Cecile was zoo verwonderd geweest over die, ongewoon lange, stemming
van zelfverlies, dat het dagen duurde, eer zij weêr hare gewone rust
binnentrad, als een lief verblijf, waaruit zij, zonder te willen, was
weggedwaald. Maar zij dwòng zich met een zachten dwang, de schatten
harer eenzaamheid terug te vinden en zij vond ze terug. Zij redeneerde;
in de eerste jaren zoû zij zich toch nog niet behoeven te scheiden van
Dolf en Christie: zij had dus allen tijd zich met dit denkbeeld van
scheiding eigen te maken. Verder was er niets veranderd, noch om haar,
noch in haar, en zij liet dus de dagen langzaam over zich heenglijden
als een stil vloeiend water.
Zoo, stil vloeiend, waren er twee weken verloopen na den avond, dien zij
bij Dolf had doorgebracht. Het was Zaterdagmiddag; zij had eerst met de
kinderen gewerkt,--ze leerde ze nog zelve--toen met ze gewandeld en nu
wachtte zij in hare geliefkoosde kamer de Van Attema's die iederen
Zaterdag om half vijf kwamen theedrinken, af. Zij had de meid gebeld,
die eene blauwe spiritusvlam aanstak. Dolf en Christie waren op dat
uur binnen; ze zaten op den grond, op bankjes, de vellen van een
kindertijdschrift open te snijden, waarop Cecile voor hen geabonneerd
was. Stil zaten ze, zoet en fijntjes, als kinderen, die in een week
interieur opgroeien, tusschen te veel zachtheid, te bleek, met te lange
blonde haren, vooral Christie, wiens slaapjes waren geaderd als met een
azuur bloed. Cecile ging een enkelen keer langs hen heen, in het
zorgvuldig toezien op heur theeblad, en haar blik omringde de kinderen
als in een cirkel van warm gevoel. Zij was in hare stemming van kalm
geluk; ze vond het aangenaam zoo straks de Van Attema's te zullen zien
binnen komen; zij hield van die middaguren als haar zilveren bouilloir
ziedde op de blauwe vlam. Eene exquize intimiteit dreef door het
vertrek; ze had in hare lange fijne vrouwen vingeren dat bizondere van
getoover, die teedere kunst van aan te raken, waardoor alles, waarover
ze ook maar even gleden, een aanzien kreeg van haarzelve; iets
onzegbaars van tint en plaats en verlichting, dat de dingen vóór den
toets dier vingers niet hadden.
Er werd gebeld en ze meende, dat het nog te vroeg was voor de Van
Attema's. Maar ze zag zelden iemand anders in hare afsterving van de
buitenwereld; dus ze zouden het toch wel zijn. Na enkele oogenblikken
kwam Greta echter binnen, met een kaartje: of mevrouw ook ontving en of
er belet was voor dien meneer.
Al van verre herkende Cecile de kaart: zij had er onlangs een gelijke
gezien. Toch nam zij het karton aan, bezag het even, de wenkbrauwen
gefronsd, ontevreden.
--Wat een idée, dacht ze. Waartoe? Wat beteekende dit? Maar ze vond het
onnoodig onbeleefd te zijn en belet te geven. Hij was toch een vriend
van Dolf. Maar zooveel indringerigheid ...
--Laat meneer bovenkomen, liet zij koel van haar lippen vallen.
Greta ging en het scheen Cecile toe of er iets sidderde in de
intimiteit, die daar dreef; of de voorwerpen, waarover hare vingers
zoo even gegleden waren, zich anders verlichteden, met een schijn van
huivering. Maar Dolf en Christie waren niet veranderd en zaten nog
steeds te zien naar de platen, met zachte opmerkingen tusschen hunne
mondjes in.
De deur werd geopend en Quaerts trad binnen. Hij had nog meer dan
gewoonlijk zijne nuance van verlegenheid over zich heen, toen hij voor
Cecile boog. Die nuance was voor Cecile iets onbegrijpelijks in hem, die
haar zoo beslist en sterk scheen.
