O zeker, ze hield veel
van haar vader, maar zulk een man vond ze toch afschuwelijk.
Zij dacht daarover na, terwijl haar moeder haar aanzag, eenigszins
angstig. Zou zij haar kind verliezen? Zou zij nu zwak en hulpeloos,
afhankelijk van anderen, den eenigen steun moeten derven, dien ze
aannam met liefde en stillen dank, als iets dat natuurlijk was en
vanzelf sprak? Toen Lena peinzend zwijgen bleef, wendde haar moeder den
blik niet van het eenvoudig gezichtje met de vermoeide trekken en de
kringen onder de oogen; en plotseling scheen het haar in te vallen, dat
zij een hardvochtige, egoïstische moeder was; dat zij, die zelf twee
mannen had gehad, geen hinderpaal mocht zijn voor een huwelijk van
Lena; dat het beter was, als het meisje trouwde.
„Het is goed, dat je er over denkt, kind. Als je vader Vermey niet
heeft afgewezen, dan handelde hij zeer verstandig, schoon hij er mij
niet onkundig van had moeten laten. Doch ik weet het wel; iemand die
altijd ziek is en de kamer moet houden, telt op het laatst niet meer
mee. Ik zou maar stil afwachten, Leentje, en intusschen er ernstig over
denken. Vermey houd ik voor een goed, schoon wat lichtzinnig mensch.
Men zegt dat hij knap is voor z’n zaken en dat geloof ik ook wel. Hij
heeft een behoorlijke positie en is een flink, gezond man; hij....”
„Maar, ma!” riep Lena, luid lachend. „Is hij ook „hecht, sterk en
wel-doortimmerd” zooals pa altijd zegt van ’t huis? Hoe heb ik ’t nu
met u, maatje? Ik denk in ’t geheel niet aan den man. Geen haar van
mijn hoofd denkt aan hem!”
„Het is misschien verkeerd, kind. Menig meisje is op jouw leeftijd al
getrouwd en heeft ’n eigen huishouden.”
„Een huishouden ontbreekt mij niet!”
Mevrouw Bruce zweeg ’n oogenblik. Neen, dat ontbrak haar dochter
waarlijk niet! Eens op den weg der erkenning en waardeering van al wat
Lena deed voor het gezin en voor haar zelf, stond zij niet stil. Dàt
kon zoo niet blijven; het was haar thans duidelijk, dat er een
verandering komen moest; het denkbeeld pijnigde haar, maakte haar
benauwdheid grooter, zoodat ze een oogenblik achterover moest zitten,
de magere handen tegen de borst, het hoofd op- en neêrgaand van de
moeite om adem te krijgen.
„Je moet trouwen, Leentje,” zei ze, toen ze weêr wat op streek raakte.
„Je moet. In elk geval is dit geen leven.”
„Waarom niet ma? Ik beklaag me immers niet.”
„Het is geen leven!”
Zij had de fijne handjes van Lena tusschen haar eigen uitgeteerde
vingers genomen en hield ze vast op haar schoot. Dat was zoo heelemaal
haar kind! Zoo heelemaal haar eigen ik, naar het tengere lichaam,
zoowel als naar den kloeken geest.
„Vertel me nu eens, Leentje, is er iemand....?”
„Mijn hemel, ma.... wat ’n malle vraag! Er is niemand, hoor! En ik ben
er blij om.”
„Zeg het niet, Leentje; het is niet waar; het kan niet waar wezen. Op
jouw leeftijd....”
„’t Is toch zoo, ma. ’t Kan me wezenlijk niets hoegenaamd meer
schelen.”
„Meer schelen?”
„Ja. Er was een tijd.... toen u nog op de been waart en zelf het
huishouden deedt; toen ik veel tijd had; tijd genoeg om muziek te
maken, en uren lang niets te doen; toen ik lange nachten sliep en ’s
middags uren te bed lag met een boek. Toen had ik....”
„Ja ma,” ging Lena verlegen voort, „ik kan het u wel zeggen, ik geloof,
dat ik in dien tijd iedereen zou getrouwd hebben, die me ’t hof had
gemaakt.”
Haar moeder knikte zwijgend, dat kende ze; het was de heel gewone
geschiedenis.
„Het is nu lang voorbij. O, ik ben er zoo blij om! Ik heb ’t nu erg
druk. ’s Nachts komt er van slapen ook niet veel, en als ik ’s middags
een uurtje naar bed ga, dan raak ik nauwelijks mijn kussens of ik slaap
al.”
„Dat is ’n ander uiterste.”
