RECHERCHEUR WHITE.

Rechercheur White trad met een jonge dame Scotland Yard binnen en vroeg

inspecteur Baxter te spreken.

„Deze jongedame”, zei hij en hij wees op het mooie meisje, dat haar

gelaat verborg achter een dichten sluier, „is door verscheiden heeren

achtervolgd, die meenden, dat zij alle recht er op hadden, de onschuld

te belagen. Het heeft mij veel moeite gekost haar te beschermen”.

Baxter wendde zich tot de jongedame.

„Hoe heet gij?”

„Ellen Crofton!”

„Goed. En waar woont ge?”

„In Bromley”.

De inspecteur noteerde den naam dezer straat en bromde toen voor zich

heen:

„Wat kan er voor goeds komen uit Bromley!”

Toen weer tot het meisje:

„Wat doet uw vader?”

„Hij was officier bij het Indische leger, maar sinds eenige jaren

drijft hij een zaak”.

„Ge zijt dus verarmd?”

Het meisje bloosde bij die woorden.

„En vertel nu eens, White, wat is er gebeurd?”

„Ik liep door St. James Street”, begon White, „want die straat behoort

tot mijn afdeeling”.

„Het is een van onze voornaamste straten”, viel de inspecteur in. „En

verder?”

„Plotseling hoorde ik hulpgeroep. Ik ging er op af. Eensklaps werd de

deur van een huis opengerukt en dit jonge meisje vloog er uit met

doodsbleek gelaat. De duisternis was haar vervolgers gunstig en de

heeren—als de kwajongens tenminste aanspraak kunnen maken op dien

naam—”

„Houd je opmerkingen voor je, White. In St. James Street wonen alleen

voorname lieden.”

„Dat denk ik ook, inspecteur. Die schurken dus—”

„Ik heb je daar juist verteld, dat ge op een anderen toon moet

spreken”.

„Die wonderlijke heeren dan renden de straat door, grepen haar, wierpen

haar op den grond en terwijl één hunner haar den mond dicht hield,

trachtten de anderen haar weer in het huis te sleepen. Ik snelde toe en

beval hun de jongedame los te laten. De ellendelingen—ik meen de

heeren—antwoordden met een spotlach. Toen maakte ik kort proces, gooide

een paar van hen op den grond en joeg de anderen op de vlucht.

„Een van de kerels—ik meen de heeren—stiet mij zijn mes in den arm; ik

kon hem niet te pakken krijgen en hij is ontvlucht”.

„Wat was dat voor een huis, waar die geschiedenis zich afspeelde?”

„Het was nummer 39 in St. James Street.”

Baxter sloeg zenuwachtig het dikke adresboek op.

„Allemachtig!” stamelde hij toen, „daar zijn drie van de voornaamste

clubs uit Londen gevestigd, één ervan behoort een prins—en jij hebt zoo

opgespeeld tegen die gentlemen?”

White antwoordde:

„Maar ik vertel u daar juist, inspecteur, dat de bandieten...”

„Je krijgt een dag arrest, White! Je bent weer heel onvoorzichtig

geweest. Je hebt je gemengd in een zaak, waarmee de politie heelemaal

niets te maken heeft.”

„Als meer dan een dozijn mannen een onbeschermd meisje aanvallen, moet

de politie zich er wel mee bemoeien”, beweerde White.

De inspecteur wendde zich weer tot de jonge dame.

„Hoe zijt ge in dat clubgebouw gekomen?”

„Ik weet het niet.”

De inspecteur lachte grimmig.

„Dat zijn geen antwoorden. Ge moet de waarheid vertellen. Wat hebt ge

met die heeren te maken?”

„Ik ging vanmiddag in Hyde-Park wandelen”, antwoordde zij, „het begon

al te schemeren, toen ik plotseling mij onwel gevoelde. Ik kon nog naar

een bank loopen, waar ik bewusteloos neerzonk. Toen ik weer tot

mijzelve kwam, was ik in een vreemd huis en omringd door een aantal

jonge mannen, die mij beleedigden. Ik stiet hen ter zijde en vluchtte

weg. Het overige weet ge.”

„En denkt ge, dat ik dat verzinsel geloof?”

„Het is geen verzinsel!”

Zij richtte zich op met trotsch gebaar.

„Ge kunt gaan, juffrouw! Ik geef u echter den raad, in het vervolg niet

meer dergelijke aardigheden uit te lokken. Pas maar op, dat de politie

geen termen vindt, om uw levensloop wat nauwkeuriger te controleeren”.

De rechercheurs zagen, dat het meisje onder haar sluier doodsbleek

werd.

