Honi soit, qui mal y pense. [1]

Daaronder stond heel klein geschreven:

„Ribbon-men”.

Hij nam den band op en stak hem bij zich.

Toen verliet hij het huis.

Buiten hing een schild voor de deur, waarop stond:

Madame de Vales.

Raffles ging heen.

„Vervloekt,” zei hij, „die er slecht over denkt”, en spoedde zich naar

Gerard Street.

Na eenig zoeken had hij het huis gevonden, waarin mrs. Forester woonde

met haar zoon.

Hij wilde zien of de jongen waarheid had gesproken.

Lord Lister ging de trap op en klopte aan de deur, waarop een

visitekaartje hing, met den naam

Alice Forester.

Toen geen antwoord volgde, ging hij zoo maar binnen.

Hij zag een vrouw van ongeveer vijf-en-dertig jaren, die nog schoon kon

worden genoemd.

Zij lag midden op den grond, temidden van een grooten bloedplas en nog

steeds vloeide het bloed uit de gapende wonde, die haar door een

scherpe dolk aan den hals scheen te zijn toegebracht.

Raffles balde de vuisten en wankelde naar de deur terug.

Zelfs zijn stalen zenuwen waren niet bestand tegen zóóveel misdadigs

als hij in de laatste uren had gezien.

Hij beheerschte zich en knielde naast het lichaam neer, om te

onderzoeken, of alle leven nog niet was geweken.

Hij kreeg hierbij verscheiden bloedvlekken aan zijn kleeren, en moest

helaas constateeren, dat de levensgeesten van de ongelukkige reeds

geweken waren.

„Waarom zou de vrouw vermoord zijn?” vroeg Raffles zich af. „Wie zou er

belang bij hebben gehad, haar van het leven te berooven? Wat had die

ongelukkige gedaan, dat haar een dergelijk lot moest treffen?”

Terwijl Raffles nog stond te peinzen, ging de deur open en trad de

jongen binnen, dien hij dien nacht verrast had bij de inbraak.

Toen hij het lijk zag, werd hij doodsbleek en in het volgende oogenblik

richtte zich zijn oogen in waanzinnige woede op den lord.

Hij vloog naar de tafel, greep een mes en wilde zich op den vermeenden

moordenaar werpen, maar voor diens revolver deinsde hij achteruit.

„Laat dat wapen rusten, jongen. Ik ben Raffles, en Raffles is geen

moordenaar!”

De jongen herkende nu den rechercheur van den afgeloopen nacht.

„Waar ben je van nacht geweest?” vroeg Lord Lister hem.

„Ik was thuis”.

De jongen snikte hevig.

„Heb je geen vermoeden, wie je moeder vermoord kan hebben?”

„Neen, dat heb ik niet!”

Lord Lister opende laden en kasten en haalde brieven te voorschijn,

waaruit hij de levensgeschiedenis der ongelukkige vrouw las.

Plotseling vroeg hij:

„Ken je Sir Woorman?”

„Ik heb wel eenigen tijd in zijn fabriek gewerkt, anders weet ik niets

van hem”.

Lord Lister knikte.

Was het niet merkwaardig, dat deze vrouw brieven van Woorman bewaarde,

die al zeventien jaren oud waren.

Hij verliet het huis en een bitter lachje speelde om zijn lippen.

Hij ging naar een telephoon-bureau en vroeg aansluiting met den

inspecteur van recherche Baxter, in Scotland Yard.

Het volgende gesprek werd gevoerd:

„Hier Baxter!”

„Hier Raffles!”

„Hè?”

„Maak je geen flauwe grapjes!”

„Flauwe grapjes worden doorgaans alleen door de politie gemaakt. In

Gerard Street no. 17 ligt een lijk. Mrs. Forester is vermoord. Ge ziet

dus, dat het heel wat beter zou zijn, als ge wat meer werk gingt maken

van de moordenaars, die in Londen rond loopen, en wat minder tijd

verspildet om mij op te sporen!”

„Een lijk, zeg je? En dat hebt gij ontdekt? Wat doet ge in Gerard

Street? Waar zijt ge nu?”