--Ik hoop, dat u me niet onbescheiden zult vinden, mevrouw, als ik de
vrijheid heb genomen u een visite te komen maken.
--Integendeel, meneer Quaerts, sprak zij koud. Gaat u zitten.
Hij zette zich, plaatste zijn hoogen hoed naast zich op den grond.
--Ik stoor u niet, mevrouw?
--Volstrekt niet. Ik wacht mevrouw Van Attema en haar dochters. U was
zoo beleefd me een kaartje te brengen. Maar u weet zeker, dat ik geen
menschen zie.
--Dat wist ik, mevrouw. Misschien heeft u wel aan die wetenschap de
indiscretie van mijn bezoek te danken.
Zij zag hem koud, beleefd, glimlachend aan. Er was iets van boosheid in
haar. Zij gevoelde lust hem kortweg te vragen, wat hij van haar wilde.
--Hoedat? vroeg ze met haar glimlach van beleefdheid, die haar gezicht
tot een masker vertrok.
--Ik vreesde u in langen tijd niet te zullen zien en ik zoû het een
bizonder groot voorrecht achten uw nadere kennis te mogen maken.
Zijn toon was van den hoogsten eerbied. Zij trok hare wenkbrauwen op,
als begreep zij niet, maar het accent zijner stem was zóo in-hoffelijk
geweest, dat ze zelfs geen koud woord vond om hem te antwoorden.
--Zijn dat uw beide kinderen? vroeg hij, met een blik naar Dolf en
Christie.
--Ja, antwoordde zij. Staat eens op, jongens, en geef meneer een hand.
De kinderen kwamen langzaam nader en staken hunne handjes uit. Hij
glimlachte, hij zag ze doordringend aan met zijne kleine diepliggende
oogen, en even hield hij ze vast.
--Vergis ik me, of lijkt de kleine niet heel veel op u?
--Ze lijken beiden op hun vader, antwoordde zij.
Het was haar of ze een cirkel van bescherming om zich heen trok, waar de
kinderen buiten waren en waarbinnen zij ze niet brengen kon. Het hinderde
haar, dat hij ze zoo vast hield, ze zoo aanzag.
Maar hij liet ze nu los en ze gingen weêr op hunne bankjes zitten, zoet,
zacht, stil.
--Toch hebben ze beiden iets van u, hield hij vol.
--Mogelijk! sprak ze.
--Mevrouw! hernam hij, als wilde hij haar iets gewichtigs zeggen. Ik woû
u ronduit iets vragen. Ik woû u vragen, of u me eerlijk, heel eerlijk,
zoudt willen zeggen of u me onbescheiden vindt?
--Omdat u me een visite maakt? O, waarlijk niet, meneer Quaerts. Het is
heel beleefd van u. Alleen ... als ik oprecht mag spreken.
Zij lachte even.
--Natuurlijk, sprak hij.
--Dan wil ik u wel bekennen, dat ik vrees, dat u weinig in mijn huis
zult vinden, dat u zal amuzeeren. Ik zie geen menschen ...
--Ik maak u geen visite om de menschen, die ik bij u zoû kunnen zien.
Zij boog glimlachend, alsof hij een compliment gezegd had.
--U is me natuurlijk zeer welkom. U is een heel goed vriend van Dolf,
niet waar?
Zij wilde telkens andere woorden zeggen dan zij zeide, koeler woorden,
hartelijker woorden, maar er was te veel welopgevoedheid in haar: zij
kon het niet doen.
--Ja, antwoordde hij. Wij kennen elkaâr heel lang en we zijn altijd zeer
bevriend geweest, ook al verschillen we heelemaal.
--Ik mag hem heel gaarne, hij is altijd heel hartelijk voor ons.
Zij zag hem glimlachend kijken naar het lage tafeltje. Er slingerde een
paar tijdschriften, een paar boeken. Boven op lag een deeltje van
Emersons Essays, met een vouwbeen er in.
--U zei, dat u niet veel las! sprak hij ondeugend. Me dunkt ...
