Niet Baxter, den goedigen, genoeglijken inspecteur van Scotland
Yard komt de hooge eer toe, de ware toedracht van Hertog Silvertons
rampzalig einde aan het licht te hebben gebracht.
Het was niemand anders dan de Groote Onbekende gentleman-dief, John
C. Raffles, die, na zich van den toestand in den Huize Silverton op
de hoogte te hebben gesteld, de afwikkeling der zaak overliet aan
James Baxter, nadat hij dezen er van had verwittigd.
Hulde aan John C. Raffles, den kampioen voor verdrukten en
onrechtvaardig bejegenden!”
In een noot had de „Times” nog aan dit bericht toegevoegd:
„Wij betreuren het, dat inspecteur Baxter geen belangrijker rol had
gespeeld in deze interessante geschiedenis dan die van—stroopop”.
Toen Baxter, in zijn bureau-stoel gezeten, dit bericht met de
toevoeging las, was hij een beroerte van ergernis nabij.
Hij smeet zijn inktpot aan stukken en kneep, van louter woede, een
handvol havanna’s aan stof.
Toen hij een beetje uitgeraasd had, wendde hij zich tot Marholm, die
rustig z’n pijpje dampte.
„Marholm,” barstte hij los, „als ik wist, dat jij—dan—dan—”
De „vloo” draaide z’n stoel een halven slag om, deed een flinken haal
en zei:
„Beste, Hollandsche tabak, chef. En—uitstekend voor de zenuwen! Wilt u
niet eens opsteken?”