„Ik ben op het oogenblik in een telephoon-automaat, vijf minuten

ongeveer van Gerard Street verwijderd. Als ge hier komt, mijn

allerbeste Baxter, zult gij mij niet meer vinden! Maak je daaromtrent

vooral geen illusies. Maar je zult vandaag nog wel meer te doen

krijgen! In de Pall Mall Street No. 29, tweede verdieping links, zijn

twee lijken gevonden van een dame en haar dienstmeid!”

„Je houdt ons voor de mal!”

„Geen kwestie van!”

„Drie lijken in één nacht?”

„Is dat dan zoo’n wonder, inspecteur, als gij den heelen nacht

verslaapt? Ik heb u toen al eens meer gezegd, Baxter, dat ge niets

gemeen hebt met een inspecteur der recherche—als uw uniform.

„Als ik inspecteur was, moest gij geen Raffles zijn! Daar ik er echter

maar al te goed van overtuigd ben, dat gij den moordenaar van mrs.

Forester tòch niet zult vinden, deel ik u thans mee, dat ik u den kerel

binnen vier-en-twintig uren zal bezorgen. Bonjour!”

Raffles hing den microphoon op.

Met een vloek keerde Baxter zich om.

„Die Raffles!” schreeuwde hij.

Hij hief de handen ten hemel.

„Die Raffles! Raffles als detective! ’t Is belachelijk! Hij wil Londen

van de moordenaars zuiveren! Hij wil de lui opsporen, die mij door de

vingers glippen! De duivel moge hem halen!”

Nadat hij op deze wijze zijn woede wat had gelucht, beval hij drie

detectives, hem per fiets te volgen.

In razende vaart ging het nu naar het telephoonstation bij Gerard

Street.

„Hebt ge Raffles gezien?” vroeg de inspecteur den beambte, die de

telephooncel bewaakte.

„Raffles?”

„Ja—Raffles.”

„Geen spoor van te bekennen!”

„Hij was een kwartier geleden hier!”

„Och kom!”

„’t Is inderdaad waar!”

„Ah! Ge meent toch niet dien eleganten jongen man, die getelephoneerd

heeft?”

„Ja, dien bedoel ik!”

„Maar die is al lang weg! Een nette kerel hoor, als hij Raffles is,

verduiveld netjes!”

De inspecteur verdween stampvoetend.

Vijf minuten later was hij in de woning van mrs. Forester aangeland.

De jongen die daar zat, stond op met somberen, vijandigen blik.

„Daar is de kerel, die den moord gepleegd heeft!” schreeuwde de

inspecteur.

„Hoe kom jij hier? Wat heb je hier te doen? Gauw—antwoord—niet eerst

bedenken!”

„Hoe ik hier kom?” antwoordde de jongen met een verachtelijk lachje.

„Meent ge soms, dat de dood van mijn moeder mij onverschillig laat?”

„Is de doode je moeder?”

„Ja!”

„Dat verandert niets aan de zaak. Waar ben je vannacht geweest?”

„Weg!”

„Waarheen?”

„Ik antwoord niet op die dwaze verdachtmaking! Ik was niet thuis en kan

dus niet de moordenaar zijn van mijn moeder!”

„Dat komt uit! Bewijs dan je alibi! Waar ben je vannacht geweest?”

„In de— —”

Hij zweeg.

Zou hij vertellen, dat hij bij Sir Woorman had ingebroken? En dat hij

was ontsnapt door de raadselachtige tusschenkomst van den detective?

Hij zweeg nog altijd.

Maar Baxter maakte niet vele complimentjes.

Hij liet den jongen binden en naar het bureau brengen.

En de verdenking, die door Baxter op den armen jongen was geworpen,

werd nog verzwaard, toen een banknoot van honderd pond op hem werd

gevonden, van welks herkomst hij niets kon zeggen.

Raffles zat in een café, teen hij hoorde, dat de jongen gearresteerd

was.

„Dat dacht ik wel”, mompelde hij.

Hij riep een cab aan en beval te rijden naar advocaat Smith, Regent

Street.

Tien minuten later hield het rijtuig stil.

De advocaat was een man van ongeveer twee-en-dertig jaren.

