LAATSTE BERICHTEN! VERDACHT VAN MOORD!

„Inlichtingen, door ons ingewonnen aan en nabij de woning van den

overleden edelman, hebben onzen indruk versterkt dat hier een groot

geheim schuilt.

De dienstboden in het huis van den overledene weigeren elke

inlichting en dus is het zeer moeilijk, de waarheid te vinden uit

de talrijke en elkander vaak tegensprekende geruchten, die in de

buurt de ronde doen.

Wat ons ter oore kwam laten wij hier volgen:

Eerst drie of vier dagen geleden begon de geneesheer, die den

Hertog voortdurend behandeld had, teekenen van opium-vergiftiging

bij zijn patient op te merken. Hij vroeg den Hertog, of deze de

gewoonte had, in het geheim eenig narcotisch middel te gebruiken,

waarop echter ontkennend werd geantwoord.

De geneesheer begon nu nauwlettend acht te geven op het voedsel,

wat den patient gereikt werd en het bleek hem weldra, dat groote

hoeveelheden morphine door een onbekende hand en op onverklaarbare

wijze in het voedsel en de medicijnen werden gemengd.

Zoodra deze ontdekking door hem gedaan werd, werden alle pogingen

in het werk gesteld om het gevaar te keeren en nauwkeurig acht te

slaan op de verpleegsters en op allen, die met den zieke in

aanraking plachten te komen.

Evenwel gelukte het niet, den schuldige te ontdekken: Inmiddels

werd de Hertog al zwakker en zwakker en de geneesheer besloot nog

strenger toe te zien op het voedsel en de medicijnen en niemand toe

te staan den zieke te naderen, behalve de Hertogin zelve en twee

vertrouwde verpleegsters.

En nu komt het belangwekkendste gedeelte van de loopende geruchten,

waarvan wij echter niet dan onder alle mogelijke reserve melding

wenschen te maken.

Men wil namelijk weten, dat gisteravond, omstreeks acht uur, de

Hertog zijn geneesheer alleen heeft willen spreken en men vermoedt,

dat hij bij die gelegenheid den dokter ernstige vermoedens omtrent

de Hertogin moet hebben toegefluisterd.

Na dit onderhoud heeft de geneesheer de Hertogin uitdrukkelijk te

verstaan gegeven, dat hij haar den toegang tot de kamer van haar

echtgenoot verbood en heeft hij den Hertog aan de zorgen der

verpleegsters overgelaten.

In den loop van den avond evenwel is de Hertogin, gebruik makende

van de tijdelijke afwezigheid der verpleegsters, ondanks het verbod

van den geneesheer, toch doorgedrongen in het ziekenvertrek en

heeft zij den patient een dosis medicijn ingegeven uit een

fleschje, dat zij bij zich droeg.

Toen de verpleegsters een poosje later terugkeerden vonden zij den

Hertog in een toestand van bedwelming en bijna stervende. De

Hertogin, op haar rechten staande, weigerde uitdrukkelijk de kamer

te verlaten.

De ongelukkige edelman ontwaakte niet weder uit de bedwelming, die

zijn doodslaap zou worden. En tegen half vijf in den morgen

verwisselde hij kalm het tijdelijke met het eeuwige.

Men vertelt, dat het drinkwater en enkele andere bestanddeelen van

het voedsel, dat de Hertogin haar echtgenoot toediende reeds in den

vroegen morgen aan een scheikundig onderzoek zijn onderworpen en

dat in die bestanddeelen groote hoeveelheden morphine zijn

geconstateerd.

Een fleschje met dit vergif, een hoeveelheid bevattende, voldoende

om een geheel huisgezin naar de andere wereld te helpen, maar

voorzien van het onschuldig etiquet „Magnesia poeder” moet eveneens

reeds uit het juweelenkistje van de Hertogin, dat toevallig in een

kast op de slaapkamer van den Hertog was neergezet, zijn te

voorschijn gehaald.

Als inderdaad deze geruchten waarheid blijken te bevatten, dan zal

Londen spoedig een der merkwaardigste rechtzaken van de laatste

jaren kunnen beleven.

Wij vernemen intusschen dat de zenuwen van de Hertogin zeer zijn

geschokt door de pijnlijke gebeurtenissen van de laatste weken.”

Dat alles las Raffles en om hem heen scheen de gansche wereld met al

haar kleine beslommeringen in het niet te zinken.

Bertie Silverton dood!

Vergiftigd door morphine, hem toegediend door de Hertogin, door Lily

Baker— — — —

Hij zag weer vóór zich het pension in Clandonstreet, waar het bevallige

meisje in de eetkamer rondging met stofdoek en plumeau en waar zij de

heerlijkste puddingen kon bereiden.

Hij had haar ijver steeds bewonderd, als zij vlug en handig het

ontbijtgoed wegruimde op een wijze, die duidelijk aantoonde, dat zij

vrij was van alle zelfingenomenheid; nooit spreidde zij coquette

maniertjes ten toon, zooals dat zooveel andere dames doen, die kamers

verhuren.

En van de eenvoudige, bevallige Lily Baker dwaalden zijn gedachten naar

de salons van de kleine, vriendelijke lady Simpson, waar hij in de

schitterende, bekoorlijke en schatrijke Hertogin Silverton terstond

zijn kostjuffrouw uit Clandonstreet had herkend.

