I.

Dolf van Attema was op zijne wandeling na den eten aangegaan bij de

zuster zijner vrouw, Cecile van Even, op den Scheveningschen weg, en

hij wachtte in den kleinen voor-salon, wandelend tusschen de rozenhouten

meubeltjes en de vieux roze moiré cauzeuses met de drie, vier groote

passen, waarmeê hij de nauwte van het vertrekje telkens en telkens

scheen over te meten. Achter de chaise-longue brandde op een onyxen

zuil eene lamp van onyx, onder hare kanten kap zacht gloeiend als eene

groote, zeshoekige lichtbloem.

Mevrouw was nog bij de jongens, die juist naar bed gingen, had de meid

tot Van Attema gezegd en het speet hem zijn petekind, den kleinen Dolf,

dien avond niet meer te zullen zien; hij had reeds even naar boven

willen loopen om met Dolf in zijn bedje te stoeien, maar ook had hij

zich aanstonds Cecile's verzoek herinnerd, dit toch nooit meer te doen;

de jongen bleef uren wakker liggen na zoo een gedartel met oom. En

hij wachtte dus nu, met een glimlach om die gehoorzaamheid, zijne

schoonzuster af, steeds metende den kleinen salon met zijn pas van

een stevig, kort man, ineengedrongen en breed, niet jong meer en wat

ivoorachtig kalend onder zijn kort, donkerblond haar, zijne oogen

klein-vriendelijk en prettig blauw-grijs, zijn mond beslist flink,--al

glimlachte hij ook--in het rossige gekroes van zijn korten Germaan-baard.

Een houtblok brandde met een paar kronkeltongen in het baardje van

nickel en verguld, als een vuurtje van stille intimiteit, als eene

vlam van discretie, in die schemeratmosfeer van, met kant gedekt,

lampeschijnsel en intimiteit, discretie verspreidden ook door geheel

het nauwe vertrekje iets als een aroom van viooltjes, eene nuance van

viooltjes-geur, die school in de zachtheid der tinten van behang en

meubelen,--fletsch roze moiré en rozehout,--die hing in het hoekje der

kleine rozehouten schrijftafel, met hare enkele zilveren zaakjes om te

schrijven en hare portretten in gladde, glazen Mora-lijstjes; een

kleine, witte, Venetiaansche spiegel daar boven. En die zachte lucht van

bescheiden exquiziteit, vol gedemptheid, teederheid, kuischheid bijna,

die dreef tusschen het haardje, de schrijftafel en de chaise-longue, die

gleed tusschen de stille plooien der geëffaceerde behangsels, hield iets

in, dat rust gaf aan zenuwachtigheid, zoodat Dolf, in eens, zijn stap

van meten staakte, zitten ging, om zich heen zag en, eindelijk, stil,

turen bleef op het portret van Cecile's man, den minister Van Even, die

anderhalf jaar geleden gestorven was.

Toen duurde het wachten hem niet meer lang, tot Cecile binnenkwam. Zij

trad glimlachend naar hem toe, waar hij oprees, drukkend zijne hand,

zich verontschuldigend, dat de kinderen haar hadden opgehouden. Zij

bracht ze altijd zelve naar bed, hare twee jongens, Dolf en Christie,

en ze zeiden dan naast elkaâr, in hunne ledikanten naast elkander, hunne

gebedjes op. Dolf herinnerde zich nu, dat zij over de kinderen sprak,

dit dikwijls gezien te hebben.

--Christie was niet wel, hij was zoo hangerig; als het maar geen mazelen

worden, sprak zij.

Er was eene moederlijkheid in hare stem, maar zelve was zij niet als

eene moeder, jonkvrouwelijk tenger als zij daar nu zat, op de

chaise-longue, den zachten gloed der kanten lichtbloem op stengel van

onyx achter zich, zijzelve zwart in het krip van haren rouw, haar

dof-blond hoofd hier en daar heel eventjes aangegoud door het licht

van achteren. In dat krip--een los sleeptoilet van krip, voor in huis

--vertengerde zich hare gestalte als tot die van een maagd; zoó

teeder verbogen zich de lijnen van heur ietwat langen hals en dunne

schouders--de armen met iets looms in beweging neêrvallend, de handen

in den schoot--verbogen zich ook de lijnen der meisjesachtige jeugd van

buste en fijnen leest, fijn als eene vaas van tengerheid, en alle, die

lijnen, boetseerden haar bijna in een, nog wachtenden, bloei van

maagdelijkheid, of zij geene jonge vrouw ware, of zij niet hare kinderen

had, hare twee jongens, van zes en zeven.

