Dat het landvolk van de streek omtrent Sangean het bosch op de steile
heuvels heilig houdt, en het ook een woonplaats gelooft van nimfen en
goede geesten, dat is om den wille van den vromen vorst die, voor
onheugelijke tijden, als een kluizenaar hier leefde, en wiens graf, zoo
zegt de overlevering, de bemoste terp is aan den zoom van het woud,
gelegen tusschen een blank-bloeiend kambodja-boschje dat er zijn
zuivere en geurige kelken over strooit, en een loutere bron. Dit
verhalen van hem de verzen die de dalang van Sangean velen luisteraars
half-zingend voorzegt des avonds bij het flikkerende olie-lichtje—de
kinders op de slaapmat in den donkeren hoek doen hun best om wakker te
blijven, zoo mooi is het wat daar verhaald wordt—dat hij een mild vorst
was over de vele volkeren die zijn legers overwonnen hadden, van jongs
aan een wel-willer en wel-doener aan zoovelen als tot zijn aangezicht
naderden. Maar toen hij de middaghoogte bereikt had van zijn aan de zon
gelijk leven, verzaakte hij rijkdom, macht en roem en koos het leven
van een kluizenaar, om der volkomenheid wil. Want wèl begreep hij, die
man van alleredelst verstand, dat de waarheid omtrent de ziel en de
wereld en waarachtige deugd niet bereikbaar zijn voor den mensch die
over andere menschen een heerscher is en die nooit als arbeid-genoot en
vreugd-genoot en leed-genoot van hart tot hart gezamenlijk met hen, die
God als zijn genooten toch schiep, aan het altijd-schooner wordende
gebouw der wereld kan bouwen.
Toen hij, dus, zijn zoon zijn laatste raadgevingen gegeven had, en zijn
zoons pasgeboren zoon, dien de vrouwen hem brachten, zegenend terug had
gelegd aan de borst der bleek-glimlachende moeder, zegde hij tot zijn
getrouwe vazallen, zijn zegevierende veldheeren en zijn raadslieden
lang-beproefd „Vaartwel!” en ging heen uit het prachtige paleis, door
vrouw noch dienaar gevolgd; want in de uiterste schaduw der poort had
hij de weenenden die zijn voeten omhelsden en den zoom van zijn
armelijk kleed tegen hun voorhoofd drukten met een onverbiddelijke
zachtheid van zich gewezen. Een weinig rijst en zout aan een dorpspoort
gevraagd, en water in een halve kalappanoot-schaal uit de beek
geschept, dat was hem leeftocht genoeg op de reis naar het heuvelwoud
van Sangean waar een droom hem de plek tusschen een kambodja-boschje en
een loutere bron had getoond als zijn woonstee.
Van takken en gevlochten gebladerte bouwde hij hier een kluis. Zijn
voedsel was de vrucht van het woud, zijn drank het water van de bron,
zijn leven het nadenken over den mensch en de wereld. De vele
ervaringen van zijn leven overpeinsde hij, de leeringen der wijzen, de
gezangen der dichters, en woorden van spelende kinderen gehoord, en van
vrouwen die onbeluisterd zich waanden. En wat bij dagen en bij nachten
hij waarnam in het woud, het ontbotten en pralen en welken van het
gebladerte, het opengaan in den morgendauw van bloesems en het rijpen
der vrucht en wonderbaar vergaan tot nieuw bestaan, en het leven van de
vele dieren, de sterke en de schuchtere, op den grond, en in de takken
de vroolijke vogels, ook dat overdacht hij wèl; en hij gaf acht, om de
wet te doorgronden van hun bewegingen, op de machten die de aarde en
alle levens op haar regeerend omvangen, den hemel en de zon, de maan,
de sterren, de wolken, den regen en den wind. Als de spoel die een
behendige weefster heen en weder werpt door de gespannen draden van
haar raam,—draden waren het, wade wordt het,—zoo schoot zijn gedachte
heen en weer door herinnerde dingen en geziene,—dingen waren het,
wijsheid werd het.
Winde-tijding ging van hem door het geheele land: „De groote koning
woont als een kluizenaar in het woud van Sangean!” Toen kwamen de velen
tot hem die het niet gewaagd hadden in de dagen van zijn macht en
heerlijkheid. Om wijsheid baden zij hem, om wetenschap aangaande het
goede, en de ware wijze van leven. En hij gaf aan een ieder naar zijn
behoef en de mate van zijn begrip. Zoo verdonkerd van gedachte, zoo
wond van haat, zoo moede door velerlei dwaling kwam geen, of hij keerde
terug licht-gaande, met een glans in de oogen, en handen verlangend om
te streelen en om weg te schenken; als het water van de bron zoo klaar
en mild voelde hij in zich zijn hart. En zoo kwamen bedroefd en gingen
blijde vele maanden, vele jaren lang vele honderden en vele duizenden
menschen, totdat op een ochtend voor zonsopgang eerstkomenden niet den
kluizenaar vonden, maar enkel zijn bleek, als een afgevallen
bloesemblad doorschijnend dun geworden lichaam.
Het geheele volk groef zijn graf en bouwde zijn grafheuvel, elk voor
zich de vrome eer begeerend, elk aan elken ander haar gunnend, om een
eenigen en allerlaatsten dienst te doen aan hem die met zijn wijsheid
en zachte deugd allen had gediend. Hem vierend herdachten en herhaalden
zij zijn woorden, en het vele verheugelijke dat daaruit was voort
gekomen aan vrede des harten ook in leed, en aan zoete gerustheid van
broederlijk samenleven in arbeid en in vreugde, zóó, dat vijanden het
kwaad vergaten dat zij elkander aan wilden doen, en machtigen den
geringe dien zij verdrukt hadden recht beloofden, en door onvergetelijk
gemis bedroefden een nieuwe kracht in hun hart voelden opstaan en niet
langer eenzaam waren.
Toen scheen het hun dat niet te eenenmale heengegaan de wèlbeminde was.
Een afglans van zijn wezen omscheen de plek zijner woon en lange rust,
zijn zegen won wie verlangende kwam, voortaan als vroeger, en zijn graf
werd een bedevaartsoord als zoo vele jaren zijn kluis het was geweest.
Dat is het tot op dezen dag. Verlangenden komen ieder met zijn eigen
verlangst, om groote en blijvende dingen de een, om geringe de ander.
De herdersjongen die een zangduif opfokt voor den wedstrijd—heimelijk,
want zijn vader fronst het voorhoofd als hij den kleine ziet staan met
het hoofd op zij, luisterend naar het geroekoe uit een kooi en al zijn
gedachte gedacht omtrent duiven, terwijl onbehoed de buffel dwaalt en
het nieuw-ontsproten veld afgraast—de herdersjongen bergt zijn duifje
in den kambodja bij het graf, opdat door de deugd der heilige plek haar
stem den echten hoogen klank krijge die wint in den wedstrijd. De
koopman die de gevaarlijke reis over zee wil wagen legt zijn offerande
op het graf. Vrouwen komen er bidden om een kind. En vele zijn de
verhalen en ervaringen van geluk, ten deel gevallen aan hen die de
nagedachtenis van den milden koning aanriepen om ontferming.
Daarom twijfelde Mboq-Inten uit Djalang Tiga geenszins of loutere
waarheid voorspelde haar de droom, waarin zij haar dochter Inten, die
bij de geboorte van haar kind gestorven was, levend en glimlachend en
als een bruid met bloemen getooid, gezeten zag aan het graf in het
Heilige Woud. En dit zeiden alle menschen in Soembertinggi omtrent de
arme Samirah, haar die in haar gelukkigen tijd zóózeer had geleken op
Inten—het Juweel als met recht haar naam haar noemde—dat zelfs goede
kennissen over en weer het eene meisje met den naam van het andere
groetten, als Samirah een bedevaart had mogen doen naar het graf, wat
zij immers zoo zeer begeerde, dan zeker! ware zij wel moeder geworden,
en de schande der kinderloosheid en het harteleed daarover hadden niet
haar arme verstand gekrenkt.