En hij wees glimlachend naar de boeken.
--O, zeide zij achteloos, lichtjes hare schouders bewegend. Zoo een
beetje ...
Zij vond hem zeer lastig; hoe had zij zoo gemerkt, dat ze zich voor hem
verborgen had en waarom had ze zich ook voor hem verborgen?
--"Emerson!" las hij, zich een weinig voorover buigend. Maar hij
herstelde zich:
--Pardon! Ik ben indiscreet uw lectuur te bespionneeren. Vergeeft u me,
maar de letters waren zoo groot; ik las ze van hier.
--U is vèrziend? vroeg ze, lachend.
--Ja.
Zijne beleefdheid, een zekere eerbied, als zoû hij zelfs niet de tippen
van hare vingers beroeren, stelde haar meer op heur gemak. Ze vond hem
wel antipathiek, maar hij mocht toch wel weten, dat ze las.
--Houdt u veel van lezen? vroeg Cecile.
--Ik lees niet veel: daarvoor is het mij een te groot genot. Ik lees zoo
maar niet alles wat er uitkomt, en ik ben erg kieskeurig.
--Kent u Emerson?
--Neen ...
--Ik hoû veel van Essays. Zij zijn geschreven met zoo een verren blik.
Ze stellen je op zoo een heerlijk hoog standpunt ...
Ze maakte een gebaar als een cirkel om zich heen, een glans in haar oog.
Toen merkte ze, dat hij haar aandachtig aanzag, met zijn eerbied. En ze
herwon zich weêr; ze wilde niet verder met hem over Emerson praten.
--Het is heel mooi! zeide zij alleen nog, met eene stem, zoo banaal
mogelijk, om te eindigen. Mag ik u een kop thee geven?
--Dank u zeer, mevrouw; ik drink nooit thee op dit uur.
--U ziet daar zeker met minachting op neêr? spotte ze.
Hij wilde antwoorden, maar er werd gescheld en zij riep nu:
--O, daar zullen ze zijn!
Zij waren het ook, Amélie met Suzette en Anna. Zij waren lichtjes
verbaasd Quaerts te zien. Hij sprak ervan, dat hij mevrouw Van Even een
visite had willen maken. Er ontstond een algemeen gesprek. Suzette was
heel vroolijk, vol van een fancy-fair, waar zij, gecostumeerd in een
Spaansch costuum, zoû moeten verkoopen.
--En jij niet, Anna?
--O neen, tante, riep Anna, verschrikt in elkaâr kruipend. Ik op een
fancy-fair! Ik zoû nooit iets slijten aan de menschen.
--Ach, het is een tact! zeide Amélie, met een blik, die ver weg dreef.
Quaerts was opgestaan. Hij boog met een enkel woord voor Cecile, toen de
deur openging. Het was Jules, met een paar boeken onder zijn arm. Hij
kwam van school.
--Dag tante! Zoo dag, Taco; ga je nu heen als ik kom!
--Je jaagt me weg! schertste Quaerts.
--Ach, toe, Taco, blijf nu nog wat! smeekte Jules, verrukt hem te zien,
wanhopig, dat hij juist vertrekken zoû.
--Jules, Jules! vermaande Amélie, omdat ze dacht, dat ze dat zoo doen
moest.
Jules drong Quaerts, greep zijne beide handen, dwong hem als een
bedorven kind. En Quaerts lachte maar. Door Jules' drukte gleden eenige
boeken van het tafeltje.
--Maar Jules dan toch! riep Amélie. Quaerts raapte de boeken op, terwijl
Jules door bleef dwingen. Bij het laatste boek, dat Quaerts neêrlegde,
draalde hij even; hij hield het in de hand, hij zag op de gouden
letters: Emerson ...
Cecile bespeurde het.
--Als hij nu toch denkt, dat ik het hem leenen ga, heeft hij het mis,
dacht ze.
Maar Quaerts vroeg niets; hij had zich losgemaakt van Jules, hij nam
afscheid. Met wat gekheid tegen Jules, ging hij heen.