Zij wankelde.

White ondersteunde haar en fluisterde haar toe:

„Ga nu heen en tracht nooit meer met de politie in aanraking te komen.

Dat deugt niet voor u”.

Zij drukte hem dankbaar de hand.

White riep een huurkoets aan en een minuut later was miss Crofton

verdwenen.

De inspecteur ijsbeerde de kamer door.

Toen White weer binnenkwam, snauwde Baxter:

„White, je bent nog maar een half jaar in dienst! Je bent nog een

groentje! Je denkt alles door geweld te kunnen bereiken en handelt

voortdurend tegen de voorschriften. In buurten als St. James Street,

Pall-Mall, Regent Street en andere moet je je niet zoo druk maken,

begrepen? In straten, waar de voornaamste lieden uit Londen wonen, moet

je wat voorzichtig zijn.

„Je hebt nog heel wat bij ons te leeren, White! Al die particuliere

aangelegenheden van de rijkelui gaan ons niets aan. Als er een misdaad

in het spel is, zie je, dan is het heel iets anders!”

„Is dat dan geen misdaad geweest, inspecteur?”

„Je bent een domkop, White!”

„Dank u! Moet er heelemaal dan geen onderzoek naar gedaan worden, hoe

miss Crofton zoo plotseling in het clubgebouw kwam?”

„Laat ons afwachten, of haar vader werk maakt van de zaak. Misschien is

hier een geheimzinnige liefdesgeschiedenis in het spel”.

White ging schouderophalend heen.

In hetzelfde oogenblik ging de telephoon.

Een der agenten, die haar bediende, sprak langen tijd.

Toen zei hij tot den inspecteur:

„Sir Jonathan Woorman verzoekt om bescherming!”

„Sir Woorman? De rijke Iersche grondeigenaar? Ik zal er met een paar

mannen heengaan. Wat is de reden van dit verzoek?”

„Hij is bang, dat zijn brandkast wordt geplunderd!”

„Zoo plotseling? Hoe dat zoo?”

„Raffles is in de buurt gezien”.

„Raffles? Raffles? Inderdaad Raffles? Jongens, dat is een mooie zaak!

We gaan dadelijk op zoek naar hem! De kerel maakt mij nog gek!”

„Dat heeft hij al zóó vaak beweerd, dat het nu eens tijd wordt, dat het

gebeurt!” fluisterde White.

Baxter koos White uit, dien hij prees wegens zijn moed en

koelbloedigheid en steeds gaarne bij zich had en bovendien nog vijf

man, waarmee hij op weg trok.

Hij had nog vele aanwijzingen gekregen, die hem er toe noopten, zoodra

mogelijk Sir Woorman hulp te gaan verleenen,

„Het schijnt”, sprak Baxter onderweg, „dat die Woorman heel wat

machtige, persoonlijke vijanden heeft, want ieder oogenblik stuurt hij

mij een dreigbrief, dien hij heeft ontvangen.

„Reeds twee keer ook zijn er aanslagen op hem gepleegd.

„Hij is op en top een heer en het eenige, dat men hem ten laste kan

leggen is, dat hij een al te groot Don Juan is.”

„Dat is geen misdaad”, beweerde een der detectives.

„Dat hangt er van af”, sprak White op zachten toon.

De inspecteur had deze woorden echter verstaan.

Hij draaide zich om en vroeg:

„Hoezoo, White? Mogen rijke heeren zich niet amuseeren? Jij bent een

wonderlijke kerel!”

„Dat bedoel ik niet, inspecteur”, antwoordde White.

„Wat bedoel je dan?”

„Wel, inspecteur, ik vind, dat die rijke heeren zich in hun eigen kring

moeten amuseeren. In plaats van dat te doen, zoeken zij steeds hun

slachtoffers daar, waar de armoede al genoeg onheil heeft gesticht.”

De inspecteur lachte luide.

Al de anderen stemden even luid mede in.

„Vindt jij dan, White, dat hij afspraakjes moet maken met de dochter

van de aristocraten? Je bent een groot kind! Ik zou bijna zeggen,

kerel, dat je niet deugt voor je baantje.”

„Maar hier zijn we op de plaats van bestemming!”

Het was elf uur in den avond.

Inspecteur Baxter betrad met zijn mannen de groote, weelderig

ingerichte woning van Sir Jonathan Woorman, een te Londen welbekend

sportsman, die in de voornaamste kringen verkeerde en daar in hoog

aanzien stond

Sir Woorman trad hem tegemoet.

„Ik dank u, inspecteur, dat ge gekomen zijt”, sprak hij met zware stem.