De jonge vrouw van den Resident van Sangean, die Elizabeth met het
lichte gelaat dat zoo zusterlijk neigen kon naar donkere aangezichten,
hoorde gaarne naar de vele verhalen omtrent het wonderwerkende graf van
den Vorst die om broederschaps wil een arme werd. Maar toen een vrouw,
wier kindje daar van zware ziekte was genezen, haar van het verlangen
en het verdriet der arme Samirah verhaald had, en van Mboq-Inten’s
standvastige hoop, zag zij op met een nieuwen glans in haar oogen. En
dikwijls, na dien dag, vond haar man haar alléén en stil, in gedachten
diep verzonken.
Toen de doekoen, die met het kind ook het leven uit Inten’s afgemarteld
lichaam gedreven had, Mboq-Inten het borelingske in den schoot legde,
zag zij haar kleinkind niet aan. Zij wendde de oogen niet af van dat
gebroken gelaat, die lijdelijke gestalte eindelijk stil van weenen en
wringen. De vrouwen die de doode inwikkelden in de witte grafwade
moesten van haar verkilde hand de hand der moeder losmaken. Zij zat
wezenloos toen de vader van den jonggeborene de bloedverwanten en de
buren bijeenriep ter beraadslaging over den naam. En zag zelfs niet op
toen een jonge vriendin van Inten, zelve pas moeder geworden, den
kleinen Kaïran aan de borst legde en medenam om tegelijk met haar eigen
kind hem op te voeden.
Maar toen kwam de droom. Als een bruid bekranst, en het langs schouders
en schoot lang afhangende haar, zoo rijk doorvlochten met bloemen dat
zij wel gekleed in bloemen scheen, zat Inten aan het graf, en zijzelve
met den kleinen Kaïran aan de hand ging haastig op haar toe en riep: „O
mijn kind, zijt ge dan eindelijk wedergekomen!”
Van dien vreugdekreet ontwaakte Mboq-Inten. Zij ijlde naar Kaïran’s
pleegmoeder. De vriendelijke jonge vrouw had hem aan de borst; hij
dronk gretig. Naijverig zag zij het aan. Had zij het toch zelve gekund,
had toch met haar eigen leven zij Intens kind mogen voeden! Met een
hartstochtelijke teederheid streelde zij het zachte lijfje. „O hoe zal
ik voor hem zorgen! Hoe zal ik hem voeden en troetelen dat hij groot en
schoon worde! Dat je je over hem verheugen kunt bij het weerzien, mijn
juweel!”
Zij kon den dag haast niet afwachten om hem terug te halen in het eigen
huis. Met rijst en pisang dooreengekneed tot zoet voedzame hapjes zat
zij hem op haar schoot te voeren. Den geheelen dag droeg zij het
kleintje met zich mede, in haar zorgvuldig geschikte sjerp als in een
hangend wiegje gevleid. Hij sliep naast haar op de met een nieuwe mat
bespreide baleh-baleh. Het eerste waarnaar zij zag bij het wakker
worden in het vroege licht, was dat kleine ronde donzig zwarte hoofd;
de oogen lagen dicht, met de wimpers op de wangen als twee
fijngestreepte schaduwstreekjes. Het mondje stond even open, de witte
tandjes kwamen te zien. Mboq-Inten richtte zich op den elleboog op om
lang hem te bekijken. Zij verzaadde haar oogen aan hem. En telkens
dacht zij dan weer aan den tijd toen zij zoo gekeken had naar Inten.
Paq-Inten had het graf gekenteekend met twee sierlijk gebeeldhouwde en
gestoken palen aan hoofd- en voeteneinde, dat de moeder het vinden zou
als zij op de herinneringsdagen met het offer-voedsel kwam, dat de
zielen verkwikt in het land der schaduwen. Maar Mboq-Inten ging enkel
op de herinneringsdagen die de Adat heeft gesteld naar de
begraafplaats; en na een wijle bleef zij geheel en al weg daarvan.
Telkens echter ging zij met bloemenoffers naar het Heilige Woud; en
terwijl zij den melatih-krans neerlegde op de grafterp en uit volle
hand rozeblaadjes strooide over het mos, fluisterde zij, met tranen in
de oogen: „Blijf nu niet al te lang weg, mijn hartekind! Kom toch
spoedig ach! spoedig! terug bij je lieve moeder!”
Kaïran was nog veel te klein om haar te verstaan; maar toch gaf zij hem
soms bloemen in de handjes en zeide, terwijl zij hem die liet
neerleggen op het graf, dat dit was opdat zijn moeder te eer terug zou
komen; en dan bracht ze hem mee wat hij maar bedenken en begeeren kon.
Paq-Kaïran bekommerde zich niet veel om zijn kind. En nooit sprak hij
over Inten. Hij ging het huis van zijn schoonouders, het afgeschoten
vertrekje daarin waar hij met Inten gewoond had, in en uit of alles
daarbinnen nog was zooals het een jaar lang was geweest. Mboq-Inten
dacht, omdat hij, evenals zij, wachtte op Intens terugkomst, al wilde
hij ook niet spreken daarover noch hooren, en al werd zijn gezicht
norsch als zij tegen den kleinen Kaïran zei: „Als moeder terug komt!”
Maar op een morgen ging hij uit als naar den passar van Sangean, om te
wedden bij de hanengevechten, en kwam niet terug, toen het avond werd,
noch den volgenden dag. Ook toen het tijd werd om de sawahs te ploegen
kwam hij niet terug. En Paq-Inten bracht met zuchten en hoofdschudden
goed dat hij niet kon missen, naar het pandhuis om een helper te huren
in zijn schoonzoons plaats. Eenige weken daarna kwam een man uit het
dorp, die met het pelgrimsschip de reis van Sumatra had gemaakt,
vertellen hoe hij Paq-Kaïran in Medan had gezien. Hij verdiende goed
geld op een tabak-onderneming; en daar was hij getrouwd met een
Bataksche vrouw.
Mboq-Inten riep schande over hem. De oude man zuchtte enkel en zei dat
het toch al te erg was. Hoe moest het nu worden met het werk op den
akker, en dat terwijl het dagloon zoo hoog werd en zijn leden al
stijver? Hij tobde nog toen Mboq-Inten zich den man die haar dochter
had verlaten al lang uit de gedachte had gezet. Genoeg veel betere
mannen waren er in Java; Inten zou het maar voor het kiezen hebben als
zij terugkwam!
Maar de schade moest geboet, waarover Paq-Inten zoo kreunde en klaagde.
Niet in een berooid huis mocht Inten wederkeeren!
En de moeder vatte het fijne werk weer op dat zij een jaar of wat
geleden aan haar dochters helderder oogen en leniger vingers had
overgelaten, maar dat zij vroeger zelve zoo voortreffelijk wèl had
gedaan, het batikken van sarongs en hoofddoeken en sjerpen. De Chinees
in de stad,—hoe scherp bekeek hij het werk altijd door zijn grooten
hoornen bril—gaf voor het hare meer dan voor dat van één der andere
vrouwen.
Zij vreesde wel het zoo mooi niet meer te kunnen nu; maar met de
gedachte aan Inten in het hart deed zij haar best.
Haar batikraam stond onder het afdak, daar, waar het langst de schaduw
bleef. Zij hurkte neer voor de afhangende baan wit katoen, en met
gespannen aandacht begon zij te teekenen. De fijne straal gesmolten was
die uit de tuit van het, als een eikel zoo kleine, batikdopje liep,
maakte rankend gebladerte en bloemen en allerlei wonderlijke op
kapellenwieken fladderende vogels op het weefsel. Blauw, bruin, geel en
rood stonden de verf kuipen te kleuren in de schaduw van het
citroen-boschje. Hoe dikwijls had zij, van kind af, altijd naar
hetzelfde voorschrift, die kleuren bereid, hoe dikwijls met het
wasstraaltje, zwartig geworden van het vele gebruiken en afschrappen en
weder smelten, die teekening gemaakt, die zij juist zóó al onder haar
moeders batikdopje had zien groeien, en waarvan zij wist dat ook haar
moeders moeder juist zóó haar had geteekend! Wel duizend jaar oud, had
zij vaak gehoord, was het patroon. Een prinses had het verzonnen,
geheel alleen zittende tusschen de bloemen en vogels en kleine dieren
van het Heilige Woud, waar liever dan in haar vaders kraton zij wilde
leven. De nimfen die haar woon hebben in het woud waren haar
gezellinnen daar. Om voedsel noch om het behoef voor haar arbeid
behoefde zij verlegen te zijn; want de boschduiven brachten haar
overvloed van zoete bessen en noten uit de hooge boomen, de grijze apen
wisten wanneer zij dorst had en droegen haar „het koele bronnetje dat
in de lucht zweeft” aan, de rijpe kalappa-vrucht wier kern geurig water
is; en de kleine bijen die niet gonzen noch steken, bouwden hun nest in
den boom die haar beschaduwde, zoodat zij haar hand maar behoefde uit
te strekken naar de was, terwijl aan alle struiken de prachtigste
bloemen open gingen die zij plukte om er verf uit te bereiden. De
kleine schalk van het woud, het dwerghertje, dat slimmer en vroolijker
is dan alle andere dieren, kwam zijn dartele sprongen voor haar maken,
en vertelde haar de kluchtigste verhalen.
