Het is aan het zeestrand, aan de ondiepe baai, waar, voorbij de groep
bruine visschershutten aan den zoom van het palmenbosch, hoog en breed
uitgegroeid in ruimte rondalom een prachtige njamploeng-boom staat, een
heuvel van groen tegen de lichte ledigheid van zee en lucht.
Nog vroeg is het aan den dag, nog koel en stil. Het njamploeng loover
ligt roerloos op de lucht, de geur der opengaande bloesemtrossen hangt
dicht om den boom heen, de zee en de horizont dien de wijd-gespreide
laagste takken behangen met wimpels en slingers van donker loof,
schijnen met gedempten glans de groene schemering binnen.
De jonge Westersche vrouw zit tegen den stam geleund, tusschen
hoogopstaande wortels waarvan de zee in vloed en ebbe de aarde heeft
weggespoeld. Boven haar hoofd drijft als een groene wolk de volte van
het groot-bladerige loover, met gekartelde randen licht-goudachtig
glorend op de eene plek, dof-donker op de andere, dampig-blauw in
holten van schaduw, waarboven het wit der verborgen bloesemtrossen
doorschijnend schemert. Door flonkeringen en donkerten heen stijgt
sterk de rechte stam op tot waar, in een verre hoogte, twijgen en
bladers verwarren tot een gelig schijnsel tegen blank van lucht. Zij
tuurt omhoog in die stille pracht; haar oogen die schrijnen van een
slapeloozen nacht worden koel aan die koele klaarten, haar gedachten
die heftig waren en moede, in de effen stilte stil.
De groene van bloesem wit doorschenen welving boven haar, het groene
spreidsel en hangsel rondom, het is een schoone scheiding tusschen haar
en de dingen waarvan haar oogen en gedachten zoo schrijnend branden,
dingen van de felle stad aan gene zijde van het strandbosch, dingen van
het leven der Westerlingen.
Een ander is hier aan het zeestrand, een dat zij nog niet kende—of
kende zij het niet meer? Want met een blijdschap als over onverwacht
hervinden worden al vroolijker haar gedachten, beginnen speelsche
stemmen in haar hart te roepen tegen een kleine donkere gedaante, die
uit het visschersgehucht te voorschijn is gekomen, en langzaam, nadert
over het strand.
Het is een oud mannetje, een visscher, met zijn gereedschap in een
bundel op den rug. Een hoed van gevlochten bamboevezels, bruin en
vlak-rond als een groote bosch-paddenstoel, overdonkert zijn gezicht,
hij heeft een verschoten paarsen sarong, met een riem vastgesjord, om
de lenden.
De jonge vrouw zit zoo klein ineengedoken tusschen de hoog-opstaande
wortels van den njamploengboom, het oude visschertje ziet haar niet.
Dicht langs haar heen gaat hij de zee in. Hij moet een eindweegs waden,
voor het water hem tot aan de knieën komt; het getij is op zijn laagst.
Nu, een smalle zwarte schim tegen het zilver van zee en lucht, blijft
hij staan; en den last van den gebukten rug latende glijden, begint hij
zijn dagwerk: hij zet de visch-hekken uit.
Heen en weer beweegt de kleine donkere gedaante, kleintjes heen en weer
tegen den blanken glans der verte; hij trekt de visch-hekken als een
ragfijn zwart streepsel achter zich aan. De oude man gaat bedachtzaam
te werk, met ervaren list. Zóo moet hij de buigzame staketsels doen
kronkelen en slingeren, doodloopend in eigen draai, dat de visch die
bij rijzenden vloed er binnen zwemt, onmogelijk weer een uitweg vinde,
als het getij verloopt.
De gedachte der jonge vrouw waadt naast hem door de zee, de speelsche
stemmen roepen.
„Zwem maar, zwem maar, kleine zilveren visch, vlugge gouden visch,
prachtige blauwe en groene en regenboog-gloorde visch! Stoot den
strak-oogden kop en de sidderende vinnen tegen de spijlen! Haast-je
maar, haast-je maar, veel-pootige krab! loop maar heen en weer, schuif
en graaf in het van schelpjes ruwe zand! Vischje, je komt er niet meer
uit—al te veel slingeringen van het vischhek omringelen je. Krabbetje,
je graaft je niet vrij! al te diep staan de hekken gedreven. Geeft het
op, ligt stil! Het laatste water is al weggeloopen. Nu komen de
visschers-vrouwen, nu heffen zij de hekken, nu lezen zij je op, o
zilveren en gouden, o roze-roode en blauwe, o schitterende, sidderende,
ontelbare oogst der zee!”
De hekken staan. De oude visscher komt plassend aan land gewaad. Nu zal
hij op de bamboe rustbank voor zijn hut gaan liggen, en een sigaar
rooken van fijn-gesneden tabak in het papier-achtige hulsel van den
maïskolf gerold. Terwijl hij rust arbeidt voor hem de zee.