„’t Is mogelijk, ma. Maar laat het zoo maar stilletjes blijven, en maak
geen veranderingen. Als het me moeilijk wordt, zal ik er wel om vragen.
Vermey is mal; ik wil hem in ’t geheel niet hebben.”
Het egoïsme was toch bij de zieke niet geheel onderdrukt. Goddank!
dacht ze met stille zelfvoldoening en met een zucht van verlichting.
Goddank! Ze had eigenlijk niets liever, dan dat alles maar bleef zooals
het was.
„Dus wil je hem afwijzen? Zou het dan maar niet beter zijn, het geheele
aanzoek te voorkomen?”
Maar nu kwam de meisjesaard boven.
„Wel neen, zeker niet. Laat ik er ten minste het plezier van hebben.”
„En hij ongetwijfeld het verdriet.”
Lena schaterde van ’t lachen.
„Maatje, maatje, hoe heb ik het nu? Dat is toch wat al te erg! Die
fraaie vriend van papa, die zonder mij ook maar met een enkel woord
ergens over te hebben gesproken, het praatje rondstrooit, dat ik met
hem trouwen zal, heeft waarlijk wel wat anders verdiend, dan uw teeder
medelijden.”
„Hij houdt misschien heel veel van je.”
„Hoe dwaas! Iemand, die..... Zoo’n kerel,” brak ze in toorn los, „zoo’n
kerel, die daar leeft met ’n....,” ze wilde het woord niet zeggen, maar
onder een „Bah! Ik begrijp niet hoe u er nog over kunt spreken,” liep
ze de kamer uit.
Mevrouw Bruce schudde glimlachend het hoofd. Zoo’n kind! Hoe weinig
wist zij, wat de wereld opleverde. Het zou er aardig uitzien, als dat
’n reden was om in Indië een huwelijk te weigeren! En niet enkel in
Indië, maar overal. Overal, voor zoover ze wist, deden de mannen in hun
jeugd tennaastenbij zooals ze hier in Indië doen, met het eenige
onderscheid, dat het hier een zaak was, even open bedreven, als de
huizen zijn van bouw, en in Europa meer in het geheim achter de muren
der hooge steenmassa’s. Maar de menschen, dat leerde haar
levenservaring, waren zoowat overal eender. Goeden en slechten,
slechten en goeden, slechten het meest. Haar eigen man vertrouwde zij
niet, zoo oud als hij was; en het was óók daarom, dat ze zoo opzag
tegen het in dienst nemen van iemand „ter assistentie in de
huishouding.”
Aan tafel keek Lena haar vader eens aan.
„Van ochtend,” zeide hij na eenige aarzeling, „is Vermey uit zijn huis
getrokken.”
Zij antwoordde onverschillig: „Zoo!” en spoorde haar broertjes aan de
frikadel te eten, die ze niet lustten en op hun borden lieten liggen.
Het trof haar, dat de oude heer nu alleen den naam noemde, terwijl hij
vroeger altijd sprak van „meneer Vermey”, zooals hij gewoon was te doen
van zijne vrienden tegenover zijne kinderen.
„Hij is in ’t logement gegaan, voorloopig.”
„En zijn inboedel?” vroeg ze om toch iets te zeggen en niets te laten
merken.
„Die heeft hij overgedaan. Het is maar goed ook, want ’n vendutie is,
als men op de plaats blijft, schade voor de hand. Heb je van avond wat
lekkers?”
Zij haalde de schouders op.
„Dat weet ik niet. Als het noodig is zal ik iets laten maken. Overigens
als gewoonlijk.”
„Ik had Vermey willen vragen ’n bordje soep te komen eten.”
Ze staken dus met spoed van wal, dacht Lena, en ze lachte in haar hart.
Er moest geen tijd verloren gaan! ’s Morgens—en nu maakte zij zich
inwendig weêr boos!—’s morgens de njai de deur uit en ’s avonds daarop
de eerste poging om ’n fatsoenlijk meisje tot vrouw te krijgen!
„Als u meneer Vermey vragen wilt,—het is mij wel.”
„Laat bloemkool maken met saucijsjes,” zei Bruce erg in zijn schik. „Ik
weet, daar houdt hij van.”
Lena knikte toestemmend, met de lippen stijf op elkaar. Ze zou hem
„bloemkolen met saucijsjes!” Dat was zeker haar eerste les geweest in
de kunst om iets naar den smaak van haar heer en meester klaar te
maken! Doch zóó erg was het niet gemeend. Eigenlijk wist Bruce zelf
niet recht of Vermey van dien schotel zooveel hield; hij zelf had er
trek in.—
Maar in één opzicht had Lena juist geraden.