Wie van dat alles wist hervond het in de schoone batik-teekening,
hoewel er veel van verloren was gegaan onder de vingers van onachtzame
werksters die hun gedachten bij andere dingen hadden, zoodat de ware
gedaante van wat de Prinses in het woud had verzonnen, niet meer te
voorschijn kwam op hun doek, maar enkel een schim daarvan, zoo
ongestadig en verwrongen als schaduwen tegen den wand wanneer het
sputterende olielichtje brandt. Mboq-Inten had ook nooit zuiverder
teekening gezien, noch zelve gemaakt al was haar werk, dat met lust en
liefde zij deed, beter dan dat van de andere vrouwen. Maar terwijl zij
het nu, om den wille van Inten hervatte, haar hart vol van dat
droomgezicht van Inten in het Heilige Woud, begon het verschrompelde en
geknakte zich op te richten, het slappe kreeg houding, het logge won
een schoonen zwier. Lieflijkheid van een effen gemoed en lieflijkheid
van het woud bloeiden te voorschijn onder de druppeling van haar
batik-dopje. Zelve zag zij verwonderd er naar hoe zeer de bloemen die
zij met de gelige was op het witte katoen vormde, toch geleken op de
prachtig bonte bloemen tusschen het fijne groene boschgewas, en hoe de
teekening op de wieken van haar kapellen werkelijk het sieraad toonde
dat zoo lokkend verschijnt en verdwijnt in de fladdering van vlinders,
door de tintel-schaduw en de plotse zonneplekken van het woud. Uit
ringelende kringen en slangelijntjes glansden de rimpellichtjes op van
de bron. Zij moest denken aan de verhalen van nimfen en helden en
stoute avonturen in het woud, toen de draak dien zij met een lang
kronkellijf en uitgeslagen klauwen had geteekend, zijn gevaarlijke
oogen kreeg en haar aankeek. De vogel die zoo statig op wijdgespreide
wieken zeilde was de boodschapper van een God.
Toen na de dompeling in de laatste verw en het wegnemen van de was die
al de andere kleuren had bedekt, de teekening in haar volkomenheid te
voorschijn blonk, stond zij zelve verrast en opgetogen. En de vrouwen
van het dorp die kwamen kijken riepen het uit van verwondering. Een
regentsvrouw, ja, een prinses in den kraton van Djokja zou met zulk een
sarong wèl getooid zijn!
De Chinees in de stad veegde zijn brilleglazen af aan zijn grauw-zijden
badjoe, om het batikwerk te beter te bezien, toen Mboq-Inten het voor
hem uitspreidde. En in zijn verlangen om het te bezitten noemde hij zoo
haastig een hoogen prijs dat hij dadelijk weer zijn woord terug moest
nemen. Maar Mboq-Inten, vroeger zoo bevreesd voor hem, trok den sarong
onder zijn handen weg en ging er den winkel mede uit, en hij liep haar
na tot op den passar toe met het blinkende geld in zijn hand. Wel
tevreden ging Mboq-Inten naar huis. Zij voelde met trots hoe zwaar de
kleine Kaïran, in slaap gevallen in die hangende wieg van den slendang,
woog op haar heup. Haast zou hij groot genoeg zijn om den langen weg te
loopen! Zij kon hem geven wat zijn mondje lustte, wat zijn hartje
begeerde, genoeg zou er voor hem wezen van alles. O! hoe zou Inten
lachen als zij hem zoo groot zag en zoo schoon! Een nog rijker offer
dan anders bracht zij dien dag op het graf in het Heilige Woud. Zou het
nog lang duren, och nog lang?
Maar zij wischte de tranen af die haar brandend in de oogen drongen.
Zij kon wel wachten, wel geduldig wachten. Zoo wacht de landman die
zijn rijst heeft uitgezaaid. Hij denkt niet aan zijn ledige schuur; hij
denkt aan zijn veld, dat vol zal zijn.
Maar anders wachtte zij, die in haar gelukkige meisjesdagen het
evenbeeld van Inten was geweest, en lachend en liefelijk als zij;
anders wachtte op heil uit het Heilige Woud de arme Samirah: in
vergeefsch verlangen machteloos, in smaad.
Tegelijk hadden Inten’s ouders en Samirah’s ouders de bruiloft voor hun
dochter bereid, in den goeden tijd van het jaar, den blijden tijd den
rijken tijd, den rijstoogst. De Rijst houdt bruiloft: de twee schoonste
hoogst-gegroeide aren in het veld die met bloemen-windsels te zaam
gehouden en met een blader-baldakijntje overschaduwd te prijk hebben
gestaan, worden door een eere-geleide omgeven, in optocht naar de
afgezonderde ruimte in de rijst-schuur gevoerd. En die het feest te
zamen vierden, de jonge mannen en jonge meisjes beloven elkander de
eigen bruiloft. Ouders overleggen, bemiddelaars gaan heen en weer, de
sierlijke geschenken worden in ceremonie aangeboden en aanvaard. Dan
laten de gamelanspelers de lachende bruilofts-muziek opklinken uit het
brons, dan brengen buren en vrienden hun gaven voor het feestmaal, met
bloemen bekranst zitten naast elkander op de eere-plaats in het huis
die vroeger alleen stonden in verlangen van elkander ver. En als
wederom de Rijst haar bruiloft houdt dan verschijnen tusschen de
schuchtere meisjes trotsche moeders op het oogstveld; een arenschoof
droegen bij het vorige feest zij in den arm, een kind dragen zij nu.
Zoo hadden Inten en Samirah hun bruiloft gevierd, in hetzelfde jaar op
denzelfden dag; van elkaar en elkanders wedervaren niet wetend, waren
zij als tweelingszusters naar het lot zooals zij als tweelingszusters
waren naar gelaat en gestalte.
Doch toen de volgende rijstoogst kwam toen klaagden Intens’ vriendinnen
om haar. En de plaats van Samirah bleef ledig in de rij der jonge
vrouwen die naar het rijpe veld gingen; schamel, met ledige armen stond
zij alléén in haar huis.
Weder een oogstfeest kwam. Zij wilde niet naar het veld, zoo arm als
zij daar gekomen zou zijn, de ééne kinderlooze tusschen de vele
moeders. Geen verwijt had haar man haar nog gemaakt, al sprak zijn
moeder vaak bittere woorden. Maar als zij zag, op weg naar den passar
of in het veld, hoe hij het hoofd omwendde naar een vrouw die welig met
een kleintje in de draagsjerp ging, dan voelde zij haar hart krimpen,
dat het haar pijn deed in de borst; en in den nacht werd haar slaapmat
nat van tranen.
Een goedhartige buurvrouw had haar een bedevaart naar het graf van den
Koning-Kluizenaar aangeraden. En o! hoe zeer verlangde zij daarnaar!
Vanzelf, als zij de dorpspoort uit op den landweg kwam, gingen haar
oogen naar de verte, waar donker het heuvelwoud stond tegen de lucht.
Maar haar mans moeder, de oude Mboq-Noerdin bewaarde het geld van het
gezin en Samirah dorst zelfs van het zelf-verdiende niet vragen voor de
reis met den vuurwagen naar Sangean: al te wel wist zij dat het haar
smadelijk geweigerd zou worden.