In zijn studeerkamer hing een geur van parfum.

Lord Lister vroeg hem:

„Ge zijt immers de advocaat van Sir Woorman?”

„Ja!”

„Gij staat bekend als een bekwaam rechtsgeleerde. Ge hebt zeker

gelezen, dat de jonge Forester in hechtenis is genomen als verdacht

zijn moeder te hebben vermoord.”

Mr. Smith kleurde even, toen hij dien naam hoorde.

„Zeker!” sprak hij toen.

„Ik hoop, dat ge bereid zijt de verdediging van den armen knaap op u te

nemen. Meer nog, dat ge alle pogingen in het werk zult stellen om hem

terstond op vrije voeten te krijgen!”

De advocaat keek zijn bezoeker aan met groote oogen.

„En waarom dat, als ik u vragen mag?”

„Omdat hij onschuldig is!”

„Weet ge dat zeker?”

„Anders zou ik niet bij u zijn gekomen!”

„Ik ken den jongen en ik houd niet van hem! Ik zal hem dus niet

verdedigen!”

„Is dat de eenige reden om den armen jongen in den steek te laten?”

„En bovendien verdedig ik alleen hen, die mij betalen!”

„Hoeveel verlangt ge?”

Mr. Smith dacht even na.

Toen sprak hij opnieuw: „Ik verdedig den jongen niet!”

„Dan hebt ge een andere reden!”

„Misschien.”

„In ieder geval geen eerlijke reden, mr. Smith. Uw houding komt mij

zeer twijfelachtig voor!”

De advocaat was opgesprongen. Hij strekte zijn hand naar de schel uit,

die de werkkamer met het kantoor verbond.

Maar even vlug had Raffles zijn hand teruggeslagen.

„Wij hebben geen getuigen noodig”, sprak lord Lister. „Vindt ge niet

dat ge eenige gelijkenis met mij hebt? Men zou u licht met Raffles

kunnen verwarren!”

„Raffles? Zijt gij Raffles?”

„Dat ben ik!”

„Help! Help!—!”

„Zwijg”, stoof lord Lister op.

Hij was plotseling veranderd.

Recht en strak stond hij voor den advocaat.

Doordringend rustte zijn oog op zijn tegenstander, zóó vast, als wilde

hij hem doorboren.

De advocaat werd als het ware gebiologeerd door die groote, zwarte

oogen en zijn opgeheven rechterarm viel slap neer.

„Neem uw hoed en jas”, beval de meesterdief.

Werktuigelijk gehoorzaamde de advocaat.

De groote onbekende verloor hem geen seconde uit het oog.

Voor het eerst sinds geruimen tijd maakte hij weer eens gebruik van de

geweldige macht, die hij oefende over andere personen.

Hij maakte er gebruik van......

En mr. Smith werd als het ware verlamd. Hij kwam geheel en al onder den

invloed van den man, die als een standbeeld daar tegenover hem stond.

... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ...

... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ...

Een half uur later vroeg een elegant gekleed heer op Scotland Yard om

inspecteur Baxter te spreken.

Dit geschiedde.

„Mijn naam is Smith”, stelde zich de bezoeker voor.

Baxter boog.

„Ik ben advocaat en woon in Regent Street!”

Baxter boog opnieuw.

„Waarmee kan ik u van dienst zijn?”

De advocaat ging zitten.

„Waar is op dit oogenblik de jonge Harry Forester?” vroeg hij.

„Hij is nog hier in Scotland Yard, mr. Smith!”

„Zoo. Wilt ge den jongen eens hier laten komen? Ik zou hem een en ander

willen vragen, daar ik er van overtuigd ben, dat hij onschuldig is!”

Baxter glimlachte.

„Ge wilt hem zeker verdedigen, mr. Smith!”

„Ja, dat wil ik!”

„Dat zal geen dankbare taak zijn, mr. Smith.”

„Dat is mijn zaak, inspecteur!”

Harry Forester werd voorgebracht.

De rechercheur, die hem had binnengeleid, bleef rechts van hem staan.

Mr. Smith hield de deur scherp in het oog en wisselde eenige

onbeduidende woorden met Harry Forester.