Het afscheid van Yps was inderdaad roerend geweest, doch de ontroering
was geheel aan den kant van George Vermey. Hij was den ganschen vorigen
dag verbazend „lief” voor haar geweest, en daar hij nu weêr geld had,
wilde hij haar van alles meêgeven. Zij liet zich niet onbetuigd en
plunderde de kasten, dat het een aard had; het linnengoed, het
tafelgoed, alles pakte zij in, en grobaks vol gingen naar het „huisje”
met de „meubeltjes.”
Alle kleine voorwerpen, die niet op inventaris waren verkocht gingen
denzelfden weg. Maar als hij vroeg of ze soms nog wat noodig had, dat
aangeschaft moest worden, keek ze hem aan, trok een verdrietig gezicht
en schudde mismoedig het hoofd. Dan smolt de gevoelige ziel van Vermey
als was in de zon; hij paaide haar met zoete woordjes en beloften; hij
liep met haar door het huis, de armen om haar heen, vol kasian en
liefde, maar toch met de stille verzuchting, dat hij zoo blij zou
wezen, als het uit was. Yps liet zich dat alles welgevallen. Zij wist
dat hij een muis was in de val; zij deed alsof ze stil verdriet had,
wel wetend, hoe ze hem „lijmen” moest en wat de beste manier was hem te
doen opdokken. Ze hield alles in het oog. Terwijl hij naast haar zat op
den divan in de achtergalerij, zij haar hoofd tegen zijn borst liet
rusten en hij haar liefkoosde, zag zij hoe haar moeder, die bij een der
bediendenkamers stond, met een vragenden blik op het keukengereedschap
wees, dat nog bijna nieuw in den glans van blauwe en witte
porceleinverf op een tafeltje buiten stond; en zij knikte snel van ja.
Wel waarachtig, zou zij dat benaderen! Die gek met zijn aanhaligheid!
Het zou er, daarvoor vreesde zij, nog op kunnen uitdraaien, dat ze iets
vergat meê te nemen.
„Ati!” lispte zij zacht, haar groote zwarte oogen naar hem opslaande,
en ze neuriede een melankoliek maleisch liedje, van een meisje, dat
door haar toean wordt verlaten en in de kali springt. En onder de hand
was haar oog gevallen op den kanarievogel in het mooie vergulde kooitje
van ijzerdraad, en ze kon zich maar niet herinneren of dat op den
inventaris stond; zij meende van niet, dus zou ze dat ook nog meênemen
naar het „huisje.”
Toen alles den volgenden morgen in orde was, deden ze samen de ronde,
hand in hand; hij diep ontroerd met tranen in de oogen, zich
verbeeldend, dat dit afscheidsbezoek haar een innig verdriet deed; zij
de oogen overal rond latende gaan, ongerust dat ze wellicht nog iets
had vergeten.
Eindelijk zat ze met haar moeder in het karretje.
Met een diepen zucht sloot George de glazen voordeur.
„God almachtig!” zei hij zacht, „wat ben ik blij dat dat achter den rug
is. Wat ’n corvée!”
’s Avonds vóór hij naar de Bruce’s ging, liep hij even aan bij zijn
vrienden om een dramatische schets te geven van de laatste
oogenblikken. Hij deed het hoogst verdienstelijk; beiden waren er zeer
door ontroerd, namen zich ernstig voor hun eigen huishoudsters nooit
zoo’n behandeling aan te doen en nimmer te denken aan een wettig
huwelijk. Vermey was nu eenmaal de waaghals en ’n „kraan”; hun was het
te machtig.
Het was erg licht in de voorgalerij bij Bruce, bepaald dien avond haar
beau soir. Zij had werk gemaakt van haar toilet en van haar kapsel, wat
verschrikkelijk moeilijk was met zoo’n haarmassa. De oude heer Bruce
had er niet op gelet, maar George, die een goeden smaak had, zag
dadelijk hoe keurig Lena er uit zag en hoe correct haar alles aan het
lijf zat. Het stemde hem aangenaam. Als zij er iets van mocht weten,
dan toonde dit „werk maken”, dat het naar haar zin was. En hij zelf kon
moeilijk beter gekleed zijn, dan hij altijd was. Toch had hij een
eenigszins feestelijk uiterlijk, toen hij de marmeren trap opkwam, erg
europeesch, met ’n gekleed donker jasje, dat zorgvuldig sloot om z’n
forsche figuur, ’n grijzen pantalon en glacé handschoenen. En dit was
zelfs zoo opvallend, dat Bruce, die een gruwelijken hekel had aan het
invoeren van europeesche kleederdrachten in Indië, hem lachend vroeg of
hij zijn cache-nez niet had vergeten.