Daar komt een geheele bende kinders aangerend over het strand;
schel-stemmig joelen ze. Zij draven spiernaakt; de rappe beenen
flikkeren, in den lachend open mond blinken de melkwitte tanden, de
oogen tintelen van pret onder den ruigen in zee en zon rossig geworden
haarbos. Die het eerst de zee in plast schreeuwt zijn victorie uit, dat
een echo terugjuicht uit het bosch. Allen plonzen zij hem na, van den
grootste af, die misschien twaalf, tot den dikbuikigen kleinste die
even drie is.
Zij baden niet, het water is hier te ondiep; zij zoeken paarlmoer. In
dunne plaatjes en scherven ligt het tusschen het losse zand, waar de
vloed de ledige schelpen heeft neergestrooid. Bedachtzaam her- en
derwaarts gaande, tasten ze er naar met den voet. Die een puntig
scherfje voelt, staat stil, rechtop op éen been, en met de teenen van
den anderen voet raapt hij de vondst op, en beurt ze in de afhangende
hand. Als beide handen vol zijn, steekt hij de glanzige stukken in den
mond. Hij heeft geen plooi of vouw van kleeding om zijn schatten te
bergen; maar zijn moeder noemt hem daarom niet naakt. Zij heeft hem een
snoer kralen om den hals gebonden, en een touwtje om het middel. Haar
kind is geen hond of kat, die geen moeder hebben om hen aan te kleeden!
„Zoek je glinsterende scherven, kleine bruine jongen! zoek scherven en
vind schatten, vind schat van kracht en joligheid in d’eb der rijke
zee!”
De zon is boven de witte wolkbank uit gestegen die haar opgang verborg.
Alles begint te schitteren, het njamploeng groen, het strand, de zee.
Het dorp is wakker en doende. Een licht rhythmisch getokkel huppelt
door de lucht; dat zijn de houten stampers die op en neer dansen in de
houten blokken, de uitgeholde stukken boomstronk waarin de vrouwen
rijst ontbolsteren. Zij zijn niet te zien, maar de gedachte vindt hen
waar zij staan onder een luchtig-gevoegd bladeren-dak dat schaduw
breidt over hun werk. Zij hebben het zwarte haar in een
laag-afhangenden knoop getrokken, de sarong is in der haast geschort,
in den slendang, den breeden sjerp dien ze van schouder naar heup om en
om geslagen hebben, hangt als in een wieg een slaperig kleintje. Zij
houden beide handen aan den stamper terwijl met haar gezellinnen in de
maat zij stampen.
De zonneglimpjes door het losse bladeren-dak laten de kleuren in hun
kleedij bloeien, het rood en geel der sarongs, de zachte tinten der
kabaias. In het rijstblok huppelt en springt de rijst onder de dansende
stampers; gouden kafjes en paarlige kernen vliegen en vallen
schitterend door elkaar.
Nu komt een forscher geluid er aangeklonken, sterk neerkomende slagen,
volhardend hamer-geklop. De werkman staat aan den overkant der baai,
waar een palmengroep dunne schaduw strooit; hij timmert aan zijn prauw.
Met de kiel naar boven gekeerd gelijkt zij een grooten zwartigen visch,
aemechtig op het droge. Zij ligt roerloos nu, als dood; maar in elk
harer slanke lijnen, in de smalle welving der zij, in de scherpe kiel
lang gestrekt, in den oprekkenden steven wacht verborgen lenigheid.
Straks komt de eerste golf, die den vloed vooruit draaft, straks komt
het opbeurende getij, straks met een sprong, schiet zij de branding in.
Uit slaat zij den grooten grauwen zeilen-vlerk aan den mast. Weg
scheert zij voor den wind. Zij schiet over de golven, vogel en visch
tegelijk. En de schipper die op den steven staat, voelt de touwen straf
als zijn armen, zijn borst ruim aad’mend als het zeil. Daar denkt hij
aan, terwijl hij hamert, hamert aan de kiel.
Zijn jonge vrouw komt op hem toe. Zij draagt haar kleine schrijlings op
de slanke, even uitgebogen heup, het naakte lijfje met haar arm
omvangend; aan de afhangende linkerhand schommelt een bundel goed. De
timmerman roept haar aan; zij antwoordt; klaar klinken de stemmen der
twee over het strand.
„Ik wil gaan baden met het kind! En de kleeren van het kind wasschen,
en jouw kleeren!”
Den slendang lostrekkend, zet zij den kleine neer in het zand, en maakt
zich tot het bad gereed. Zij schudt den zwaren haarknoop die haar in
den nek is gezakt, los in een glinster-zwarte golf; dan, met beide
handen den overvloed bijeengarend, draait zij vlugvingerig den vasten
wrong, dien zijn eigen zwaarte houdt. De kabaja glijdt haar van de
schouders; haar armen glanzen goud-achtig bruin. Zij trekt den hoog
geschorten sarong nog wat strakker om de borst. En den kleine bij de
hand nemend, waadt zij met hem het water in.