Hij was een groot, breedgeschouderd man, met innemende manieren.

Op zijn tamelijk langen hals stond een hoofd met breede, eenigszins

plompe trekken en een typischen Ierschen neus.

Als Sir Woorman niet zoo rijk gekleed was en niet zulke voorname

manieren had gehad, dan had men hem evengoed voor iemand uit een van de

onderste lagen der volksklasse kunnen houden.

„Stel u eens voor, inspecteur, wat ik een paar uur geleden beleefd

heb!” riep Woorman uit.

„Wellicht een galant avontuur?”

„De duivel hale alle galante avonturen!” riep Sir Woorman uit, die

plotseling van smaak veranderd scheen.

„Stel u eens voor, inspecteur, ik had van avond om acht uur een

rendez-vous in een of ander café. Het doet er niets toe, in welk café.

„Ik ga naar binnen, en neem plaats in het kamertje, waar ik de dame

verwacht.—Vijf minuten later komt een heer binnen. Ik moet zeggen, dat

die Raffles héél elegant is! Verduiveld elegant! En brutaal! Ik heb nog

nooit zoo iets gezien!”

„Kwam Raffles in plaats van de dame? Hoe is dat mogelijk?”

„Als ik dat wist, dan was ik knapper dan u!”

„Weet ge zeker, dat het Raffles was?”

„Het was Raffles! De kerel hield een heele toespraak en verklaarde mij

ten slotte, dat ik een...... enfin, dat komt er niet op aan. In ieder

geval heeft hij mij aangekondigd, dat hij van nacht nog mijn geld komt

weghalen, omdat ik veel te veel heb en het feitelijk anderen

toebehoort. Wat zegt ge van zoo’n logica? Ik heb hem gezegd, dat ik

inspecteur Baxter onmiddellijk zou waarschuwen!”

„En wat antwoordde hij?”

„Hij lachte en noemde in verband met u een heele menigte diernamen.

Zoo’n onbeschaamde vlegel! Maar ik heb het grootste vertrouwen in u,

inspecteur!”

„En ik zal dat vertrouwen niet beschamen”, antwoordde Baxter met

gepaste bescheidenheid. „Wij zullen onmiddellijk de noodige maatregelen

nemen!”

„Gij, Sir Woorman, wilt misschien de kamer, waarin uw brandkast staat,

zelf bewaken! Ik geef u dan rechercheur White tot assistentie!”

Sir Woorman keek White eens aan.

„De kerel bevalt mij!” zeide hij, „maar ik heb geen tijd, inspecteur,

ik heb een dringende afspraak. Uw rechercheur zal dat zaakje wel alleen

kunnen opknappen.”

„Zooals ge wenscht, Sir Woorman, dan zal ik met White de brandkast gaan

bewaken!”

„All right”, antwoordde de rijke man.

Baxter gaf zijn aanwijzingen en de manschappen gingen op hun post.

De brandkast stond in een kleine kamer, die twee deuren had.

Door de eene deur kon men niet komen, zonder de trap te zijn opgegaan,

waar een rechercheur op post stond.

De tweede deur kwam uit in Sir Woorman’s werkkamer.

„Hier zijn sigaren en sigaretten”, sprak Sir Woorman, „maak het u zoo

gemakkelijk mogelijk, morgen vroeg kom ik terug en hoop ik, dat alle

gevaar geweken is!”

„Als de duivel er niet weer mee speelt, zullen we den kerel wel te

pakken krijgen”, antwoordde de inspecteur.

Het werd stil in huis.

Sir Woorman was heengegaan.

Baxter en White zaten in de studeerkamer en hielden de wacht over de

kamer, waar de brandkast stond, door een groote, glazen deur, waar men

makkelijk doorheen kon kijken, daar de kamer helder verlicht was,

terwijl de beide mannen in donker zaten.

„Ik laat mij hangen, als het Raffles ditmaal gelukt een penny te

stelen”, beweerde Baxter.

White antwoordde niet.

Terwijl namelijk Baxter naast de deur zat en geen blik had afgewend van

de helverlichte kamer, was White zachtjes weggegaan en patrouilleerde

nu door de kamers van het huis.

Hij keek overal rond met speurenden blik en bleef ten slotte staan voor

een eikenhouten kast.

„Dat kon het juiste wel eens zijn”, mompelde hij, „want dat de

brandkast leeg is, ligt voor de hand!”

Hij begon met een looper de houten deur te openen.

Lord Lister No. 0003: De Ridderordendiefstal in het Koninklijk Paleis · 第 4 / 16 题