Het was een gezellig avondje. Wel moest Lena dikwijls naar boven, want
de schel van mama was buitengewoon onrustig en zij had meer last dan
ooit van benauwdheden, maar dan hielden de anderen elkaar vroolijk
gezelschap. Bruce vond ’t erg jammer, dat Lena nog ’n paar kennissen
had gevraagd. De oude heer was al ’n beetje uit zijn humeur, door de
totale absentie van de bloemkool met saucijsjes, waarvoor hij, zooals
hij ’t noemde, ’n extra gaatje had opengehouden. Maar hij had niets
gezegd, en zich integendeel heel monter en opgewekt getoond. Er werd
aan tafel ’n goed glas wijn gedronken. De oogen glinsterden, en George,
bij wien het op oud ijs altijd heel spoedig vroor, en die nog al wat
verslagen had dien dag, onder ’t motto „liefdesmart”, had een kleur
gekregen, wat hem nog zoo slecht niet stond.
Toen het eten was afgeloopen, ging men weêr voor om de tafel zitten; de
heeren rookten ’n havanna, genietend als goede rookers; de dames
bepaalden zich tot haar kopje sterke koffie, lachend om een der
kennissen, die altijd een aanzienlijken voorraad „nieuwe” grappen wist
te vertellen, en er de anderen liet inloopen met een vermakelijk
rekenstukje of een verkeerden klemtoon.
George, achterover leunend in een wipstoel, luisterde glimlachend toe;
een gevoel van behaaglijkheid kwam over hem. Hij zag de bedrijvigheid
van Lena, die met haar groote oogen de bedienden als ’t ware aan een
touwtje had.
Mooi was ze wel niet; ze kon niet halen bij die andere; maar ze was een
beschaafd en ontwikkeld meisje met ’n helder verstand en groot zedelijk
gevoel. Hij zag nu in, dat zoo iets toch ook niet weinig was.
Zij keek hem vragend aan, toen ze met den bediende, die een blad met
likeuren droeg bij hem kwam. Hij stond op en boog zich over het blad,
met ’n lachend gezicht en oogen, die haar inwendig boos maakten, die
zij „gemeene oogen” noemde.
„Is er chartreuse bij?” vroeg hij zacht.
„Houdt u daar zooveel van?”
Hij liet de punt van z’n tong even tusschen zijn lippen doorgaan, trok
de wenkbrauwen ’n beetje omhoog en knikte haar kleintjes toe.
Lena vond hem onuitstaanbaar; maar zij hield zich goed.
„Mag ik u dan dit glaasje aanbieden,” zei ze met afgepaste
vriendelijkheid.
„Merci! Ga nu ’n oogenblik zitten.”
„Straks, ik heb nog geen tijd.”
„Kom! De jongens zullen wel zorgen voor de rest.”
Zij lachte.
„Verbeeld-je!” zei ze luid tegen ’n getrouwde dame. „Meneer Vermey
vindt, dat men de bedienden wel voor het huishouden kan laten zorgen.”
„O, die heeren! Als men hen liet begaan....”
„En dat is nu iemand, die pas zelf zijn eigen huishouden heeft
opgebroken.”
Er was ’n oogenblik stilte toen Lena dit had gezegd. Onwillekeurig keek
men elkaâr aan; de oude heer Bruce trok een bedenkelijk gezicht; de
anderen hadden moeite hun lachlust te bedwingen.—Vermey keek naar z’n
sigaar en tikte er de asch af. Het was pijnlijk; hij kon niet ingaan
tot ’n discussie over zijn opgeheven huishouden.
„Nu,” zei ze, „ik zal eens verder gaan met m’n sopi manis; pa heeft ook
nog niets; als ik klaar ben kom ik bij u zitten.”
Maar Bruce wees haar af; hij hield niet van die zoetigheid. Hij keek
eens rond, en zag in den man van de aardigheden ’n partner. ’t Is waar,
hij had zich voorgenomen dien avond niet te spelen om Vermey in de
gelegenheid te stellen Lena het hof te maken; doch was dat wel noodig,
nu? Het ging immers van een leien dakje, naar het scheen, en niemand
behoefde zich opofferingen te getroosten.
„We moesten maar vast aan den slag gaan,” zei hij luid.
George keek op, toen hij dien bekenden spelerstem hoorde.
„Ik dacht dat we niet spelen zouden.”
„Dat dacht ik ook eerst. Maar waarom zouden we eigenlijk niet? Er is
geen reden voor.”
„Wat mij betreft, ik bleef liever ’n beetje praten.”