Plotseling sprong hij op, gaf den rechercheur met beide vuisten een

stomp voor de borst, deed de deur open en zei tot Harry Forester:

„Maak je uit de voeten, jongen!”

De jongen liet het zich geen twee keer zeggen.

In een oogenblik was hij den hoek om.

Er ontstond nu een hevige worsteling tusschen den inspecteur en den

advocaat, die den jongen op deze manier gelegenheid had gegeven, zich

uit de voeten te maken.

De rechercheurs kwamen den inspecteur ter hulp en mr. Smith werd

geboeid.

Baxter keek hem scherp aan en plotseling riep hij uit:

„Maar dat is Raffles!”

„De gelijkenis is mij al dadelijk opgevallen”, sprak een der

rechercheurs.

„Natuurlijk is het Raffles!” zei Baxter, „wij hebben hem dan eindelijk

te pakken!”

De geboeide had zich opgericht.

„Ge vergist u, heeren”, sprak hij, „ik ben wel degelijk advocaat

Smith!”

„Neen maar, die is goed, hij zegt dat hij advocaat Smith is,” klonk het

uit veler mond.

„Ik wensch dadelijk in vrijheid te worden gesteld, ge wilt toch zeker

niet, dat ik u aanklaag?”

„Speel toch niet zoo’n komedie, Raffles, wij kennen die streken,” sprak

Baxter.

„Maar ik ben Smith!”

Baxter ging naar de telephoon.

„Nummer 9763, juffrouw! Spreek ik met advocaat Smith? Hier is iemand,

van wien ik vermoed, dat hij Raffles is. Hij beweert mr. Smith te zijn.

Een oplichter, nietwaar? Juist. Dank u zeer, mr. Smith!”

Baxter draaide zich om en sprak tot den geboeide:

„Speel nou maar niet langer dat spelletje!”

„Maar ik ben Smith,” beweerde de gevangene nogmaals. „Weet u, wat het

geval is,” begon hij plotseling, „die kerel, die daar op mijn bureau

zit, is Raffles, maak er vlug werk van, inspecteur, ik verzeker u, dat

u een goeden slag zult slaan!”

Baxter lachte hartelijk.

„Wil je mij er weer in laten loopen, Raffles? Neen, mannetje, ditmaal

lukt het je toch niet!”

De gevangene schreeuwde, brulde, raasde en tierde, maar het gaf hem

geen zier. Hij werd in een cel opgesloten.

Mr. Smith zat intusschen op zijn bureau in Regent-street.

Dit was echter niet mr. Smith, maar Raffles, de groote onbekende, die

op zijn doode gemak een sigaar had aangestoken.

Wat was dat allemaal prachtig mooi gegaan!

Hij had mr. Smith gesuggereerd, dat deze in zijn plaats naar Scotland

Yard zou gaan om den gevangen genomen Harry Forester vrij te

krijgen—desnoods met geweld.

Lord Lister had hem gezegd, hoe hij het moest aanleggen.

Daar ging de telephoon.

Het was Baxter, die inlichtingen vroeg.

Toen schelde hij een klerk—allen hielden hem voor mr. Smith, op wien

hij sprekend geleek—en liet zich eenige akten omtrent Sir Woorman

geven, die hij ging bestudeeren.

Daar kwam opnieuw een klerk binnen.

„Sir Woorman wenscht u te spreken, mr. Smith!”

„Laat binnenkomen.”

Sir Woorman kwam binnen.

Hij keek den advocaat niet aan, sloot de deur en ging voor de

schrijftafel zitten met breed gebaar.

„Mr. Smith,” begon hij, „ge zijt mijn vriend. Dat leek tenminste zeven

jaren zoo! Maar ge zijt mijn vriend niet. Ge zijt een schoft en

verdient het, uit onze club gegooid te worden.”

Raffles toonde zich zeer verbaasd.

„Wat is er, sir Woorman? Wat scheelt u?”

De Ier werd rood van woede.

„Vraagt ge dat nog? Hebt ge mij niet beloofd die vervloekte zaak met

mrs. Forester uit den weg te ruimen en nu gaat ge haar zoon

verdedigen?”