Mboq-Noerdin haatte haar met een hoe langer zoo bitterder haat; als zij
dacht omdat Samirah haar geen kleinkind baarde; maar in waarheid, omdat
Samirah ongelukkig was en zich schaamde. Zooals de kippen op het erf
met scherpe snavels hakten naar een zieke kip, tot de wond waarmee zij
in een hoek zat weggedoken open en bloedig lag, sterk-levende wezens
die het zwakke, weinig-levende uit den weg ruimden, zoo hakte zij met
haar verachtenden blik en schampere woorden naar Samirah’s
onvruchtbaarheid. Die altijd neergeslagen oogen, zoo dikwijls rood
geschreid, die bedeesde houding tergden haar tot een giftige drift. Zij
kon het niet naast zich verdragen, zij had het wel weg willen hebben
uit de wereld, dat zwakke, schamele, gebrekkige, zij moest er naar
steken met haar oogen en met haar stem, met woorden die waren als de
angel van een schorpioen. En om het kwaad dat zij, hatend, haar aan
deed moest zij nog meer haar haten. Zij liet Noerdin geen rust met haar
dringen en dwingen dat hij Samirah verstooten zou,—een vrouw die Toewan
Allah verwierp, die hij geteekend had met de schande der
onvruchtbaarheid!
In haar angst waagde Samirah eindelijk een daad. Op een dag dat
Mboq-Noerdin en Noerdin te zamen naar een ver afgelegen passar waren
gegaan, sloop zij naar die medelijdende buurvrouw om eenig geld ter
leen voor de reis naar Sangean. En de goede vrouw gaf niet alleen, en
voor geringe rente maar, het geld; maar toen Samirah bedroefd zeide dat
Mboq-Noerdin al de mooiste vruchten op het erf had medegenomen naar den
passar en de andere stuk voor stuk geteld, zoodat zij daarvan geen
durfde te nemen, gaf zij haar ook eenige pisangs voor een offer op het
graf van den Heilige en zelfs, opdat de rijke gave te eer verhooring
mocht uitwerken, een veegje kostelijke zalf op een blad. Samirah deed
feestkleedij aan; zij stak een zilveren speld aan haar borst, een
oleander bloem in haar haarwrong. Op den dorpsweg glimlachte zij de
kinders tegen. Niet lang, niet lang meer! dan droeg zij er ook zoo
eentje in den arm! Vrijmoedig voegde zij zich in de lange rij van de
vrouwen die den landweg op gingen naar het station.
Maar een inval van argwaan had Mboq-Noerdin doen omkeeren op den
pas-begonnen gang naar den passar. Plotseling stond zij voor haar
schoondochter. Tot de laatste vrouwen toe in de rij verstonden de
scheldnamen waarmee zij haar smaadde, zoo luid krijschte zij haar woede
uit. Zij schudden het hoofd; al te erg toch krenkte Mboq-Noerdin haar
zoon’s vrouw! En er waren Hollanders op den weg die het hoorden, zag
zij het dan niet? Het rijtuig van den Grooten Heer was het, dat daar
juist voorbij reed.
Verslagen van schrik en schaamte liet Samirah zich terug brengen naar
huis. De oude dreigde; als Noerdin vernam wat zij heimelijk had
gewaagd, dan zou hij haar knieën tegen elkaar schuren dat in geen maand
de wond heelde; aan den stijl van het huis vastbinden zou hij haar
wanneer hij weder een dag op reis ging! Zij zeide geen woord terug, met
geen blik zelfs verweerde zij zich. Wel onnoodig was het dat de
schoonmoeder haar goede kleeren weg nam en haar niet anders liet dan
oud versleten en vervaald goed waarmee geen ordentelijke vrouw zich op
den weg had vertoond; wel onnoodig dat zij haar met werk zoozeer
overlaadde, dat van ochtendgloren tot avonddonker geen tijd haar bleef
zelfs om naar de rivier te gaan, waar de vrouwen baadden. Zij schaamde
zich te zeer over die vernedering in het openbaar dan dat zij zich
onder menschen had gewaagd. Zelfs voor de vriendelijke buurvrouw
verborg zij zich als zij de rijst ging stampen, op het achter-erf: zij
had wel gehoord wat Mboq-Noerdin die toeriep over de heg! Als een
schaduw sloop zij langs de wanden, in huis. Of zij er was of niet en
was, haar man en zijn moeder bemerkten het amper. Noerdin sprak zelden
een woord tot haar; zijn moeder nooit eenig dan harde, waarop zij geen
antwoord had. Allengs ontwende zij het spreken.
Eén zacht oogenblik maar had zij in den dag, dat was in de vroegte, als
zij de tortelduif ging voeren die in haar bamboekooitje hoog aan den
katoenboom zat, bij den put. Noerdin en Mboq-Noerdin lagen nog in slaap
in het duistere huis. Aan de doffe melatih-struikjes, die in het langs
strijken haar enkels kil maakten van dauw, geurden doordringend de
witte sterretjes-bloemen. De lucht werd al blanker waarin zij opkeek
terwijl zij het touw vierde, en de kooi donker en even schommelend,
omlaag gegleden kwam. Kleumig zat de duif, nog bevangen van kilte en
donker. Zij nam het diertje tegen haar hals, koesterde het, praatte er
tegen met kinderwoordjes. Zij liet het rijstkorrels pikken van haar
vinger en uit haar mond. Als zij het met een laatste streeling over de
zijzachte vederen weer in de kooi had gezet, bleef zij er nog een
poosje naar kijken hoe het in den nieuwen zonneschijn zich verheugde,
de donzige borst opzette, de vleugels nebde en den fijnen kleinen kop
met de zwarte glinsteroogjes sierlijk her- en derwaarts wendde. Zij
hoorde Mboq-Noerdins stem; haastig heesch zij de kooi omhoog, en
spoedde zich het huis in, naar de bereiding van het ochtend-maal.
De dorpelingen die tusschen verschijnen en verdwijnen langs de haag van
het erf een glimp van haar opvingen, zooals zij daarin haar gore
kleedij, met ruig haar en doffe oogen sloop, zwijgend altijd, ook op
een vriendschappelijken toeroep en groet, of zij niet hoorde en niet
zag, zeiden onder elkander, als zij haar beklaagden, dat haar verstand
verduisterd was door het groote leed. En misschien was zij inderdaad
gaandeweg anders geworden dan andere menschen. Zij scheen de kwellingen
die Mboq-Noerdin haar aandeed en Noerdins minachting die soms ruwheid
werd niet meer te gevoelen. Als het gelaat van de steenen beelden in
den grooten tempel, den Boroboedhoer, zoo strak en stil werd haar
gezicht. Alleen als zij kinderen zag kwam er leven in. Naakte kleinen,
op mollige beentjes dribbelend, speelden voorbij den ingang van het
erf, deze met een tor aan een touwtje, of met een krekel in de hand
geknepen, die zijn hakige pooten uitsloeg naar den halm waarmee hij
werd gekrieuweld, gene met een boog van palmblad en nerf waar een
fluitend geluid uit kwam als hij zwaaiend hem door de lucht sloeg,
zooals hij het zijn grooten broer had zien doen. Samirah kwam zachtjes
naderbij. Wat een verdriet toch dat zij niets had om een kleine te
lokken, geen vrucht, geen bloem, geen stukje zoetigheid! Haar armen
deden pijn van verlangen naar zulk een glad klein lijfje. Met een
smeekenden glimlach en uitgestoken handen hurkte zij voor het kindje
neer. Het stond stil, en keek haar weifelig aan. Een ongeruste stem
riep het; het dribbelde weg en keek niet eens om. Met tranen in de
oogen sloop Samirah terug. Daarna was zij nog doffer en willoozer dan
anders.
Maar de lijdelijke en stomme gehoorzaamheid begon meer nog dan zijn
moeders kijvend aandringen op een scheiding Noerdin te verdrieten. Op
een avond, het was in den derden rijstoogst na hun trouwen, toen de
mooie Sedoet van den hadji-geldschieter hem van tusschen de schoven op
haar vaders akker had toegelachen, kwam hij thuis met een booze blik in
de oogen.
Samirah had groven arbeid verricht, zoo laat nog op den dag. Er was
stof op haar ruig haar, achteloos hing haar sarong dien zij tot onder
de naakte armen had opgeschort. Met neergeslagen oogen kwam zij haar
man het avondmaal brengen. Hij stiet haar weg.