„Bent u zoo ineens op het gezelschap van de dames gesteld geraakt,”
vroeg de getrouwde dame aan den overkant van de tafel.
„Ik heb nooit ergens meer van gehouden, mevrouw.”
„Nu ja! U maakt altijd uw partijtje. Behalve bij het dansen, ziet men u
nooit in gezelschap.”
„Me dunkt,” hielp Bruce hem een handje, „dat het alvast geen
kleinigheid is, zoo trouw voor dans-koeli te spelen.”
„Foei, meneer Bruce!”
„Je moet me niet kwalijk nemen, mevrouwtje,” ging de oude heer lachend
voort. „Ik zeg het wel goed, maar ik meen het verkeerd.”
Men lachte algemeen meê. Nu, die was goed! George stond op met een
spijtig gezicht; hij had toch bij deze gelegenheid liever blijven
zitten. Het ging nu eenmaal zoo goed; het raakte op streek, vond hij.
Juist kwam Lena uit de binnengalerij, waar zij met ’n paar dames even
onder het lamplicht in een album had gekeken, zij zelf had eigenlijk
meer gekeken naar de mooie blanke armen van de een, die het album
vasthield en die halve mouwtjes droeg; wat stond dat goed, vond Lena,
en dat zou zij nu nooit kunnen; zij hield alles maar stilletjes
getoetoept, en daar zij, wat figuur en wezen aanging, op haar moeder
leek, zou het wel altijd zoo blijven.—
„Dat is nu al heel galant,” zei ze tegen George; „U vraagt me wat met u
te komen praten, en nu ik kom; gaat u homberen!”
„Ik kan niet anders,” zei hij zacht en vertrouwelijk. „Als ik papa kon
weigeren.... maar hij zou woedend zijn.... je weet, van ouds, Lena, dat
hij er nu eenmaal niet buiten kan.”
Zij haalde de schouders op en liep terug naar de binnengalerij. George
keek haar ’n oogenblik na; ’n lief figuurtje! iets van onder ’n stolp
te zetten; iets wat hij altijd heel mooi had gevonden om.... te zien;
maar voor de rest niets.
Het werd laat. De oude heer Bruce ging uit de sociëteit altijd voor
middernacht naar huis, maar als hij ten zijnent ’n partijtje maakte,
werd het geregeld twee uren, halfdrie.
Toen ze „den laatsten” hadden gespeeld, had Vermey ’n paar kapitalen
verloren, die de gastheer won.
„’t Is niet erg beleefd van me, hé?” zei deze met ’n glans van
vergenoegen op z’n gezicht. Niet om het geld, want dat had hij niet
noodig, maar hij won zoo graag.
„Neen je hadt me er eigenlijk twee moeten betalen.”
„Ongelukkig in het spel...,” debiteerde de man van de aardigheden en de
rekenkunstige vraagstukjes met ’n gezicht vol satisfactie over z’n
eigen geestigheid.
„Ja, ja,” lachte Bruce, „dat zeg ik ook, en dat is toch maar ’t ware
voor jonge menschen.”
Ze lachten alle drie; ze wisten er alles van, gelijk er onder de dames
ook niemand onbekend was met wat in de lucht hing tusschen Vermey en
Lena; ze zinspeelden er op zonder er over te spreken en begrepen elkaar
volkomen.
Maar bij de dames was het anders; zij hielden zich heel onnoozel; Lena
merkte niettemin heel goed, dat zij allen wisten, wat iedereen scheen
te weten; wat een soort straatgeheim was. Maar ieder harer veinsde
zorgvuldig een volslagen onbekendheid; zij wilden de gelegenheid niet
laten voorbijgaan om later haar verwondering te uiten; haar
beleedigende verwondering, die voor Lena, reeds over de twintig, moest
beduiden: „gut; is er om jou nog ’n man gekomen,” die voor jonger
meisjes beteekent: „permitteert zoo’n nest zich ook al te trouwen?”
De heeren hadden nog graag ’n beetje nagepraat, maar dat gedoogden de
dames niet; zij zaten al met haar sorties in de hand en eenigszins
ontevreden te wachten, omdat het wéér zoo schandelijk laat was
geworden.
George drukte voorzichtig en met geaffecteerde teederheid het handje
van Lena; met glimlachjes, om zijn hagelwitte tanden te laten zien, en
’n overvloed van innigheid in zijn geheele houding, nam hij afscheid,
en nog telkens op de trap van de galerij keerde hij zich om en groette
met hoed of hand.
Het was nu voor de gasten een uitgemaakte zaak; ze bespraken haar onder
’t naar huis rijden als een feit; en zoo bazuinden zij ’t rond den
volgenden dag.