Den volgenden avond genoot Cecile nog meer dan gewoonlijk van de weelde
thuis te kunnen blijven. Het was na den eten; zij zat met Dolf en
Christie op de chaise-longue, in haar kleinen salon, de jongens elk in
een arm genesteld; zij, in het midden tusschen hen in, jong als eene
oudere zuster. Zacht gedempt vertelde hare stem:
--Toen zei Juda: o, heer, laat mij in de plaats van Benjamin bij u
blijven als slaaf! Want onze vader, die al zoo oud is, zei ons, toen we
met Benjamin weggingen: Mijn zoon Jozef heb ik al verloren: hij is zeker
opgegeten door de wilde beesten. En als je me nu Benjamin ook nog
afneemt, en als hém een ongeluk overkomt, dan zal ik grijs van verdriet
worden en dood gaan. Toen zei ik tot onzen vader, dat ik hem instond
voor Benjamin en dat ik heel stout zoû zijn, als we Benjamin niet weêr
thuis brachten. En daarom bid ik u, o heer, laat mij uw slaaf zijn en
laat het kind met zijn broeders teruggaan. Want hoe kan ik zonder
Benjamin mijn vader onder oogen komen ...
--En Jozef, mama, wat zei Jozef? vroeg Christie.
Hij had zich vast geklemd aan zijne moeder: een klein tenger ventje van
zes jaar, met dun blond haar, met oogen van fletsch vergeet-mij-niet-blauw,
en zijne fijne vingertjes haakten zich krampachtig in Cecile's japon en
verfrommelden het krip.
--Toen kon Jozef zich niet meer inhouden en hij beval zijn gevolg weg te
gaan en barstte in tranen uit, en riep: Herken je mij dan niet? Ik ben
het, ik ben Jozef!
Maar Cecile kon niet voort vertellen, want Christie had zich aan haar
hals geworpen met eene beweging als van wanhoop en zij hoorde hem
snikken tegen haar aan.
--Christie! Mijn jongen!
Zij ontstelde zeer; zelve in vuur om haar verhaal, was haar de spanning
van Christie niet opgevallen en zij hoorde hem nu in zulk eene hevige
kindersmart tegen haar aan weenen, dat zij geen woord vond om hem te
stillen, te troosten, te zeggen, dat het goed afliep.
--Maar Christie, huil dan toch niet! Het loopt goed af ...
--En Benjamin dan, Benjamin!
--Maar Benjamin ging terug naar den vader en Jacob kwam in Egypte en
ging samen wonen met Jozef ...
Het kind hief zijn nat gezicht van haren schouder op en zag haar lang
aan.
--Was het heusch zoo? Of zegt u maar wat ...
--Neen heusch, mijn lieveling. O toe, huil nu niet meer ...
Christie bedaarde, maar was blijkbaar teleurgesteld. Het slot van het
verhaal voldeed hem niet; en toch: het was wel mooi zoo, veel mooier dan
dat Jozef boos was geweest en Benjamin had gevangen gezet ...
--Die Christie! Om te gaan huilen! zei Dolf. Het is immers maar een
verhaaltje.
Cecile antwoordde hem niet, dat het verhaaltje heusch gebeurd was, omdat
het in den Bijbel stond. Ze was in eens zeer treurig geworden, in eene
twijfeling aan zichzelve. Zeer teeder droogde zij met haar zakdoek de
treurige oogen van het kind af.
--En nu, jongens, slapen. Het is al laat geworden! zeide ze dof.
Zij bracht ze naar bed: iets, dat heel lang duurde; eene plechtigheid
met allerlei ritualiën van uitkleeden, wasschen, gebedje opzeggen,
toedekken, zoenen. Toen zij na een uur weêr beneden zat, alleen, voelde
ze eerst goed, hoe treurig zij was.
O, neen, ze wist het niet! Amélie had wel gelijk: men wist nooit iets,
nooit! Ze was dien dag zoo gelukkig geweest, ze had zich weêr
teruggevonden, diep in het mysterie van haarzelve, in de essence harer
ziel; ze had haar gedroom om zich heen zien wolken als eene apotheoze;
ze had veel liefde voor hare kinderen in zich gevoeld. Zij had ze na den
eten verteld uit den Bijbel, en, in eens, bij Christie's tranen, was
twijfel bij haar opgeschoten. Was zij wel goed voor hare kinderen?