„Wie heeft u dat verteld?”

„Dat staat in de kranten. Ik wil het niet hebben, mr. Smith, ge moogt,

ge zult dat niet doen, verstaat ge?”

„Ik denk er niet aan!”

„Maar heb ik u daarvoor tot dusverre tienduizend pond uitbetaald?”

„Ik verlang op staanden voet nóg vijfduizend pond.”

„Ge zijt zot! Wilt ge mij dan al mijn geld ontrooven? Geen penny kan ik

meer geven!”

De zoogenaamde advocaat haalde de schouders op.

„’t Spijt me, sir Woorman—geen penny minder!”

Sir Woorman dong weer af.

Maar Smith bleef onvermurwbaar.

Eindelijk legde Woorman vijfduizend pond op tafel.

„Dat is het laatste wat ik bezit!” sprak hij.

„Dat is niet waar, sir Woorman. Maar in ieder geval heb ik nu genoeg

los gekregen; vijfduizend en vijfduizend is tienduizend.”

„Wat bedoelt ge daarmee?”

„Dat ik uw brandkast vannacht wat lichter heb gemaakt.”

Woorman verschoot van kleur.

Plotseling schreeuwde hij uit: „Ge zijt Raffles!”

„Ja, ik ben Raffles!”

Woorman wilde zich op den lord werpen.

Lord Lister hield hem een revolver onder den neus.

„Niet van uw plaats af!”

Met deze woorden legde lord Lister het wapen op de tafel.

Zijn tegenstander, bleek van schrik, zonk terug in den leuningstoel.

Woorman volgde echter nog elke beweging van den meesterdief.

Plotseling sprong hij overeind, greep bliksemsnel de revolver en hield

deze voor Raffles’ neus.

„Op je knieën, ellendeling, je bent mijn gevangene!”

Raffles lachte.

Hij lachte onbedaarlijk.

„Maar Sir Woorman, maak alsjeblieft niet zoo’n geweldige drukte voor

niets! Het wapen is immers niet geladen!”

In hetzelfde oogenblik werd op de trap groot lawaai vernomen.

Even daarna kwam Baxter binnen met een inspecteur en mr. Smith in hun

midden.

„Daar is de ellendeling,” riep Baxter uit, „vooruit jongens, knevelt

hem!”

Mr. Smith echter, de advocaat, die zijn identiteit bij den commissaris

van politie had kunnen bewijzen, schreeuwde, schuimbekkend van woede:

„Mijnheer, gij—gij hebt u zóó iets durven veroorloven? Zijt gij dan de

levende duivel?”

In het eerste oogenblik van het tumult, toen Raffles, afgesloten van

elke mogelijkheid tot vluchten, vier verdiepingen hoog in een mooi

huis, reeds verloren scheen, was de groote onbekende met een enkelen

sprong van de schrijftafel naar den hoek van de kamer gevlogen, zoodat

hij in datzelfde oogenblik een afstand tusschen zich en den detective

had gebracht.

In hetzelfde oogenblik had hij iets in de hand, dat op den eersten blik

niemand kon onderscheiden.

„Terug!” riep Raffles uit, „bij den eersten stap, dien ge doet, zijt ge

een kind des doods!”

Lord Lister’s oogen waren onnatuurlijk groot geworden.

Dreigend, met opgeheven armen stond hij daar.

Niemand waagde het, zich te verroeren.

„Wees toch verstandig, Raffles”, waagde Baxter op onrustigen toon er

tegen in te voeren. „Dat dient immers nergens voor. Je bent nu toch

eenmaal in mijn macht, wees nu bedaard en wijs en geef je over, dat is

je geraden in je eigen belang.”

Nog wijder openden zich de oogen van den lord, nòg vaster werden zijn

lippen op elkander geperst.

„Geen stap, zeg ik!” riep hij nogmaals uit, terwijl hij inwendig

schaterlachte als iemand, die, in volle vertwijfeling in het nauw is

gedreven en nu voor niets en niemand meer terugdeinst.

„Denk er aan, inspecteur, als ge nog één stap doet, laat ik u allen

samen in de lucht vliegen.”