„Je aangezicht verveelt mij! ga mijn huis uit!”
Verschrikt zag zij in zijn norsch en dreigend gezicht.
Maar Mboq-Noerdin schoot toe en greep haar bij den arm.
„Hoor je niet wat mijn zoon zegt? Wat talm je nog?”
Zij was bang dat hij misschien zijn toorn zou laten varen, als de
scheiding wachten moest op den geestelijke en zijn uitspraak. Zooals
Samirah daar stond in haar poovere plunje, moede gewerkt, met leege
handen, stiet zij haar ter deur uit.
Zij stond alleen op den verlaten dorpsweg.
Het werd al nacht.
Zij aarzelde niet, zij zag niet om. Als een mensch die wandelt in den
slaap zoo gedachteloos-zeker ging zij de poort uit, en den landweg op
naar het Heilige Woud.
Vele mijlen lang is de weg van Soembertinggi naar Sangean. Den geheelen
nacht door liep zij.
Zij liep zonder te rusten, zij voelde niet dat zij moede werd. Duister
was het en eenzaam eerst, zij wist er niet van. Het werd licht en vol
menschen later, zij wist er niet van. Van één ding maar wist zij, van
het verlangen naar het wonder-werkende graf, waar zij gelukkig zou
worden; dat was als een binnenste plek schrijnend leven in haar, alles
er omheen gevoelloos, dood.
Het was passar-dag te Sangean. Uit al de dorpen van den omtrek kwam het
markt-volk er aan. Langs het voetpad ter weerszij van den breeden weg
waar buffelkarren langzaam schokkend voortbewogen en vlugge ruiters
draafden, liepen in lange rijen de vrouwen, met vlakke manden vol fruit
en zoetigheid op het hoofd, of pakken sarong-goed op de heup; zij
hadden een kleintje in de draagsjerp, een kind achter zich aan; met een
onophoudelijk kabbelgeluid van stemmen praatten zij over waar en
prijzen. De mannen liepen ledig en zorgeloos. Velen droegen een duif in
een kooitje dat met een bonten zijden doek overspreid was; er zou een
wedstrijd van zangduiven gehouden worden op den passar. Ieder roemde de
stem van de zijne; maar zij mompelden over den goudsmid van Sangean,
die zijn duif met een gouden ring waarin tooverkrachtige teekens
gegrift waren, over de nebbe en de tong streek om haar een schoon
geluid te geven; licht zou die het winnen!
Als zij de al langzamer gaande Samirah inhaalden, wendden mannen en
vrouwen en kinderen zelfs het hoofd om, verbaasd over die vrouw, die
met ledige handen en zoo armelijk en vuil, den weg naar den passar
ging, en wier doffe oogen stonden, als zagen zij niets. Zij wezen haar
aan elkander.
„Eh! Een krankzinnig mensch!”
En de Resident die met zijn vrouw op den dagelijkschen ochtendrit
voorbijkwam in zijn blinkend rijtuig waarvoor de groote Australische
paarden draafden,—op het naderende geluid van dien hoefslag stegen de
ruiters af, stuurden de karrevoerders het buffelspan naar den kant van
den weg, en het volk der voetgangers hurkte neer in het stof,—ook hij
zag bevreemd naar die Inlandsche vrouw die midden door de in
nederigheid verstilde menigte, alléén haars weegs ging; en hem ook
scheen het dat niet anders dan een zieke naar den geest zij kon wezen.
Haast geloofde dat zelfs Elizabeth, die, vol deernis, en denkend over
een flauwe herinnering, lang nog omzag naar die schamele en met wankele
schreden gaande geheel-eenzame.
Samirah zag noch hoorde, noch gevoelde zij het. Zooals langs een steen
die in bandjirs-tijd van de groene helling afgesleurd op een zandbank
midden in de rivier is blijven liggen, het water heen stroomt, en geen
frischheid noch nieuw spruitend groen brengt hem ook maar één van de
ontelbare malsche golfjes, maar bar en dor ligt hij in de gloeiende
zon, zoo vloeide die volle stroom van menschen met al hun begeerten en
krachten en vreugden langs haar heen zonder dat ook maar één aandoening
gaande werd in haar.
Het passarvolk haalde haar in, ging voorbij, verdween in de verre
tinteling van zon tusschen schaduwen langs de tamarinden-rij van den
landweg. De allerlaatsten waren verdwenen toen zij de steilte bereikte
die opstijgt naar het graf in het woud.
Uit de diepe schaduw gloorde het haar tegen overblonken van bloemen.
Zij zonk er tegen aan.
Het was heel stil in het bosch.
Voor de al hooger rijzende, al heeter brandende zon over de boomtoppen
waren al de vogel-keeltjes dichtgegaan, die zoo luid hadden gezongen in
het verrukkende rood van den dageraad. Geen wind bewoog het loover.
Haast onhoorbaar was het gemurmel van de bron. Een koele reuk steeg er
uit, reuk van water over steenen, die lokte de kapellen. Groote
zwart-en-gele, die als een spel van schaduw en zonnelicht zijn, en, in
menigte, heel kleine, dof en teeder blauwe kwamen aangefladderd en
dronken. Andere streken neer op den rijken bloemenoogst opgetast op het
graf. Hun kleine lichte schaduwen gleden over Samirah’s in de bloemen
nedergezonken hoofd, over haar gesloten oogen.
Lang lag zij zoo.
Maar toen kwam een geluid dat haar doffe zinnen wekte: heel zacht, het
kirren van een tortel, dat even te vernemen maar, uit de kambodjakroon
kwam boven het graf.
Het was de zangduif van Marjoes uit Sangean, het zoontje van den
dalang, die zoo schoon geschiedenissen verhaalde van het Heilige Woud
en nimfen en goede geesten.
Voor een ieder verborgen hield de kleine jongen haar daar.
Hij bracht haar heimelijk uitgezocht voer en water uit de heilige bron,
’s ochtends als hij de buffelkudde van het dorp naar de ruige weide
achter het woud dreef. Een windsel van stekelig gebladerte en
dorentwijgen weerde klimmend roofgedierte van den tak waaraan het
kooitje hing, de kambodja-bloesems bedekten het voor aller blik. Zelf
kon Marjoes het niet vinden, als hij, tusschen de struiken, nog een
wijle bleef luisteren naar het tevreden koeren en roekedekoeen van zijn
zangstertje.
Het was het uur nu, waarop hij placht te komen; de tortel riep naar
hem.
Het leek Samirah of zij haar eigen duif hoorde. Haar arme hart dat zoo
lang zich dicht had gehouden, omdat niets kwam dan wat pijn wou doen,
ging open. En terwijl, met een begin van een glimlach, zij luisterde
naar het duifje, kwam, stillekens aan, allerlei andere liefelijkheid
van het woud op haar toe; zij ademde den fijnen reuk van wateren koele
vochtige aarde, van loover in de dampige schaduw, van bloemen pas
opengegaan, en waar, met den dauw van den nacht, de eerste geur uit
opging; zij keek naar de kapellen die met omhooggeklepte wiekjes zaten
te drinken op de natte steenen in de bron, en wegfladderden door
zonnestralen en ijle schaduwen, ze keek naar de bloemen die hier, daar,
ginder weer, klein en klaar kleurden door den groenen schemer van het
woud. Een specht hamerde; zij zocht met de oogen en vond den groenen
vogel in het groene gebladerte; als een groen juweel flikkerde zijn
driftig tikkende kop. Twee eekhorens die hun spel van vervolgen en
vluchten, door de takken van een kenarie-boom hadden gestaakt op haar
komst, maar weer begonnen toen zij zoo heel stil haar zagen, wipten en
sprongen door het even schuddende loover, waar de rijpe nootjes met een
licht geritsel uit afvielen; nu hier dan daar gluurden zij te
voorschijn, met hun spitsen rossen kop en glinsterige oogjes. De grijze
apen kwamen, waaraan het volk van de streek offers brengt; ook dien
ochtend hadden de markt-vrouwen vruchten voor hen neder gelegd, op de
open plek voor het graf. Zij lieten de moeders vooraan die hun jong
hangend aan zich droegen, de kleine handen vastgewoeld in hun vacht, de
smalle kop met de bleeke naakte oortjes vastgezogen aan den tepel.