Bedierf zij ze niet en verweekte zij ze niet in hare liefde, in de
zachtheid van haar gevoel? Zoû zij ze niet ongeschikt maken voor het
practische leven, waarin zij niet te doen had, maar waarin de kinderen,
als ze groot waren zich zouden moeten bewegen? Het weêrlichtte door haar
heen: scheiding en kostscholen, de kinderen van haar vervreemd,
teruggekomen als groote, ruwe jongens, die rookten en vloekten, cynisch
in hun mond en hun hart; hun mond, die haar niet meer zoû zoenen, hun
hart, waarin ze niet meer thuis zoû zijn. Zij zag ze reeds met hunne
blague van zeventien en achttien jaar door hare kamers stappen in
uniform van cadet en adelborst, met breede schouders en een harden lach,
de asch van hun sigaar wegknippend op het tapijt ... Waarom rees dwars
door deze wreedheid in eens het beeld van Quaerts op? Was dat toeval of
logica? Ze kon het niet inzien; ze wist niet wat hij daar deed, die man,
rijzende door hare smart heen in zijne atmosfeer van antipathie. Maar ze
voelde zich treurig, treurig, treurig, als zij zich sedert Van Evens
dood niet meer gevoeld had, niet vaag weemoedig, als zij zich meermalen
gevoelde, maar treurig, duidelijk treùrig om wat er komen zoû ... O, zij
zoû zich van de kinderen moeten scheiden! En dan: alleen ... Eenzaamheid,
altijd eenzaamheid! Eenzaamheid in zichzelve; dat gevoel, waar Jules zoo
voor vreesde! Teruggetrokken van de wereld die haar niet boeide, alleen
weggezonken in leêgte! Ze was dertig jaren, ze was oud, een oude vrouw.
Haar huis leêg, heur hart leêg! Droomen, wolken van gedroom, die
vervliegen, die opklaren als een rook en leêgte ontdekken. Leêgte,
leêgte, leêgte! Hol viel het woord telkens op haar borst neêr met den
klop van een hamer. Leêgte, leêgte ...
--Waarom ben ik zoo? dacht ze. Wat heb ik dan? Wat is er veranderd?
Nooit had ze dat woord leêgte zoo op zich voelen bonsen; dien zelfden
middag nog was zij zacht gelukkig geweest, als altijd. En nu! Zij zag
niets voor zich, geen toekomst, geen leven, niets dan éene wijde
duisternis. Vervreemd van hare kinderen, alleen in zichzelve ...
Met een licht gekreun als van pijn stond zij op, liep zij door den
kleinen salon. Het bescheiden schemerlicht hinderde haar als eene
benauwdheid. Zij draaide aan den sleutel der kanten lamp. Een goudglans
gleed de roze plooien der zijden gordijnen op als glinsterend water.
Eene vreemde koelte blies iets van den viooltjes geur, die overal hing,
weg. In het haardje was vuur en zij had het koud.
Zij bleef staan bij het lage tafeltje: zij nam eene visitekaart op,
waarin een vouw was geknepen, en zij las: T. H. Quaerts. Een kroontje
met vijf parelen boven dien naam. Dat Quaerts, wat was dat kort! Een
naam als een klap van een harde hand. Er was in dien naam iets slechts,
iets wreeds: Quaerts, Quaerts ...
Zij wierp het stuk karton neêr, boos op zich zelve. Ze had het koud, en
ze had zich verloren, zooals gisteren avond bij de Van Attema's.
--Ik ga niet meer uit. Nooit meer, nooit meer! zeide zij, bijna hard op.
Ik kan zoo tevreden zijn in mijn eigen huis. Zoo tevreden met het leven,
zoo mooi gelukkig ... Dat kaartje! Waarom een kaartje! Wat kan mij zijn
kaartje schelen ...
Beslist zette zij zich aan hare schrijftafel en sloeg den buvard open.
Zij dacht er over een begonnen brief naar Indië af te maken. Maar zij
was in zoo eene andere stemming, dan toen zij dien brief begonnen had.
Zij haalde dus uit een laadje een dik cahier te voorschijn: haar
dagboek. Zij zette den datum neêr, dacht even na, den zilveren
pennehouder zenuwachtig prikkende in hare tanden ...
Maar toen, met een kort gebaar van drift wierp zij de pen neêr, duwde
het cahier weg, en, het hoofd in hare handen op den buvard neêrbonsend,
snikte zij luid.