Toen herinnerde hij zich het aangename uurtje in het groote huis van

den Hertog doorgebracht, waar de Hertogin zoo onbevangen met hem had

gebabbeld en waar ze hem had verteld, dat het alles „zoo heel

eenvoudig” in zijn werk was gegaan—het verwerven van Cecils rijkdommen,

waarin zij voor de helft aandeelen had.

Toen—de kwaadaardige uitdrukking in de oogen van den hertog, terwijl

hij den salon binnentrad en zijn onbeschofte houding tegen Lily.

Dan—de geruchten die er liepen omtrent de afstammelingen uit het Huis

Silverton.

En eindelijk—deze plotselinge, geheimzinnige dood en de laaghartige

beschuldiging, door den hertog op zijn sterfbed geuit tegen de vrouw,

die goed genoeg was geweest om met haar millioenen zijn speelschulden

te dekken en zijn verbleekt blazoen opnieuw te vergulden.

In zijn eerste opwelling van razernij had hij, de Groote Onbekende, die

zoo weinig zijn gevoelens placht te uiten, de Evening Standard in zijn

gebalde vuist ineen geknepen.

Charly had dit alles stilzwijgend, doch in de uiterste verbazing

aangezien.

De jonge secretaris wist maar al te goed, dat hij zijn vriend en

meester met geen vragen moest lastig vallen, als deze onder den indruk

verkeerde van eenige oogenblikkelijke aandoening.

Maar toen de, tot een bal opgerolde krant op het tapijt neerviel en

lord Edward Lister in peinzende houding voor het venster ging staan,

toen raapte Charly het dagblad op, vouwde het open, streek de honderden

plooien weer glad en begon het bericht te lezen, dat John C. Raffles

zoozeer had doen ontstellen.

Ook toen hij het, tot tweemaal toe, ten einde had gelezen, sprak Charly

Brand nog geen woord.

Geen enkel geluid kwam over zijn lippen.

Maar vol ontzetting dacht hij eraan, dat zulk een schoone vrouw als hij

in Hertogin Silverton had aangetroffen, den dood van haar echtgenoot op

haar geweten kon hebben.

Een Hertogin-giftmengster!

En de jonge man met zijn onschuldig gelaat en de groote, blauwe oogen

huiverde bij de gedachte, dat ook in de groote wereld, in de „beste

kringen”, zooals Basil Malwood ze placht te betitelen, de misdaad niet

vreemd scheen te zijn.

En welk een misdaad!

Het was geen „peulschilletje” wat die mooie, schatrijke Amerikaansche

had durven onder handen nemen.

„Die arme Silverton,” dacht Charly, „ongelukkige kerel! Wat had-ie nou

gehad aan al die kostelijke millioentjes, die hij, met z’n vrouw, van

den overkant van den Oceaan naar hier had meegenomen.

„In de kracht van zijn leven had hij „het loodje er bij moeten leggen.”

„Wat de vrienden uit „De kaart en de Dobbelsteen” er wel van zouden

zeggen?” peinsde Charly verder, wiens gedachten zich niet lang

bepaalden bij het droevige van dit sterfgeval.

„En of Bertie veel speelschulden zou hebben achtergelaten?

„Natuurlijk zou d’ie dat.

„Bertie had altijd en overal schulden gehad—en bovenal in „De Kaart en

de Dobbelsteen”.”

„Charly!”

De secretaris van den Grooten Onbekende schrikte op, toen hij door de

stem van zijn vriend en meester uit zijn gedachten werd weggerukt.

„Wat is er, Edward?”

„Heb je ’t gelezen?”

„Ja.”

„En?”

„Vreeselijk vind ik het!”

„Wàt vind je vreeselijk?”

„Den treurigen moed van die bekoorlijke hertogin, Edward!”

De Groote Onbekende keek zijn vriend langen tijd zwijgend in de oogen.

„Wat heb je?” vroeg Charly, wien dat onderzoekend aankijken door zijn

vriend maar half beviel.

„Wat er is, Charly? Er is, dat ik een gelukkige keuze deed, toen ik jou

tot mijn secretaris en mijn helper benoemde.”

„Je helper, Edward, ben ik toch maar in enkele gevallen geweest.”

„Mijn helper ben je in zooverre, Charly, dat je de publieke opinie

vertegenwoordigt. Altijd dadelijk klaar met je oordeel, altijd gereed

te be- en te veroordeelen zonder de minste kennis van zaken.”

Het gelaat van den jongeman betrok.

„Zóó Edward? Dank je voor de gulhartige bekentenis van je opinie

omtrent je secretaris. Je zult toch zeker wel willen toestemmen, dat in

deze zaak van „verwikkelingen” geen sprake kan zijn!”

„Ik zal over deze zaak niet met je redetwisten, m’n jongen!

„En ik wensch je verder een goeden middag. We zien elkaar aan het diner

wel terug!”

John C. Raffles verdween in zijn kleedkamer.

Geen tien minuten later hoorde Charly Brand de zware huisdeur in het

slot vallen en toen hij door de hooge ramen naar buiten keek, zag hij

lord Aberdeen, alias John C. Raffles langs het hek der villa wandelen.

De Groote Onbekende zag er zéér eenvoudig uit. Een groote vilthoed

bedekte zijn zwarte haren en een lange, donkergrijze jas omsloot zijn

slanke leden.

„De jas met de dievenzakken”, fluisterde Charly, „wat zou hij van plan

zijn?”

Lord Lister No. 0116: Een drama uit de groote wereld · 第 11 / 22 题