Geduldig wachtte de troep terwijl de voedsters zich voedden.
Als een gedachte niet, enkel als een gevoel, onduidelijk maar diep en
sterk, kwam in Samirah de zekerheid op van een geluk waarvan er genoeg
was in de wereld, ook voor haar. Het was of het spoedig komen zou. Hier
in het woud, aan het graf van den goeden vorst, die zoovelen geluk had
geschonken met zijn milde goedheid, hier zou het komen. Zij moest zich
versieren er voor, zooals de meisjes in oogsttijd zich versieren voor
het komende geluk, met bloemen, zooals een bruid zich versiert voor
haar bruigom, met bloemen.
Zij daalde af in de heilige bron en baadde. Toen her en der gaande waar
een kleurtje lokte begon zij bloemen te plukken. Met beide armen vol
keerde zij terug naar het graf.
Altijd was zij een sierlijke vlechtster van kransen geweest; die zij nu
vlocht waren de schoonste van haar leven: van bloemen en bladers en
fijn gerank vlocht zij bruids-sieraad, banden om boven-arm en pols, een
halssnoer dat driedubbel afhing, met een wijd-open bloem in het midden
van iederen slinger waar in den bruids-ketting het flonkerende
halve-maantje hangt, een breeden gordel om haar leest. Een rank waaraan
purperen kelken twee aan twee praalden boog zij om hare slapen; als een
kroon zoo statig stond de prachtige krans. Haar haar was losgegleden
uit zijn wrong: zij spreidde het als een sluier om zich heen, en hing
het vol met heel kleine bloemen en loovertjes, met melatih-knoppen en
afgefladderde rozenbladers van het graf: het geleek wel een kostbare
zwart-zijden doek, met pelangi-werk in witte, roode, paarse en groene
kringetjes versierd, zooals zij zelve er een gemaakt en trotsch
gedragen had in haar gelukkige dagen.
Uit de kambodja takken vielen telkens bloemen om haar neder, edel-witte
kelken die lagen te stralen op den grond tusschen de schaduwen der
puntige blader-rozetten. Een gleed er in haar schoot, zij ademde den
zuiveren reuk diep in; toen plaatste zij de blanke bloem in den wrong
van haar sarong, tusschen haar borsten.
De tortel in de kambodja kirde plotseling overluid en blijde, en zweeg
stil. Marjoes was gekomen.
Hij kwam zijn zangstertje halen voor den wedstrijd.
Nu zou het blijken of de deugd van het heilige graf en de gunst van de
Prinses in het Woud, aan wie zoo vele offers hij had gebracht, niet
meer vermochten dan de kunsten van den goudsmid met dien gouden ring
van hem, al stonden er nog zoo vele en krachtige tooverteekens in!
Behoedzaam haar beschuttend tegen zwiepende twijgen droeg Marjoes de
tortel door het struikgewas rondom de kambodja.
Hij bereikte de open plek voor het graf; en stond roerloos.
Daar, in een kleed van bloemen, en met een bloemen-kroon op het hoofd
zat de Prinses in het Woud!
Zooals een blad in de huiverige vroegochtendkoelte beeft en bleek is
aan den steel, zoo beefde en was geheel en al bleek van bewogen ontzag
het jongske. Niet bewegen, niet adem halen haast durfde hij.
In haar wakenden droom geheel verzonken, had Samirah het lichte
geritsel in de struiken niet vernomen.
Maar voor haar neergeslagen oogen verscheen op den zonnigen grond de
schaduw—onbewegelijke schaduw van een jongetje, met een kooi in de
afhangende hand, en achter het dunne spylen-zwart de bewegende schaduw
van een duif die zich nebt.
Zij hief het hoofd op en zag Marjoes aan met haar stille oogen.
Het hartje van het kind stond stil; met een snikkend hijgen naar adem
vluchtte hij.
De landweg lag ledig: hij rende naar den passar.
Zijn vader was er, in den kring gezeten van toekijkers en wedders bij
de duiven.
Marjoes brak door de menigte heen naar hem toe met een stamelenden
uitroep van „de Prinses-in-het-Woud” en „het heilige Graf”.
De duiven vergeten, verdrongen allen zich om hem.
De geheele passar liep te hoop. De menschen lieten hun gebabbel, hun
maal, hun loven en bieden, hun kraampje om met eigen ooren uit Marjoes’
mond het wonder te vernemen.
Sommigen haalden de schouders op over zijn verhaal—droomerij van een
kwajongen die in het bosch was gaan spelen en in slaap gevallen, in
plaats van ordentelijk te passen op de buffels! Maar anderen keken
ernstig: wonderen waren meer geschied in het Heilige Woud. En waarom
zou aan Marjoes, een deugdzaam jongetje en het kind daarbij van den
Dalang die zoo vele schoone liederen van de Prinses-in-het-Woud wist te
zingen, de gunst van haar verschijning niet kunnen gebeuren?
Een riep dat hij terstond zekerheid ging halen; en meteen waren er
twintig menschen achter hem aan op den weg naar het woud. Toen volgde
de geheele passar.
Volk van Sangean, volk van Djalang Tiga, volk van Soembertinggi,
mannen, vrouwen en tot de kleinste kinderen toe alles haastte naar het
Heilige Woud. De modin liep mede, de tijdregelaar aan de moskee, die
toch zoo dikwijls het hoofd had geschud over verhalen van geesten en
nimfen in het Heilige Woud. En door zijn dienaar gevolgd die de
sirih-doos hem nadroeg ging de assistent Wedånå die een zoon was uit
het geslacht van een Regent, mede in den drom. Uit den Kawedanan
waarheen een schrijver, uitgezonden om de oorzaak van den oploop op den
passer uit te vorschen, de tijding had gebracht, kwam de Wedånå, er
aangereden, die zijn paardje de zweep gaf, ontrust als hij was over zoo
buitengewone gebeurtenissen in zijn streek, en verlangend om met eigen
oogen zich te overtuigen dat geen kwaad daaruit voortkomen kon en niets
waarover, wie weet, hem als hoofd der bevolking een verwijt zou kunnen
treffen.
Zooals in haar loop een beek zwelt tot een rivier van de velerlei
wateren die van links en rechts haar toestroomen, zoo zwol van
menschen, die uit huis en veld kwamen toegeloopen, de menigte, tot het
als een geheel volk was dat de steilte op steeg naar het Heilige Woud.
Daar ontmoette den drom Mboq-Inten die met Kaïran aan de hand en door
Paq-Inten gevolgd op weg naar den passar haar offer ging brengen op het
heilige graf.
Verbaasd vroeg zij wat er toch geschiedde?
„Eh, Moeder-van-Inten! Hebt ge het dan niet gehoord? De
Prinses-in-het-Woud zit aan het heilige graf. Marjoes het kind van den
Dalang heeft haar gezien, als een bruid versierd en bekranst met
bloemen.”
Mboq-Inten slaakte een kreet waarvan de menigte stil stond.
„Geen Prinses, geen Prinses, maar mijn dochter Inten! o eindelijk,
eindelijk!”
Met Kaïran in de armen ijlde, lichtvoetig als een meisje, de oude vrouw
den heuvel op, terwijl zij in een snikkend gejuich aldoor „Inten!
Inten!” riep.
De verbaasde menigte liet haar door. Aan de Hoofden, aan den Modin, aan
den Wedånå te paard voorbij, drong zij door tot aan het graf.
Het gerucht van die plotselinge honderden had Samirah opgeschrikt uit
haar stille vervoering. Ontsteld zag zij in dien drom gezichten. Zij
wilde vluchten, maar vond geen kracht tot opstaan. Met beide handen
voor de oogen dook zij zoo diep ineen, dat geheel schuil zij ging onder
haar aan den purperen krans ontgleden haar dat in een dichte, van
bloemen bonte donkerte naar voren viel.
Maar in dat oogenblik van verdwijnen had Mboq-Inten het gelaat herkend
dat, drie jaar lang, haar hoop had toegelachen. En zij wierp zich neer
naast die ineengedoken gedaante onder de bloemen, en greep haar in
beide armen, en kuste haar door bloemen en lokken heen op voorhoofd en
oogen en wangen met de teederste kussen.