Haar gelaat was weggedoezeld in de schaduw--het lamplicht guldende om

heur haar--en Dolf zag haar eerst niet in de oogen, maar toen, zich

wennende aan die schaduw, bespeurde hij haren blik, zacht schitterend in

het donker van heur gelaat. Zij sprak met hare stem van zachten klank,

een beetje dof en gedempt, als een overwaasd fluisteren; zij sprak hem

nog eens over Christie, over zijn petekind, Dolf, vroeg toen naar hare

zuster, Amélie.

--We maken het goed, dank je; je mag wel eens naar ons vragen, we zien

je bijna nooit, antwoordde hij.

--Ik ga zoo weinig uit, verontschuldigde zij zich.

--Dat is juist verkeerd: je komt veel te weinig in de lucht en veel te

weinig onder de menschen. Amélie zei dat van middag ook aan tafel, en

daarom ben ik eens aangeloopen om te vragen of je morgenavond bij ons

komt.

--Een soirée?

--Niemand.

--Goed; ik zal komen met heel veel plezier zelfs.

--Ja maar, waarom doe je dat nooit uit jezelve?

--Ik kom er niet toe.

--Wat voer je dan 's avonds uit?

--Ik lees, ik schrijf, of ik doe niets. En dat laatste is nog het

heerlijkste: ik leef pas als ik _niets_ doe.

Hij schudde zijn hoofd.

--Je bent een rare meid. Je verdient eigenlijk niet, dat we zooveel van

je houden.

--Hé ja! vroeg zij coquet.

--Kom, het kan je niets schelen. Je zoû even goed buiten ons kunnen.

--Dat moet je niet zeggen, dat is niet zoo. Ik heb heel veel behoefte

aan je sympathie, maar ik verplaats me moeilijk. Als ik eenmaal zit, dan

zit ik en dan denk ik of ik denk niet, maar tot opstaan kom ik dan niet

gauw ...

--Dat is een schandelijke luie levensopvatting!

--Het is de mijne! Je houdt immers van me: vergeef je me die luiheid dan

ook niet? Vooral als ik beloof morgen te zullen komen?

Hij was ingepalmd.

--Nu goed! sprak hij lachend. Je bent natuurlijk vrij te leven, zooals

je wilt. We houden tóch van je, al verwaarloos je ons.

Zij lachte, zei, dat hij leelijke woorden gebruikte en langzaam stond

zij op, om hem aan hare kleine theetafel zijn kopje in te schenken. Hij

voelde iets als eene streelende zachtheid over zich heen komen, als zoû

hij daar gaarne lang gezeten hebben, pratend en thee-drinkend, in die

viooltjes-atmosfeer van bescheiden exquiziteit: hij, de man van de daad,

de staatsman, lid van de Tweede Kamer, wiens dag uur aan uur bezet was,

met commissies hier en commissies daar.

--Je zei, dat je las en schreef; wat schrijf je? vroeg hij.

--Brieven.

--Altijd brieven?

--Ik hoû heel veel van correspondeeren. Met mijn broêr en mijn zuster in

Indië.

--Maar toch niet altijd.

--O neen.

--Wat schrijf je dan nog meer?

--Je wordt indiscreet, hoor! lachte zij.

--Nu kom, ik! lachte hij terug, als mocht hij wel. Toch geen belletrie?

--Wel neen. Mijn dagboek.

Hij lachte luid, vroolijk op.

--Jij een dagboek! Wat zal jij met een dagboek doen! De eene dag zal je

wel precies gelijk aan den andere zijn.

--Maar wel neen!

Hij haalde zijne schouders op, den kluts kwijt. Zij was hem altijd een

raadsel. Zij zag dat en had er schik in hem te laten zoeken.

--Ik heb soms heele mooie dagen, en soms heele leelijke dagen.

--Zoo! sprak hij, haar lang aanziende, glimlachend, met de

vriendelijkheid zijner kleine oogen. Begrijpen deed hij nog niet.

--En daardoor heb ik soms heel veel te schrijven, in mijn dagboek, ging

zij voort.

--Mag ik er eens wat uit lezen?

--Jawel ... na mijn dood.

Hij deed of hij rilde, met zijn breede schouders.

--Brr ... wat wordt je somber!

--Dood? Waarom is dat somber? vroeg zij, bijna vroolijk.

Maar hij stond op.

--Je maakt me bang, schertste hij. Ik stap op, hoor; ik heb nog veel te

werken. Dus tot morgen?

