De laatste zin was het, die Baxter zoozeer in twijfel bracht, dat hij
besloot, niet te gaan.
„Neen, Marholm,” zei hij op een toon vol overtuiging, „we gaan niet.
Raffles is in staat om mij zelfs in een sterfhuis belachelijk te maken
en een zot figuur te doen slaan!”
Marholm’s pijpje dampte als een stoomketel, vóórdat hij antwoordde:
„Als u niet gaat, inspecteur—wel—hm—ziet u—dan ga ik. Dan doe ik dat
zaakje op m’n eigen houtje, ziet u! U kunt van Raffles denken wat u
wilt, maar hij is teveel gentleman om in een sterfhuis kabaal te gaan
schoppen!”
Baxter dacht na—langen tijd. Als Baxter dacht, had hij daarvoor steeds
veel tijd noodig, omdat het denken hem nu juist niet al te vlot af
ging.
„Goed, Marholm, ik zal nog eens, maar voor het laatst in mijn leven, je
raad opvolgen! We zullen over een uur naar Onslow Gardens optrekken!”
En aldus geschiedde!
Heel het Vereenigd Koninkrijk was verbijsterd, toen het uit de
dagbladen vernam, hoe Hertog Adelbert Silverton, die onder zulke
verdachte omstandigheden het tijdelijke met het eeuwige had verwisseld,
zich niet had ontzien, om door een laaghartige daad—de laatste uit zijn
leven—zijn geslacht te bezoedelen.
Van heinde en verre stroomden inspecteur Baxter de gelukwenschen toe,
en allerwege werd zijn speurderszin geroemd.
De hooge borst van den inspecteur van Scotland Yard zwol en zwol—steeds
hooger.
Totdat aan al die roem en eer een einde kwam op een wijze, die viel als
een ratelende donderslag aan helderen hemel.
Een week nadat Hertogin Lily Silverton haar eer en goeden naam had
teruggekregen, kon men in de groote Londensche bladen lezen: