„Ik dacht het wel! Dat is dus de brandkast”, fluisterde hij.
Hij deed verscheiden vergeefsche pogingen om ook deze te openen.
Toen haalde hij uit zijn zak een zoogenaamden brandsnijder te
voorschijn.
Het instrument was ongeveer zestig centimeter lang en bevatte door een
bijzondere inrichting een hoeveelheid gas, waardoor een vlam van
buitengewone hitte kon ontwikkeld worden. De verbinding van zuurstof en
acetyleen bracht een warmte van meer dan zevenduizend graden Celsius te
voorschijn.
Zoo’n temperatuur kon zelfs de beste pantserplaat niet verdragen.
Het middel, dat White thans aanwendde om de brandkast door te smelten,
was door Raffles al herhaalde malen toegepast.
Na vijf minuten was het werk volbracht.
De brandkast was geopend en met de grootste onverschilligheid, als ging
de heele zaak hem niets aan, haalde White den inhoud uit de kast.
Er was ongeveer vijfduizend pond in.
Honderd pond legde White weer in de kast, stak het overige bij zich en
bekeek bij het schijnsel van zijn electrische lantaarn een groote
brieventasch, die tusschen de banknoten verborgen had gelegen.
Er was een afscheidsbrief in van een liefje en een geknipt stuk uit een
krant.
Plotseling zag White, dat er een bloedvlek op den brief was.
Hij las de uitgeknipte advertentie.
Deze luidde:
„Wij houden ons aanbevolen voor zaken van allerlei aard en
verzoeken u om ons te begunstigen, opdat wij in de allereerste
levensbehoeften zullen kunnen voorzien.
„Alice Forester en haar zoon, Gerard Street, Londen N.”
White haalde de schouders op en stak beide papieren bij zich.
Toen ging hij doodkalm terug naar de studeerkamer.
„Waar ben je geweest”, vroeg Baxter.
„Ik heb een rondgang gemaakt om mij te overtuigen, dat Raffles nog
nergens geweest is.” Toen loste hij den inspecteur af, die op de sofa
ging liggen en vijf minuten later in diepen slaap verzonken was.
White keek op zijn horloge.
„’t Is één uur”, fluisterde hij, „ik heb dus nog een paar uur tijd,
want ik zou graag persoonlijk van Sir Woorman afscheid willen nemen.”
Langzaam kropen de uren voorbij.
White keek al lang niet meer naar de kamer, waarin de brandkast stond.
Hij was voor de schrijftafel gaan zitten.
Daar hoorde hij plotseling eenig gekraak.
Hij stond op en luisterde.
Waarlijk.
Buiten was een inbreker!
Een jonge, magere knaap van ongeveer zeventien jaren had een ijzeren
bout tusschen de door een looper reeds half geopende deur gedrukt en in
het oogenblik, dat White hem betrapte, ging de deur van de brandkast
open.
De jongen greep in de kast.
Maar met een gelaat, waarop de bitterste ontgoocheling stond te lezen,
trok hij zijn hand weer terug.
De brandkast was leeg.
White deed nu de deur voorzichtig open en ging de aangrenzende kamer
binnen.
De inbreker liet een zachten schreeuw hooren en keek met groote,
verglaasde oogen den rechercheur aan.
„Je bent ook niet al te dapper, mijn jongen”, sprak White op
gemoedelijken toon. „Hoe ben je binnengekomen?”
„Ik heb mij vanmiddag in de gang verborgen.”
White keek den jongen eens aan.
Hij zag er vermagerd uit en zijn holle wangen spraken van ellende.
„Waarom wou je stelen?”
„Och, het komt er nu toch niet op aan; neem mij maar mee, dan is alles
uit.”
„Kom, doe niet zoo dwaas en geef mij eens een verstandig antwoord! Hadt
je wel eens meer gestolen?”
„Neen nog nooit, het is de eerste maal.”
„Dat begreep ik. En waarom nu?”
„Omdat—omdat mijn moeder sterft als ze geen betere verpleging krijgt En
ik heb niemand als haar.”
„Hoe heet je?”
„Harry Forester.”
„Harry Forester? Waar woon je jongen?”
„In Gerard Street.”
„Zoo zoo. Dat is heel merkwaardig.”
De rechercheur haalde uit zijn zak een banknoot van honderd pond te
voorschijn.
„Ken je dat, Harry Forester? Dat zijn honderd pond; is dat vooreerst
genoeg?”
De jongen begreep niet, wat er met hem gebeurde.
Doch met energiek gebaar duwde White hem de banknoot in de hand, bracht
hem door de donkere kamer waarin Baxter sliep en sprak:
„Als een der rechercheurs naar je vraagt, moet je maar zeggen, dat je
hier thuis behoort!”
De jongen knikte.
Hij wilde den rechercheur danken; maar deze weerde hem af.
In hetzelfde oogenblik echter, dat de dief de woning wilde verlaten,
ging de deur open en trad Sir Woorman binnen.
White duwde zijn beschermeling vlug in een donkeren hoek.
Toen hij de open gebroken brandkast zag, riep hij uit:
„Ik ben bestolen! Tienduizend pond zijn gestolen! Waar is de dief? Waar
is Raffles?”
Sir Woorman snelde naar zijn studeerkamer.
De jongen had van de verwarring gebruik gemaakt, om snel te ontvluchten
en inspecteur Baxter was doodelijk verschrikt wakker geworden.
Hij stond als gebroken naast Sir Woorman.
Zoo iets was hem nog nooit overkomen.
White had toch gewaakt en als deze Raffles niet gezien had—maar White
liet den inspecteur geen tijd om verder na te denken.
Langzaam zette hij zijn helm af, daarna ham hij de wondermooie pruik
van het hoofd; kalm trok hij de uniformjas uit en, terwijl hij langzaam
zijn revolver nazag en de aanwezigen verstomd stonden van schrik, sprak
hij:
„Ik heb de eer mij aan u voor te stellen. Ik ben Raffles!”
Daarop wendde hij zich tot Baxter.
„Ik was van den aanvang af overtuigd, dat ik in Scotland Yard niets
nieuws zou kunnen leeren, maar toch dank ik u, inspecteur, voor de
moeite, die ge u gegeven hebt om mij met een en ander op de hoogte te
brengen!”
Toen wendde hij zich weer tot Sir Woorman.
„Wat kunt ge toch gemeen liegen, Sir Woorman, er heeft geen penny in de
brandkast gezeten en het zou voor Raffles niet de moeite waard geweest
zijn, om daar in te breken. Maar mijn goed gesternte heeft mij ook
ditmaal niet bedrogen. Als ge uw andere geldkast eens na wilt zien.—”
„Pakt hem beet!” brulde Sir Woorman, „pakt hem beet!”
Terzelfder tijd stoof hij ook op Raffles af.
Maar deze was op alles bedacht geweest.
Hij gaf Sir Woorman een geweldigen stomp in de maag, zoodat deze over
den grond tolde.
Toen vloog hij de gang door en rukte de deur open, achtervolgd door al
de rechercheurs.
Het was een dolle wedstrijd naar de bovenste verdieping, doch daar
aangekomen klom Raffles voor de oogen van zijn verbaasde vervolgers in
de dakgoot en liet zich vliegensvlug langs een brandladder naar omlaag
glijden.
In het volgende oogenblik was hij door de duisternis aan de oogen
zijner vervolgers onttrokken.