En „O, Inten!” riep zij telkens weder, „o mijn kind, o mijn
harte-juweel, eindelijk, eindelijk dan toch! Ach! waarom toch zijt ge
niet dadelijk bij Uw moeder gekomen! Drie jaar lang verlang ik al!”
En zachtjes haar gezicht in beide handen nemende zag zij in de schuw
opziende oogen, en begon overnieuw te weenen van geluk.
„In niets zijt ge veranderd, mijn gouden dochtertje. Ach, ik kan mijn
oude oogen niet verzadigen aan U! Hoe heb ik er naar verlangd, al die
jaren lang, om u weer te voelen, zóó, tegen mij aan. Waarlijk, kind van
mijn hart, ik ware niet in het leven gebleven, nadat gij gestorven
waart, zelve ook ware ik gestorven van verdriet, zonder dien droom van
Uw wederkomst dien Toewan Allah zelf mij zond. Zóó, zóó zag ik U in
mijn droom, zooals een bruid bekranst, hier, op deze plek, wachtend op
mij en op Uw kind. Zie hem, mijne Inten! aanschouw hem! gij hebt hem
niet gezien toen gij hem ter wereld bracht, gij arme, donker waren Uw
oogen al. Verheug U nu in hem! is hij niet groot en schoon?”
Zij had Kaïran, die bedremmeld en half angstig naar de vreemde zag,
haar op den schoot geplaatst. Uit betraande oogen glimlachend zag zij
op de twee.
„Nu! wat zegt Kaïran nu tegen zijn zoete Moeder?”
Samirah’s armen gingen om het kind heen, om het zachte kleine lijfje
dat warm voelde tegen haar borst. Zij dacht niet, zij trachtte niet te
begrijpen of te gissen, niet eens verwonderen deed zij zich, dat kleine
wezen dat zij tegen zich aanhield, dat was haar kind. Haar aan spraak
ontwende lippen begonnen te murmelen.
„Zoo zoet!” fluisterde zij, „zoo zoet!”
Kaïran schepte moed. Hij dacht aan al het vele dat hem beloofd was met
de terugkomst van moeder. Half schuw nog, half vertrouwelijk al, zag
hij van onder zijn wimpers naar haar op.
„Wat heeft Moeder Kaïran meegebracht?”
Een diep lachen welde Samirah naar de keel, er brak een glans uit haar
oogen.
„Zeg dat nog eens, och zeg dat toch nog eens, mijn hartje, zeg Moeder
tegen me!”
Een weinig verlegen en bedremmeld gehoorzaamde de kleine.
„Moeder!” en toen haastig.
„Heeft Moeder Kaïran een duifje meegebracht?”
Want Mboq-Inten had zooeven op den landweg, waar zij hem niet weg kon
krijgen van voorbijgangers met een tortel in een kooitje, gezegd dat
Moeder er hem een meebrengen zou als zij kwam.
Zij zei, met een trotschen lach:
„Hij is zoo slim, die kleine! Alles onthoudt hij! Zoo waart gij ook
mijn kind, verstandig van klein af. In alles gelijkt hij op U.”
Samirah zag de vrouw aan die zoo vriendelijk haar het kind in den
schoot had gezet; dankbaar lachte zij haar toe.
Mboq-Inten nam haar hand en streelde die langs haar eigen gezicht.
„Zeg gij nu ook „Moeder,” „lieve Moeder!” Weet-ge wel dat ge nog met
geen enkel woordje mij begroet hebt mijn kind?”
Willoos en gelukkig herhaalde Samirah:
„Moeder, lieve Moeder!”
Mboq-Inten wendde zich naar de menigte.
„Weest getuigen gij allen, hoe Inten mij heeft herkend, en hoe zij haar
kind heeft herkend! Kom, Paq-Inten, kom! hier is onze dochter!”
De menschen stonden zwijgend.
Zij wisten niet wat te denken. Was dit niet inderdaad Inten? met
Inten’s gelaat? met Inten’s gestalte?
Daar was veel volk uit Djalang Tiga, dat Inten van kind af had gekend,
en vrouwen die haar hadden zien sterven, en in de lijkwade haar hadden
gewikkeld, en mannen die haar naar het graf hadden gedragen. Maar daar
zagen zij haar toch, zóó, als het voorspeld was dat zij haar zouden
zien, als een bruid met bloemen getooid aan het heilige graf, daar
zagen zij haar, levend en met een lach van geluk neerziende op het kind
Kaïran en omarmd door Mboq-Inten, als door haar moeder een dochter.
Geen woudnimf als Marjoes waande, en nog vol wilde houden, haast
schreiend van teleurstelling, geen hemelinge was dit, maar wel waarlijk
uit het graf herrezen, Inten!
Daar waren ook menschen uit Soembertinggi, die den verschrikten uitroep
hadden gehoord: „Het is Samirah!” waarmede Mboq-Noerdin, te zamen met
haar nieuwe schoondochter in allerijl het woud uit was gevlucht.
Maar in die gelukkige, lachende, die moeder en dochter die liefkoosde
en geliefkoosd werd, konden zij de arme Samirah met de roodgeschreide
oogen niet hervinden, die zoo schuw wegkromp voor Mboq-Noerdin’s
schimpende stem, in die bekranste, in bloemen gekleede niet de arme
vervuilde slons die zwoegde op Noerdins erf. En zij ook dachten, dat
dit zeker Samirahs evenbeeld uit de gelukkige meisjesjaren was, die
Inten, die wel bij Samirah’s naam gegroet werd, zoo zeer had zij op
haar geleken. Vele wonderen waren geschied aan het graf van den
Koning-Kluizenaar! waarom niet dit, dat Inten wederkeerde uit het graf?
Zoodat, toen Paq-Inten, weifelend en ietwat bang, naar voren trad uit
de menigte die hem aanmoedigend vooruit drong, iedereen verwachtte dat
hij verklaren zou: „Dit is in waarheid mijn dochter Inten”.
Hij zag het. En hij had al zoo in zichzelven gedacht, hoe het hem wel
vergaan zou thuis, als hij het waagde hier, voor zoo veel menschen en
het dorpshoofd en den Heer Wedånå zelven, Mboq-Inten te
wederstreven,—Mboq-Inten die zoo veel geld in huis bracht, en alles zoo
zéér wel beheerde, en alle dingen en alle menschen naar haar hand
zette! En tegelijk dacht hij ook, hoe met zulk een schoone dochter in
huis, hij niet lang meer zonder een schoonzoon zou behoeven te wezen,
die hem hielp op den akker en met het ploegspan. Zoodat met die
gedachten in het hoofd de jonge vrouw aanziende die Mboq-Inten
toelachte hij uit volle overtuiging zei:
„Waarlijk dit is Inten!”
Hij reikte naar haar hand.
„Kom mede naar huis, mijne dochter, dat wij een feestmaal aanrichten en
een offer brengen aan de geesten, en dat alle vrienden van uw moeder en
mij en al uw speelnooten van vroeger zich met ons verheugen over uw
terugkomst uit het land der schaduwen.”
Hij richtte haar op. Toen zagen allen hoe schoon, met Kaïran in de
armen, zij glimlachend van geluk daar stond, in haar lang van bloemen
doorglansd haar, en met het purperen schijnsel om het hoofd van den
winde-kelken-krans, die doorschijnend gloorde in de zon.
Geen wonder was het, zei meer dan een, dat Marjoes haar voor een
hemelnimf had gehouden, zij was liefelijk als de bruid van den
Liefde-God!
Met blijde woorden schikten zij zich tot een stoet om een eere-geleide
naar huis haar te geven.
Maar plotseling veranderde alles.
Want de Wedånå, wien het verantwoordelijkheidsbesef en de zorg te sterk
waren geworden,—hoezeer moest hij niet waken over de kans van zijn ach!
hoelang al gehoopte bevordering, voor goed verijdeld als er beroering
kwam in de streek!—was spoorslags naar den Resident gereden,
bezweringen mompelend opdat zijn paardje hem dragen zou sneller dan de
wind. En de dag was gunstig! Ternauwernood was hij uit de schaduwen van
het Heilige Woud geraakt, of daar zag hij op den landweg het blinkende
rijtuig met den geel in de zon flikkerenden politie-oppasser op den
bok, en de groote geweldig-dravende paarden, in een wolk van stof er
aan komen. IJlings afstijgend stond hij met ontbloot hoofd in de zon
waar het oog van den Kandjeng Resident op hem moest vallen. O! hoe nu
te spreken, zoo, dat ook de allergeringste schijn van schuld verre van
hem bleef?
