II.

Toen Cecile den volgenden avond in den salon bij de Van Attema's

binnenkwam, langzaam, met haar slependen tred, in het soupele zwart van

haar krip, kwam Dolf aanstonds op haar toe en hij drukte haar de hand:

--Ik hoop, dat je het niet vervelend zal vinden ... Quaerts kwam hier een

visite maken en Dina had gezegd, dat wij thuis waren. Het spijt me ...

--Het is niets! fluisterde zij terug, toch even gekrenkt in haar

sensitivisme, door de onverwachte ontmoeting met dien vreemde, dien zij

zich niet herinnerde ooit bij Dolf gezien te hebben, en dien zij nu zag

opstaan waar hij zat met de oude mevrouw Hoze, Dolfs oud-tante met

Amélie en haar beide meisjes, Anna en Suzette. Cecile kuste de oude

dame, en zij groette verder rond, met een glimlach door hen allen

verwelkomd, omdat ze zoo veel van haar hielden. Dolf prezenteerde:

--Mijn vriend Taco Quarts ... Mevrouw Van Even, mijn zuster.

Zij zaten een beetje verspreid om het groote vuur in den open haard, de

piano dicht bij hen in een hoek, den rug gedrapeerd naar hen toe en

Jules zat er achter, de jongste, zoo verloren in zijn spel, terwijl hij

Rubinsteins romance in es speelde, dat hij niet had gehoord, hoe zijne

tante was binnen gekomen.

--Jules ... riep Dolf.

--Laat hem maar! zei Cecile.

De jongen antwoordde niet en speelde door en Cecile zag, over de piano,

zijn verwarde haren en zijn oogen, vol weg-zijn in muziek. Eene weekheid

van melancholie rees zachtjes in haar op, als een last, als een last,

die op haar borst klom en drukte op haren adem. Van Jules' vingers

vielen soms plotseling forto-toonen af, die plotseling, haar kleine

schokjes gaven in hare keel en zij gevoelde eene stemming van

raadselachtigheid om haar heen weven als met vage mazen; eene stemming,

die zij wel eens meer gevoelde; stemming, waarin zij zich als het ware

niet bezat, als hadde zij zich verloren, als zocht zij zichzelve, als

wist zij niet wat zij nu dacht, wat zij op het oogenblik zelve zeggen

zoû ... Er smolt iets in hare hersenen, als eene momenteele verweeking.

Haar hoofd zonk wat naar omlaag en, zonder goed te hooren, scheen het

haar als had zij die romance, zoo, precies zoo gespeeld, als Jules ze

speelde, nog éens gehoord, heel lang geleden, in haar zielebestaan van

vroeger, van eeuwen her, zoo, precies zoo in dien kring van menschen,

daar voor dat vuur ... De tongen van het vuur rekten zich met dezelfde

kronkelingen uit als dat vuur van eeuwen her en Suzette knipte eens met

hare oogen, even als zij het toen gedaan had, vroeger ...

Waarom zat zij daar nu weêr, te midden van hen allen? Wat was dat

noodig, zoo te zitten om een vuur en te hooren naar muziek? Wat was dat

vreemd en wat waren er vreemde dingen in de wereld ... En toch was het

aangenaam zoo te zijn met elkaâr, liefjes gezellig, stil, zonder veel

woorden, de muziek achter den rug der piano wegklagende tot ze eensklaps

zweeg. En de stem van Mevrouw Hoze had een klank van sympathie, toen ze

vroeg, aan Cecile's oor:

--We krijgen je dus weêr terug, kind? Je komt dus weêr uit je schulp te

voorschijn?

Cecile drukte haar de hand, met een lachje:

--Ik heb me toch nooit voor u verborgen. Ik ontving altijd.

--Ja, wij moesten maar naar jou komen, maar jij bleef thuis, niet waar?

--U is toch niet boos op me, daarom?

--Wel neen, lieveling, je hebt zoo een verdriet gehad.

--O, nu nog, ik mis alles.

Waarom miste zij in eens alles? Zij had nooit dat gevoel van gemis in

haar eigen huis, in de wolkjes van haar gedroom, maar buiten, in de

wereld, onder anderen, miste zij dadelijk alles, alles ...

--Je hebt toch je kinderen.

--Ja ...

Zij zeide het mat, moê, alleen, doodeenzaam, als zweefde zij in eene

wijdte moê voort, zonder steun gedragen door liohaamlooze luchten,

waardoor zij hare armen heen sloeg, zonder te grijpen.