Het jongetje is nog warm van haar koesterende lende; hij begint te
huilen om de natheid en de kou. Hij hangt aan haar sarong, en krijt dat
hij gedragen wil worden. Maar zij leidt hem dieper den vloed in, en
bukkend, schept zij beide holle handen vol, en giet het water over hem
heen, over zijn mollig bibberend lijfje, over zijn kaalgeschoren
kleinen bol, dat water en tranen hem tegelijk in het schreeuwend-open
mondje loopen. Weinig stoort zij zich aan zijn gekrijt. Zij kijkt zelfs
niet eens naar hem. Haar rustige oogen blikken recht uit over zee. Zoo
gestadig en onverstoorbaar de zee-zelve haar golven neerwerpt op het
strand, zoo gestadig en onverstoorbaar giet zij de volle handen telkens
weer over haar kleintje uit.
Dan droogt zij hem met den vouw van haar sarong het gezicht af, en laat
hem loopen naar zijn paarlmoer-zoekende makkers. En zelve waadt zij
dieper de zee in.
Zij hurkt neer, en laat de kabbeling over haar schouders spoelen en om
haar hals; met beide handen het gezicht bettend, snuift zij de
frischheid op der natte palmen, en aait het haar dat het spiegelend
glimt. Dan, opgerezen, staat zij stil, en tuurt de verte in,
onbewegelijk, als eene die in droomen haar wil te loor laat gaan. Het
water vloeit blinkend langs haar af; het vleit den sarong glad tegen
haar boezem en haar slanke dijen aan. Haar oogen zijn stil in het effen
gezicht. Zij denkt aan niets. Het is haar wèl te moede.
De Westersche vrouw ziet naar haar. De speelsche stemmen zijn stil
geworden.
Wèl mag zij te vreden zijn, de jonge vrouw van den visscher. Zoo
vriendelijk omvangen haar alle de machten des levens, zoo goed zijn de
ontzaggelijken voor haar. Zij openbaren haar niet hun grootheid, zij
laten haar hun overmacht niet gevoelen, hun gunst vloeit haar toe als
de lucht die zij inademt, zij ontvangt haar en weet het niet.
Aarde, zon en zee begiftigen haar uit onuitputtelijken rijkdom. In
vrijheid weeldert haar krachtig-mooi lijf, bloeiend en vrucht-dragend.
Zij leeft bij den dag die schijnt, bij den nacht die schaduwt—vandaag
is alles goed, en zij treurt niet om gisteren en verlangt naar morgen
niet. Die zij kent zijn haar gelijken en kameraden; zij eten en werken
en spelen samen, zij leenen in geven en in nemen, zij worden boos op
elkander en schelden, maar dat duurt niet lang. Toewan Allah en de
geesten, de goede en de booze die zeer machtig zijn, stellen zich toch
met geringe offeranden tevreden, en de handvol melati-bloesem die zij
neerlegt onder den heiligen waringin dunkt hun hulde genoeg bij het
eer-brengend gebed. Ook voor den dood vreest zij niet zeer, want het is
eenmaal zóo beschikt, dat het leven langs éenen weg heengaat en komt
langs een anderen terug. Zóo is zij met alle dingen, de zienlijke en de
onzienlijke, wèl vertrouwd. En geen twijfel stoot ooit aan haar
evenwichtige gedachte.
Uit de njamploeng schaduw ziet de Westersche vrouw, de stedeling,
verlangend naar de baadster, glanzende in den vloed die glanst. Zij zou
op haar willen toegaan, en haar beide ledige handen uitstrekken om een
weinigje van dat overvloedige geluk.
Maar zij weet veel te goed dat zij zelve niet kan vragen en de andere
niet kan geven, dat haar verlangende handen niet bereiken zouden, al
hielden zij omvat, en haar blik dien blik niet vinden, al spiegelde oog
in oog. Zij zit in donkere zwoelte, zij waagt de zee niet in te gaan.
Zij is zoo lang van de zee weg gebleven, zoo lang, zoo ver, nu ligt het
gore stof der stad op haar hart.
De zwaaiende oneindigheid van den horizont maakt haar duizelig, zij
vreest het vliegen en tuimelen der golven, liever dan de vrijheid is
haar veiligheid geworden.
Of toch niet, tòch niet?
Waarom anders die sprong van vreugde dien haar hart plotseling doet?
Een koelte, een schittering is rondom haar, de onmerkbaar gestegen
vloed omkranst haar met schuim, de zee is tot haar gekomen, tot de
vreesachtige die niet durfde gaan.
En de vrees valt van haar af.
Zij staat op, zij gaat de vrijheid tegemoet.
De steedsche verbeeldingen en verzinsels die zoo lang zij voor wijsheid
hield, wrevelig besef van armoede, haast om toch maar vooruit te komen
in de wereld, loodzware arbeid om het loon alleen gedaan, gezelschap en
oordeel van sierlijke menschen, met de steedsche kleedij werpt zij het
alles van zich af.
Zij gaat de Zee in—de vrij-makende Zee.