De groote paarden stonden stil, hij vernam de bevelende stem. Met
neergeslagen oogen stamelde hij. En de dag was wel waarlijk gunstig! de
Groote Heer lachte. De Wedånå waagde een steelschen blik, en voelde het
bonzen van zijn hart bedaren: de Groote Mevrouw was met den Kandjeng,
met een vriendelijken blik groette zij hem.
Omzichtig man als hij was had de Wedånå nooit eenig Hollander laten
bemerken dat hij Hollandsch verstond; en hij hield den blik bescheiden
neer, en wachtte als een die vreemde klanken langs zich heen laat gaan,
en niet begeert te weten dan wat zijn meerdere oorbaar acht dat hij
weten zal, terwijl, geheel gerustgesteld, hij den Resident tot zijn
vrouw hoorde zeggen hoe waarlijk alleen in een streek als Sangean,
geheel overschaduwd door het Heilige Woud met zijn velerlei legende en
bijgeloof, zoo iets kon geschieden: dat een straatdanseres, die op een
stille plek zich opsiert voor een feest, door een buffelherdertje voor
een nimf aanbeden werd, en door een oude moeder, om haar voor jaren
gestorven dochter treurend, voor die dochter, uit den dood herrezen,
omarmd. Op de terloops gedane vraag wie de dwaze oude was, zei hij vrij
uit, Mboq-Inten uit Djalang Tiga, dat juist buiten de grens van zijn
district was gelegen. En wat de vrouw in het woud betreft, sommigen
meenden dat zij Samirah was uit Soembertinggi, de vrouw van Noerdin,
van wie sedert lang al gezegd werd dat zij verduisterd was van
verstand, kinderloos zijnde, en veel gesmaad daarvoor.
Elizabeth liet een uitroep hooren, op die twee namen. O waarlijk een
wonder aan het graf van den Koning Heilige, die gelukkige waan, die
twee levens, verloren al aan het leed, zoo liefelijk redde, die een
moeder maakte en een kind van bedroefd-alleenigen!
Maar de Resident, die eerst toegevelijk had geschokschouderd, fronste
de wenkbrauwen, in nadenken. Was die kinderpraat omtrent een uit het
graf herrezene zoo onschuldig wel als het leek?
Hij dacht aan rustverstoringen die met zulk een wonderverhaal waren
begonnen, weigering van heerendienst en belasting, omdat een uit het
graf wedergekeerde zóó geboden had, aan pogingen tot omverwerping van
het wettig gezag, ten gunste van den herrezen zoon uit een
lang-gestorven Sultans-geslacht. Hij ging de gevaarlijke dwaasheid in
de kiem verstikken.
Of zij de bedreiging voelde van haar pasgewonnen geluk, toen die hooge,
in het wit gekleede, man met zijn streng gezicht door het op zijde
wijkende en neerhurkende Inlander volk heen trad, week Mboq-Inten terug
naar het graf; en zich nederzettend aan den voet, nam zij haar, die zij
voor dochter wilde, op den schoot, ter handhaving tegenover het
dessa-volk, en het dorpshoofd, en den Wedånå en den Resident zelven,
van haar recht op haar.
Elizabeth raakte haar mans arm aan. Dat was zij immers, dat was zij,
die arme verdwaasde van den landweg, zielsziek misschien van wie weet
welk een ondragelijk verdriet, waarvan zij genezing ging zoeken aan het
graf van den milden heilige; dat was die weenende, die zij had zien
mishandelen door de wreede oude vrouw, de gesmade kinderlooze,
glimlachend met een kind in de armen! Haar oogen smeekten:
„Laat toch die rozen van verbeelding dagelijksch brood worden!”
Met een beweging van ongeduld weerde hij af: geen toegefelijkheid
tegenover zulk bijgeloof, geen zwak ontduiken van den regeerders-plicht
om ook in geestelijke dingen de orde te handhaven!
Streng sprak hij Mboq-Inten aan.
„Hoe waagt gij het, oude! te zeggen dat deze uw dochter is, terwijl
allen in uw dorp weten dat zij voor drie jaren gestorven is bij de
geboorte van haar kind, en de mannen hier zijn, die haar begraven
hebben? Lang genoeg heeft deze dwaasheid geduurd! Laat die vreemde
gaan, en keer terug naar huis!”
Mboq-Inten zag op. Zij sprak niet. Maar een onoverwinnelijke wil stond
in haar oogen. Samirah, bang, borg zich aan tegen die eene die goed
voor haar was; en zij hield Kaïran vast geklemd in haar armen.
Haar gebaar en doodsbleek gezicht ontroerde den ambtenaar. En hij zag
wel, instee van opstandigen vrijheidsdrang dien hij had willen fnuiken,
enkel onnoozele wonderzucht in die vele gezichten die, in schroom, naar
hem staarden. Maar hij was voogd en opvoeder van die eeuwig
onvolwassenen, hij moest hen genezen van dat kinderlijke bedelen om het
onmogelijke, dat zoo gaarne zich laat paaien en foppen met een schijn,
dat bewuste ontduiken van de waarheid om den wille van het gewenschte.
En hij zeide ietwat minder streng sprekend toch:
„Als ik het graf van uw dochter doe openen, en U in het graf haar
gebeente laat zien, zult gij dan erkennen dat zij gestorven is en
vergaan? en een vreemde is het, die gij daar omhelsd houdt?”
Onverschrokken antwoordde Mboq-Inten:
„Laat het graf geopend worden waarin Inten gelegen heeft! En laat mij
staan aan het geopende graf! Ik zal geen gebeente zien daarin, want zij
die gestorven is en begraven was, zij is opgestaan, en ik houd haar in
mijn armen.”
Het rood der ergernis steeg den Hollander naar het gezicht. Kortaf gaf
hij een bevel. De zwijgende mannen gingen.
Maar Elizabeth greep naar zijn hand.
Haar oogen stonden vol tranen, zij was zeer bleek.
„O, waarom zoo iets te doen? Zal dan een arme handvol dood iets
vermogen tegen het leven en zijn waarheid? Zie toch de liefde in
Mboq-Intens oogen! Haar liefde is het die is opgestaan uit het graf,
haar liefde is het die leeft! Dat immers is het groote wonder dat
liefde altijd weder herrijst in het hart van wie eenmaal heeft
liefgehad! Liefde vergaat in geen graf, geen lange jaren wachtens, geen
nog zoo zwaar leed krenken of ontmoedigen haar. En altijd weder is zij
de moeder, en altijd weder het kind. En door haar alleen leven en zijn
wij allen, allen zooveel menschen als er op deze wereld leven, en
liefde behoeven.”
Met een stem dieper dan haar eigene sprak zij de onbeholpen,
onsamenhangende woorden, zij ging tastelings op haar gedachte toe, als
blind door al te veel licht op een waarheid toe waartegen die andere,
die met werkelijkheid, en rechten wet werd gemeend, gering was en
ledig, een kortstondige schijn. Zij stond bleek en bevende als een
vlam, zelve een glans van dat groote licht, geheel doorschenen van zijn
klaarten.
Het Inlander-volk dat haar woorden niet verstond, verstond haarzelve
toch, haar bleekheid en de donkere innigheid van haar oogen, en die
ontroerende stem. Als naar hun heil zagen Mboq-Inten en Samirah naar
haar.
Elizabeth ging op hen toe en nam, zacht, van elk een hand in haar
handen. Zoo zag zij, bezwerend, haar man aan.
Hij stond nog in twijfel, donker. Maar toen zag hij in haar oogen.
De mannen die het graf moesten openen waren stil blijven staan. Hij
maakte het gebaar waarop hij hen zag wachten. Verheugd traden zij in de
menigte terug.
De drie vrouwen glimlachten elkander aan.
Elizabeth en Mboq-Inten zagen het rustige licht der rede opgegaan over
het gelaat van haar die Samirah had geheeten, maar van dit uur aan
Moeder-van-Kaïran was.
Een schooner wonder, zoo dachten allen, was nooit nog geschied in het
Heilige Woud.