Hij stond daar, de armen dreigend opgeheven.

Niemand waagde het, te antwoorden.

Aller blikken hingen aan lord Lister’s lippen.

Ook Smith was paf.

Ook hij kon niet antwoorden.

Baxter maakte een gebaar, dat hij Raffles wilde naderen, maar deze hief

wederom de hand op.

„Pas op, inspecteur, pas op, of ge zijt een kind des doods en leg nu

het geld op de schrijftafel neer, mr. Smith, leg het dadelijk neer.”

Sidderend gehoorzaamde de advocaat.

Raffles nam het geld en trok zich ruggelings naar de deur terug,

waarachter hij verdween.

Toen trachtte Baxter nog een laatste poging te wagen.

Hij vloog naar de deur en wilde die open duwen.

Reeds strekte hij de handen naar Raffles uit.

Deze hield een zwart voorwerp in de hand en ontstak nu vliegensvlug een

lucifer.

Het was voor Baxter slechts een kleine moeite geweest, dezen lucifer te

dooven, maar de inspecteur dacht niet anders, of in het volgende

oogenblik zou het heele huis in de lucht vliegen.

Hij tuimelde achteruit.

In hetzelfde oogenblik geschiedde iets wonderlijks.

De groote onbekende was plotseling in rook en damp gehuld. Men zag hem

niet meer.

Maar van de plaats, waar hij stond, schoot een gloeiende vonkenregen

naar Baxter over en de aanwezigen stonden midden in een sissende massa,

die hen doodelijk verschrikte.

Baxter was vol ontzetting op den grond gevallen.

Smith stiet een geweldigen angstkreet uit en viel eveneens ter aarde,

niet anders denkende, of hij moest den dood in de vlammen vinden.

Eensklaps hield de vonkenregen op. Baxter kroop overeind en ook de

anderen stonden spoedig weer op hun voeten.

De inspecteur onderzocht nu, wat allen zulk een doodschrik op het lijf

had gejaagd en verwoed riep hij uit:

„Raffles heeft ons allen met een raket voor den mal gehouden; zoo’n

aartsschurk!”

De rechercheurs stonden beschaamd het heele geval aan te zien.

Toen zij Raffles wilden gaan opzoeken, was deze natuurlijk al lang niet

meer te zien.

Baxter en Smith scholden elkander uit voor alles, wat leelijk was, en

verweten elkaar wederkeerig hun laffe aanstellerij.

Toen Baxter beweerde, dat Raffles nog wel kon worden ingehaald was het

te laat.

... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ...

... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ...

Raffles intusschen had niet stil gezeten.

In allerijl had hij zich gespoed naar het kantoor van mr. Smith, waar

alle klerken aan het werk waren.

Hij bootste de stem van den advocaat na en riep:

„Mr. Brown!”

„Mr. Smith?”

„Sluit de brandkast eens open!”

Raffles zag tienduizend pond voor zich liggen.

Een oogenblik aarzelde hij.

„Hoeveel hebt ge noodig om morgen de salarissen uit te betalen. Het is

dan toch de eerste, niet waar?”

„Honderd vijftig pond!”

„Juist; honderd vijftig pond.

„Ge hebt in den laatsten tijd bijzonder goed uw best gedaan, ik betaal

u allen een salaris uit van zes maanden!”

De klerk zag den vermeenden advocaat met dankbaren blik aan.

Raffles legde een banknoot van duizend pond op tafel, stak de andere

negen in zijn zak en ging heen.

Toen de werkelijke advocaat een heelen tijd later met Baxter op het

kantoor kwam, was het geld verdwenen en de dief gevlogen.

Baxter sloeg zich met de vuist voor het voorhoofd.

„Die Raffles is de eerste nagel aan mijn doodkist”, mompelde hij, „ik

zal het niet lang meer maken op zoo’n manier!”

Met woedend gebaar keerde Smith zich tot den inspecteur van de

recherche.

„Na wat ge vandaag gepresteerd hebt, kunt ge u gerust laten begraven”,

beet hij hem toe.

Lord Lister No. 0003: De Ridderordendiefstal in het Koninklijk Paleis · 第 8 / 16 题