--Heel graag: tot morgen.

Hij gaf haar een hand, en zij sloeg op een kleinen zilveren gong, om hem

uit te laten. Even bleef hij haar nog aanzien, met een glimlach in zijn

baard.

--Je bent een rare meid, en toch ... toch hoûen we van je! herhaalde hij,

alsof hij zich, voor zichzelven, wilde verontschuldigen om die

sympathie. En hij boog zich neêr, gaf haar een zoen op het voorhoofd:

hij was zooveel ouder dan zij.

--Ik ben heel blij, dat jullie van me houden! sprak zij. Tot morgen dus,

adieu.

Hij ging, zij bleef alleen. Als atomen, die vervlogen, schenen hunne

woorden nog hier en daar te drijven in de stilte. Toen werd die stilte

volkomen en Cecile bleef roerloos zitten, leunende in de drie kussentjes

der chaise-longue, zwart in haar krip, als eene schaduw tegen het licht

der lamp, de oogen voor zich uit turend. Om haar heen zonk een vage

droomerij neêr, als met lichte wolkjes, waarin gezichten even

opgluurden, waaruit gezegden zacht afklonken, zonder logischen gang, in

een doelloos warrelen van herinnering. Het was de droomerij van eene,

wie geene obsessie van wat ook op de hersens licht, obsessie noch van

geluk, noch van smart, droomerij van een geest vol stille lichtheid, als

vol van een wijd, stil grijs Nirwana, waarin alle moeite des denkens

vervloeit en de gedachte slechts wat terug-dwaalt over indrukken van

vroeger, ze plukkende hier en daar, zonder keuze. Want de toekomst voor

Cecile scheen haar eene eentonige zachtheid van onberoerde kalmte toe,

waarin de figuurtjes van Dolf en Christie opgroeiden tot aardige

jongens, tot jonge studenten, tot mannen en waarin Cecile zelve niets

dan moeder bleef, omdat zij zich niet geheel kende in het onbewuste van

haar gemoedsleven en niet wist, dat zij meer vrouw was dan moeder, hoe

lief ze ook hare kinderen had. Voelde zij, verzonken in de wolkjes van

haar gedroom, dat zij iets miste om hare verweduwing; voelde zij

eenzaamheid om zich heen, voelde zij, dat er niemand naast haar zat, en

dat de ijle lucht zonder weêrstand van vast lichaam om haar heen dreef

als iets, waarin zij te vergeefs hare armen tot omhelzing zoû slaan?

Neen, zij voelde dat niet, hoewel dit gevoel toch in haar lag, maar het

lag zóo diep, zoo in het onbewuste van hare ziel, dat het niet tot haar

kwam, mocht het misschien later ook langzamerhand kunnen op- en oprijzen

als eene schim van duidelijker weemoed. Want wat er ook van weemoed was

in haar gedroom, scheen haar toe: de weemoed om het verleden, om haar

lieven man, dien zij verloren had en niet, o nooit! de weemoed om het

heden, om hare eenzaamheid.

Wie haar nu gezegd had, dat zij iets miste, zoû haar verontwaardigd

hebben; zelve meende zij, dat niets haar ontbrak, en zij waardeerde het

kalme geluk, waarin zij, als in een schadeloos egoïsme, ademde met hare

kinderen, als een geluk, dat compleet was. Wanneer zij droomde, zooals

nu, over niets--wolkjes van gedroom, die vervlogen, nagewolkt door

nieuwe wolkjes--dan begonnen er wel eens groote tranen te wellen in hare

oogen, tranen, die langzaam afvloeiden van hare wang, maar ze waren haar

niets dan tranen van een onzegbaar vagen weemoed: een zachte zwaarte op

heur hart, die nauwlijks drukte en daar was om zij wist niet wat, zelfs

niet om haren man om wien zij niet meer weende.

Zoo kon zij avonden doorbrengen, alleen maar zittende en droomende,

zonder zich te vervelen, en bedenkend, hoe de menschen daarbuiten

draafden en zich vermoeiden in vele nutteloosheid, zonder gelukkig te

zijn, terwijl zij het was; gelukkig in het gewolk van haar gedroom. De

uren gingen voorbij en hare hand was te loom om het boek op het tafeltje

naast haar te grijpen: eene loomheid, die haar zoo ten laatste geheel en

al doorvloeide, dat het één uur werd en zij nog niet kon besluiten op te

staan en te gaan slapen.

Extaze: Een Boek van Geluk · 第 6 / 40 题