Mevrouw Hoze stond op: Dolf kwam ze halen om te whisten, in de andere

kamer.

--Jij ook, Cecile? vroeg hij.

--Neen, je weet: kaarten en ik!

Hij drong niet verder aan; hij had nog Quaerts en de meisjes om te

spelen.

--Wat doe je daar, Jules? vroeg hij, met een blik over de piano.

De jongen was daar achter blijven zitten, als vergeten. Hij stond nu op,

hij kwam te voorschijn, lang, uit zijn kracht gegroeid, met vreemde

oogen.

--Wat deê je daar?

--Zit toch niet zoo te suffen, jongen! mopperde Dolf vriendelijk met

zijn diepe stem. Waar zijn de kaarten nu weêr, Amélie?

--Ik weet het niet! zeide zijne vrouw, zoekend met den blik in het vage.

Waar zijn de kaarten, Anna?

--In de fichesdoos, niet?

--Neen, mopperde Dolf. De dingen zijn nooit op hun plaats.

Anna stond op, zocht, vond de kaarten in de la van een boule kastje.

Amélie was ook opgestaan; ze schikte de muziek op de piano recht, altijd

ordenend de zaken in hare kamers en dadelijk weêr vergetend, waar zij ze

borg, opruimende alleen met hare vingers, en zijzelve altijd weg, in het

vage ...

--Anna, trek ook eens een kaart, als rentrant! riep Dolf uit de andere

kamer.

De beide zusters bleven alleen, met Jules.

De jongen was op een voetenbank gaan zitten, bij Cecile:

--Mama, laat mijn muziek toch liggen.

Amélie zette zich bij Cecile.

--Is Christie beter?

--Hij is vandaag wat opgewekter.

--Gelukkig maar ... Kende je Quaerts niet?

--Neen.

--Niet? Hé! Hij komt dikwijls hier.

Cecile zag door de open schuifdeuren naar de speeltafel. Twee bougies

brandden er. Het roze gelaat van Mevrouw Hoze was hel verlicht, glad en

deftig; heur kapsel glom zilvergrijs. Quaerts zat over haar: Cecile zag

de ronde, weggeschaduwde silhouet van zijn kop, het haar zeer kort

geknipt, dik zwart, boven de witte glanslijn van zijn boordje. Zijn

armen hadden korte bewegingen als hij uitspeelde of opnam. Zijn figuur

had iets zeer krachtigs, iets energiek flinks, iets van het gewone

leven, dat Cecile antipathiek was.

--De meisjes houden van spelen?

--Suzette vooral, Anna minder: ze kan het niet goed.

Cecile zag, dat Anna achter haar vader zat te turen met oogen, die niet

begrepen.

--Je gaat veel met ze uit, tegenwoordig? vroeg Cecile weêr.

--Ja, het moet wel. Suzette houdt er van, maar Anna niet. Suzette wordt

mooi, hé?

--Suzette is een coquet nest! zei Jules. Verleden met dat diner hier ...

Hij hield in eens op.

--Neen, ik zal het maar niet vertellen. Het is niet goed kwaad te

spreken, niet waar, tante?

Cecile glimlachte.

--Neen, natuurlijk niet!

--Ik zoû zoo gaarne heel goed zijn, tante.

--Dat is mooi van je.

--Neen, neen, weerde hij af. Ik vind alles zoo slecht, weet u. Waarom is

alles toch zoo slecht, niet waar, tante?

--Maar er is ook zoo veel goeds, Jules.

Hij schudde zijn hoofd.

--Neen, neen, herhaalde hij. Alles is slecht. Alles is heel slecht.

Alles is egoïsme. Noem u eens iets op, dat niet egoïst is?

--Ouderliefde.

Maar Jules schudde weêr zijn hoofd.

--Ouderliefde is gewoon egoïsme. Kinderen zijn een deel van de ouders.

Die houden dus van hunzelven als ze van hun kinderen houden.

--Maar Jules! riep Amélie. Je praat altijd veel te tranchant! Je weet,

dat ik daar niet van hoû! Je bent veel te jong om zoo te praten! Je doet

net of je alles weet!

De jongen zweeg.

--En ik zeg juist altijd, dat we nooit iets weten ... We weten nooit

iets, vindt je ook niet, Cecile? Ik ten minste, ik weet nooit iets,

nooit ...

Haar blik dreef weg door de kamer, in het vage ... Hare vingers streken

de franje van haar fauteuil glad, ordenend. Cecile legde haar arm

zachtjes om Jules' hals.

Extaze: Een Boek van Geluk · 第 7 / 40 题